Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:38

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/414
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om tegemoetkoming op grond van artikel 4 Plantenziektenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/414

32100

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2017 in de zaak tussen

Firma [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. C.D.J. Bisschop en J.C. van Haaren),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2014 heeft verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektenwet in verband met geleden schade als gevolg van aangezegde maatregelen ter bestrijding van de Afrikaanse fruitmot afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Voor appellante zijn verschenen [naam] en haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 8 november 2013 is op het bedrijf van appellante in een geoogste partij paprika’s de Afrikaanse fruitmot aangetroffen. Ter bestrijding hiervan heeft verweerder appellante verschillende maatregelen aangezegd. In dat kader is de geoogste partij paprika’s op 11 november 2013 vernietigd. Verder is appellante aangezegd om geen eindproduct in het handelsverkeer te brengen en te kennen gegeven dat het eliminatiescenario van kracht is geworden. Bij brief van 27 januari 2014 heeft appellante verweerder op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet verzocht om een tegemoetkoming in verband met geleden schade ten gevolge van de aangezegde bestrijdingsmaatregelen.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van appellante afgewezen.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat appellante tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat zij vanaf de eerste uitbraak van de Afrikaanse fruitmot in Nederland in 2009 op de hoogte was van de risico’s van besmetting hiermee voor het door haar geteelde gewas. Appellante nam sinds februari 2013 deel aan het monitoringprogramma Afrikaanse fruitmot in het kader van de export naar de Verenigde Staten (VS). Ook heeft verweerder in juli 2013 aan vertegenwoordigers uit de paprikasector gemeld dat er meerdere vondsten van de Afrikaanse fruitmot zijn gedaan en was in Nederland de status van quarantainewaardig toegekend aan de Afrikaanse fruitmot. Het risico van besmetting van paprika’s met de Afrikaanse fruitmot was daarom voor appellante voldoende voorzienbaar of had dat moeten zijn, zodat de besmetting op het bedrijf van appellante tot het normale bedrijfsrisico behoort. Ook de gevolgen van een besmetting met dit organisme behoren tot het normale bedrijfsrisico. Een teler wordt geacht zich er bewust van te zijn dat indien een besmetting wordt geconstateerd, de overheid conform de Plantenziektenwet bestrijdingsmaatregelen zal moeten treffen. Bestrijding van het organisme is onmogelijk met behoud van het aangetaste gewas. Verweerder volgt appellante niet in haar standpunt dat hij haar persoonlijk op de hoogte had moeten stellen van een uitbraak van de Afrikaanse fruitmot op een nabijgelegen bedrijf en het quarantainewaardig worden van deze soort, omdat daartoe geen verplichting geldt. Volstaan kan worden met reguliere bekendmakingen. Appellante is verder niet onevenredig zwaar getroffen door de genomen maatregelen.

2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder haar verzoek om tegemoetkoming tevens had moeten opvatten als een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van verweerder. De door appellante geleden schade is mede het gevolg van het nalaten van verweerder om haar te informeren over een uitbraak van de Afrikaanse fruitmot op een nabijgelegen bedrijf. Verder heeft appellante aangevoerd dat redelijkerwijs niet kan worden gesteld dat haar schade tot het normale bedrijfsrisico behoort. Appellante wist dat haar planten besmet zouden kunnen raken, zodat zij alles in het werk heeft gesteld om besmetting te voorkomen. Appellante is ten onrechte niet geïnformeerd over een uitbraak van de Afrikaanse fruitmot op een nabijgelegen bedrijf en over het quarantainewaardig worden van de Afrikaanse fruitmot. Appellante was goed op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van plantenziekten en heeft daar veel tijd en energie in gestoken. Indien appellante wel was geïnformeerd had zij nog meer maatregelen ter voorkoming of bestrijding van de Afrikaanse fruitmot kunnen treffen. Om die reden is het niet redelijk dat de geleden schade volledig voor haar rekening komt. Verweerder miskent de kern van de schade, die voornamelijk bestaat uit het volledig ruimen van het gewas. Tot slot heeft appellante een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat bij een eerdere besmetting met de paprikasnuitkever een deel van de schade wel is vergoed.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Verweerder heeft het verzoek van appellante om een tegemoetkoming voor geleden schade terecht enkel opgevat als een verzoek om tegemoetkoming van geleden schade als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektenwet. Voor het oordeel dat het verzoek ook had moeten worden opgevat als een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van verweerder omdat verweerder heeft nagelaten appellante te informeren over onder andere een uitbraak van de Afrikaanse fruitmot op een nabijgelegen bedrijf bestaat geen aanleiding. Daarbij is van belang geacht dat appellante bij haar verzoek om tegemoetkoming expliciet heeft verwezen naar artikel 4 van de Plantenziektenwet en haar verzoek niet anderszins heeft geconcretiseerd. Bovendien heeft appellante haar standpunt over de ruime strekking van haar verzoek om schadevergoeding eerst ter zitting in beroep ingenomen. Indien appellante van mening was dat verweerder haar verzoek te beperkt had opgevat zou er alle aanleiding zijn geweest om dit reeds in bezwaar naar voren te brengen. Dat heeft zij echter niet gedaan.

4.2.

Zoals het College onder andere in zijn uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:84, heeft overwogen staat voorop dat verweerder op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet een tegemoetkoming kan verlenen in gevallen waarin de schade die het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet gegeven voorschriften onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken. Uit vaste jurisprudentie van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI1931, volgt voorts dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4 van de Plantenziektenwet blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen. Bovendien volgt uit deze jurisprudentie dat in de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om te komen tot het oordeel dat de wetgever met dit artikel ook een aanspraak op een tegemoetkoming heeft willen creëren voor degene die wordt geconfronteerd met schade die is terug te voeren op omstandigheden die tot zijn normale bedrijfsrisico behoren.

4.3.

Zoals het College eveneens heeft overwogen in genoemde uitspraak van 24 juli 2013, behoort het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellante dat het bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat appellante bekend was met de risico’s van de Afrikaanse fruitmot voor de paprikateelt en de mogelijkheid van besmetting daarmee van haar gewassen. De omstandigheid dat verweerder appellante niet heeft ingelicht over een uitbraak van de Afrikaanse fruitmot op een nabijgelegen bedrijf brengt niet met zich dat dit voor appellante anders moet worden bezien. Van een verplichting tot het verstrekken van dergelijke individuele inlichtingen is voorts niet gebleken. Niet kan daarom worden geoordeeld dat de door appellante geleden schade niet tot het normale bedrijfsrisico behoort. Van overige omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de schade als gevolg van de aan appellante aangezegde maatregelen onevenredig zwaar op haar drukt is verder niet gebleken. De erkenning van verweerder ter zitting dat de opmerking in het bestreden besluit dat appellante weliswaar tijdelijk de export naar de VS heeft moeten staken, maar dat het uitvoerverbod niet gold voor de export naar andere landen als onjuist moet worden beschouwd maakt niet dat het bestreden besluit niet juist is.

4.4.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat niet is gebleken dat sprake is van gelijke gevallen. Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat bij een besmetting die heeft plaatsgevonden met de paprikasnuitkever een tegemoetkoming is uitgekeerd aan gedupeerde telers maar dat die tegemoetkoming niet was gebaseerd op artikel 4 van de Plantenziektenwet. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 4 van de Plantenziektewet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. J.L.W. Aerts en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. S.M. van Ditmarsch