Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:373

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
16/1262
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht. Het College is van oordeel dat uit de stukken en de door de accountant gegeven toelichting blijkt dat de accountant betrokken is geweest bij een bewust onjuiste BTW-aangifte. Strijd met (onder meer) beginsel van integriteit. Strijd met dat beginsel wordt een accountant in beginsel zwaar aangerekend. Het College acht de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1262

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats] , appellant,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 november 2016, gegeven op een klacht, door [naam 2] en [naam 3] ( [naam 2] en [naam 3] ) ingediend tegen appellant.


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 november 2016, met nummer 16/199 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:108).

[naam 2] en [naam 3] zijn in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift te geven. Zij hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017.

Appellant is verschenen. Tevens is voor appellant verschenen [naam 4] RA.

[naam 2] en [naam 3] zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op verzoek van [naam 2] en [naam 3] is op 25 mei 2015 de vennootschap [naam 5] BV opgericht. Die BV heeft vervolgens op 25 mei 2015 de werkmaatschappijen [naam 6] BV en [naam 7] BV opgericht.

In april 2015 heeft een medewerker van het kantoor van appellant ( [naam 8] ) [administratiekantoor I] ( [administratiekantoor I] ) en [naam 9] ( [naam 9] ) opgericht. De [naam 9] is bestuurder en enig aandeelhouder van [administratiekantoor I] . [naam 8] is enig bestuurder van de [naam 9] .

[naam 2] en [naam 3] zijn voor de administratieve dienstverlening klant geworden van [administratiekantoor I] . Op hun verzoek is [administratiekantoor I] enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 5] BV geworden. [administratiekantoor I] maakt gebruik van het boekhoudprogramma Reeleezee.

Omdat [administratiekantoor I] ten tijde van de oprichting van [naam 7] BV en haar werkmaatschappijen nog niet beschikte over een eigen bankrekening, heeft appellant op verzoek van [administratiekantoor I] de oprichtingskosten van de drie vennootschappen ad € 1.361,25 voorgeschoten. [administratiekantoor I] heeft als bestuurder van [naam 5] BV begin augustus 2015 een betalingsopdracht gedaan om die kosten aan appellant terug te betalen. Voorts heeft [administratiekantoor I] , als bestuurder van [naam 7] BV, op 30 juli 2015 een aangifte voor de omzetbelasting 2015 gedaan, welke uitkwam op een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 141,--.

1.3

Bij e-mail van 9 augustus 2015 heeft [naam 3] aan appellant, voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

“Ik zag in Reeleezee, dat er € 1361,25 is overgeboekt naar [het kantoor van de accountant] inzake oprichting B.V.’s. Deze overboeking is niet volgens afspraak (…) en ook niet in overleg gebeurt (…). Wij vinden dit niet correct. (…)”

Appellant heeft daarop bij e-mail van 10 augustus 2015 geantwoord:

“Op 11 mei 2015 heb ik [de BV's] feitelijk een lening verstrekt van € 1.361,25, renteloos en zonder zekerheden, terwijl ik eigenlijk niet zou optreden als financier.

Ook nog belangrijk om te weten: de afdracht BTW 2e kwartaal 2015 is berekend op € 8.741. Omdat er al uitkeringen naar personen waren gedaan was er geen saldo op de bank en heb ik besloten om de aangifte op € 141 te zetten. Blijft dus nog op korte termijn een correctie in te sturen van € 8.600 en dit nog te betalen.”

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer houdt in dat appellant

a. de wet omzeilt,

b. eigen personeel inzet als zetbaas in een BV met als doel winstbejag en macht,

c. niet betrouwbaar is omdat hij beloftes niet nakomt,

d. opdracht heeft gegeven om een proces van aandelenoverdracht te vertragen en frustreren,

e. foutieve aangiften BTW heeft ingediend.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdelen a tot en met d ongegrond verklaard, doch klachtonderdeel e gegrond verklaard, met oplegging van de maatregel van berisping. De accountantskamer heeft daartoe overwogen dat appellant heeft geadviseerd om voor het 2e kwartaal 2015 een bewust onjuiste aangifte omzetbelasting te doen, waarmee hij heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de artikelen 6 en 13 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellant heeft vier grieven aangevoerd tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel e en de opgelegde maatregel.

4.1

De meest verstrekkende grief is dat [naam 2] en [naam 3] niet over de BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015 hebben geklaagd. Zij hebben, aldus appellant, volstaan met indiening van een pakket correspondentie, genummerd 1 tot en met 100, zonder dat zij daarbij een specifieke klacht ten aanzien van de BTW-aangifte hebben geformuleerd. Volgens appellant heeft de accountantskamer de klacht ambtshalve aangevuld zonder dat hem voldoende gelegenheid is gegeven om zich daartegen te verweren.

