Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:379

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
17/142
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Pups in kinderbox. Onvoldoende grondslag opleggen last onder dwangsom. Toezichtrapport bevat onvoldoende aanwijzingen voor overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/142

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.L. Baar),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Bij besluit van 29 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor het College zijn de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

1.1

Op 10 augustus 2016 hebben twee agenten van de (dieren)politie en twee districtsinspecteurs van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming naar aanleiding van een melding een controle uitgevoerd bij de woning van appellante. Blijkens het hiervan door de districtinspecteurs opgemaakte toezichtrapport van 15 augustus 2016 zijn, voor zover hier van belang, de volgende constateringen gedaan.

“(…)

Wij roken bij het binnentreden een zeer sterke penetrante lucht van urine en ontlasting van de aanwezige dieren. (…).

Wij zagen een kinderbox welke kennelijk als bench is gesitueerd met daarin een aantal pups, te weten 2 Franse bull pups beide donkerbruin van kleur en beide met een witte bef, twee Chinese naakthonden pups beide donkerbruin van kleur en 1 Shih Tzu pup kleur donkerbruin met wit. (…)

De gezondheid van de dieren leek voor allen, (...), normaal.

Wij hebben in alle verblijven water en voer gezien waar de dieren vrijelijk over konden beschikken. (…)

Wij zagen en roken dat de werpkist/kinderbox van de pups zeer ernstig was vervuild met urine en ontlasting, de ontlasting stonk enorm en was dun, we zagen meerdere diarree plekken in de kinderbox, wij zagen vervolgens dat alle pups hier doorheen liepen en daarbij de ontlasting aan de poten hadden zitten. (…)”

1.2

Bij het primaire besluit is een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wet dieren. Daarbij is aan appellante de maatregel opgelegd om voor 7 september 2016 ervoor te zorgen dat haar pups in de kinderbox de beschikking hebben over een schone en droge ligplaats. Daartoe dient zij dagelijks de aanwezige ontlasting en urine te verwijderen en de ruimtes deugdelijk te ontsmetten. Indien aan deze maatregel niet wordt voldaan, verbeurt appellante per overtreding per controle € 500,- tot een maximumbedrag van € 1500,-. De last onder dwangsom is gedurende twee jaar van toepassing.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat (tijdelijke) huisvesting op elk moment dient te voldoen aan de eisen en dat appellante, nu het gaat om pups die nog niet zindelijk zijn, de kinderbox eerder en vaker had moeten schoonmaken.

3. Appellante betwist dat sprake is van een overtreding. Volgens haar was weliswaar in enige mate sprake van vervuiling in de kinderbox, maar niet dusdanig dat aanleiding bestond om een last op te leggen. Het gaat slechts om een momentopname, aldus appellante. Zij voert aan dat droge plekken in de kinderbox aanwezig waren en zij voornemens was de box te gaan schoonmaken, maar hier nog niet aan toegekomen was.

Appellante stelt voorts dat van houders van dieren niet kan worden verwacht dat constant de verblijfplaats van dieren wordt verschoond en compleet wordt vrijgehouden van ontlasting. Appellante voert tot slot aan dat, zoals ook door de toezichthouders is geconstateerd, de pups in goede gezondheid verkeerden en dan ook geen sprake is van het onthouden van de nodige zorg aan de dieren.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een momentopname een overtreding niet in de weg staat en de geconstateerde situatie ter plaatse valt te kwalificeren als een overtreding. Verweerder wijst in dit verband op de conclusie van het Parket van de Hoge Raad van 13 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:439. Verweerder stelt in lijn met deze conclusie dat uit het toezichtrapport blijkt dat meerdere aspecten tot de conclusie hebben geleid dat de verzorging van de pups onvoldoende in acht is genomen. Verweerder stelt tot slot dat, gezien de aard en omvang van de vervuiling, het schoonmaken van de kinderbox in het kader van de benodigde hygiëne eerder had moeten gebeuren.

4. Ingevolge artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.

Ingevolge artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren is het houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

Ingevolge artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Besluit houders van dieren, draagt degene die een dier houdt, zorg voor dat een dier een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden.

4.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet Dieren, in samenhang bezien met artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

4.1.1

Voor de feitelijke onderbouwing van de besluitvorming steunt verweerder op de bevindingen in het toezichtrapport van 15 augustus 2016. De enkele omstandigheid dat het een momentopname betreft staat er niet aan in de weg om op grond van de bevindingen handhavend op te treden, mits deze bevindingen voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de dieren in kwestie onvoldoende worden verzorgd in de zin van de relevante wettelijke bepalingen.

4.1.2

Op zichzelf volgt het College verweerder in diens oordeel dat uit het toezichtrapport blijkt dat de hygiënische situatie ter plaatse op het moment van de controle niet optimaal was, hetgeen ook door appellante wordt erkend, maar daarmee is nog niet zonder meer een feitelijke grondslag voor handhavend optreden gegeven. Het rapport vermeldt weliswaar als conclusie dat de kinderbox ‘zeer ernstig was vervuild’, maar dit wordt slechts beperkt feitelijk onderbouwd dan wel middels de bij het toezichtrapport gevoegde foto’s aangetoond.

Uit het toezichtrapport volgt met name niet hoe lang de aangetroffen situatie al voortduurde, noch een indicatie hiervan aan de hand van de bevindingen. Uit het toezichtrapport blijkt niet dat in de kinderbox opgedroogde/aangekoekte ontlasting is aangetroffen, noch dat is geconstateerd dat de pups een vervuilde vacht hadden of nat waren, hetgeen aanwijzingen zouden kunnen vormen dat appellante de kinderbox eerder en vaker had moeten verschonen. Verweerder heeft de stelling van appellante dat zij elke dag de kinderbox schoonmaakt, en daar die dag nog niet aan was toegekomen, nu de controle tamelijk vroeg in de ochtend plaatsvond, dan ook onvoldoende weerlegd. De enkele constatering dat de pups tijdens de controle door de ontlasting liepen, is hiertoe gelet op het voorgaande onvoldoende.

4.1.3

Uit het toezichtrapport kan verder niet worden opgemaakt dat de pups in het geheel niet konden beschikken over een schone en droge ligplek, gelet ook op de in de kinderbox aanwezige doos met dekens.

4.1.4

Voorts acht het College van belang dat, zoals verweerder ook erkent, niet het oordeel van een dierenarts is ingewonnen ter zake de aangetroffen situatie in de kinderbox en de gevolgen hiervan voor de gezondheid en het welzijn van de pups, terwijl uit het toezichtrapport blijkt dat de gezondheidstoestand van de pups als normaal valt te kwalificeren.

4.2

Het voorgaande leidt het College tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de in rechtsoverweging 4.1 genoemde wettelijke voorschriften heeft overtreden. De door verweerder genoemde overige geconstateerde omstandigheden doen hier niet aan af, nu deze geen betrekking hebben op de geconstateerde situatie ten aanzien van de pups en dus het bestreden besluit niet kunnen dragen, nu dat alleen op de pups betrekking heeft. Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom.

5. Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en komt dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking. Nu sprake is van een onherstelbaar onderzoeksgebrek zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

6. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, - en 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 246, -, allen met een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168, - aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.482, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2017.

w.g. J.L. Verbeek w.g. A. Verhoeven