4.2

Het College stelt vast dat in de klacht onder meer het volgende is vermeld: “er zijn problemen met de Belastingdienst ontstaan omdat er foutieve aangiften BTW zijn ingediend”. Pagina 23 van het als bijlage bij de klacht gevoegde pakket met correspondentie bevat de hiervoor in 1.3 geciteerde e-mails van 9 en 10 augustus 2015. Daarmee had het voor appellant voldoende duidelijk kunnen zijn dat de klacht tevens betrekking had op de BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015. Het College stelt voorts vast dat appellant, die destijds werd bijgestaan door een advocaat, ter zitting van de accountantskamer expliciet over de BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015 is bevraagd. De grief faalt derhalve.

5.1

Appellant heeft voorts als grief aangevoerd dat de klacht over de BTW-aangifte ten onrechte is ingediend door [naam 2] en [naam 3] , terwijl zij daarmee niets te maken hebben, omdat zij destijds geen bestuurder waren van [naam 7] BV.

5.2

Het College overweegt hieromtrent het volgende. Volgens vaste rechtspraak van het College, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:54), komt het klachtrecht, gezien het uitgangspunt dat het accountantstuchtrecht het algemene belang dient van een goede uitoefening van het accountantsberoep, op grond van artikel 22 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) toe aan een ieder. Derhalve is niet relevant of een klager al dan niet een persoonlijk belang heeft bij het indienen van de klacht. De grief faalt.

6.1

Appellant heeft verder als grief aangevoerd dat hij geen enkele bemoeienis heeft gehad met de BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015. Appellant heeft in dit verband voorts betoogd dat de accountantskamer ten onrechte heeft overwogen dat hij [naam 2] en [naam 3] heeft geadviseerd om een bewust onjuiste BTW-aangifte te doen. Appellant wijst erop dat de e-mail waaruit de accountantskamer een en ander heeft afgeleid dateert van 10 augustus 2015. De BTW-aangifte was echter door [naam 8] reeds gedaan op 30 juli 2015.

6.2

Het College overweegt met betrekking tot deze grief dat appellant zich bij de accountantskamer en bij het College heeft gepresenteerd als klankbord voor en coach van [naam 8] . Appellant heeft voorts ter zitting van het College verklaard dat [naam 8] het probleem ten aanzien van de BTW-aangifte en de daaraan gekoppelde betalingsverplichting aan hem heeft voorgelegd. Dat appellant in het geheel geen bemoeienis heeft gehad met de BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015 en de e-mail van 10 augustus 2015 slechts aan [naam 3] heeft verzonden om [naam 8] te beschermen tegen dreigende en denigrerende uitspraken van [naam 2] en [naam 3] , acht het College ongeloofwaardig, temeer nu appellant tevens stelt dat hij wél heeft aangestuurd op herstel binnen de eerstvolgende termijn. Het College is van oordeel dat uit de e-mail van 10 augustus 2015 en de daarop door appellant gegeven toelichting ten aanzien van zijn coaching en begeleiding van [naam 8] blijkt dat appellant betrokken was bij de bewust onjuiste BTW-aangifte over het 2e kwartaal 2015. In ieder geval heeft hij [naam 8] er niet van weerhouden om een onjuiste BTW-aangifte te doen.

Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat appellant daarmee in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de artikelen 6 en 13 VGBA. Het College is daarom van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel e terecht gegrond heeft verklaard. De grief slaagt niet.

7.1

De vierde grief van appellant is gericht tegen de door de accountantskamer opgelegde maatregel. Appellant heeft betoogd dat de accountantskamer ten onrechte het verdere verloop (naar het College aanneemt: de suppletieaangifte en de bijbehorende betaling) niet heeft meegewogen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte heeft meegewogen dat hem eerder bij uitspraak van 6 december 2010 met nummer 10/912 Wtra AK een maatregel is opgelegd.

7.2

Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het College het volgende. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, heeft appellant in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het College onderschrijft de overweging van de accountantskamer dat een handelwijze die strijdt met het beginsel van integriteit een accountant in beginsel zwaar wordt aangerekend.

Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, heeft de accountantskamer meegewogen dat het de bedoeling was dat de suppletieaangifte alsnog volledig zou worden betaald. Ook het College houdt hier rekening mee. Evenals de accountantskamer houdt het College voorts rekening met de eerder aan appellant opgelegde maatregel, gedateerd 6 december 2010. Gelet op het voorgaande acht het College de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden. De grief slaagt niet.

8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. W.A.J. van Lierop en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.M. Bancken