Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:37

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
16/147
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plantenziektenwet

Besluit bestrijding schadelijke organismen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/147

32100

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2017 in de zaak tussen

maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder appellante maatregelen, waaronder een teeltverbod, aangezegd ter bestrijding van de schimmel Synchytrium endobioticum.

Bij besluit van 26 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij een controle door de Plantenziektenkundige Dienst (PD) is in 2003 op een terrein dat appellante in gebruik heeft een besmetting met wratziekte vastgesteld. Deze besmetting werd vermoedelijk veroorzaakt door fysio 18 van de schimmel Synchytrium endobioticum (SE). Het definitieve fysio moest op dat moment nog worden bepaald. Vanwege voornoemde vaststelling heeft verweerder appellante bij besluit van 30 maart 2004 op grond van de artikelen 9, 10, 11 en 12 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Besluit) en artikel 2 van de Regeling bestrijding schadelijke organismen onder meer aangezegd dat het haar met ingang van 2004 voor minimaal 20 jaar verboden is op het met correspondentienummer WT 03.12.2 aangegeven besmette terrein aardappelen alsmede voortkwekingsmateriaal te telen of op zodanige wijze te bewaren dat zij in aanraking komen met grond van dit terrein. Onder bepaalde omstandigheden kan het teeltverbod voor aardappelen op met fysio 2 en 6 besmette percelen na minimaal 5 jaar worden versoepeld. Dit is voor fysio 18 tot nader order niet mogelijk. Rustsporen van wratziekte kunnen met name onder grasland gedurende zéér lange tijd overleven. In verband hiermee wordt appellante dringend geadviseerd om het met wratziekte besmette perceel niet in permanent gras te leggen.

1.2.

Bij besluit van 1 september 2004 heeft verweerder appellante te kennen gegeven dat de besmetting op het terrein van appellante is veroorzaakt door fysio 2 van de schimmel SE. Op grond hiervan heeft verweerder appellante onder meer aangezegd dat het met ingang van 2004 voor minimaal 20 jaar verboden is op het betreffende terrein aardappelen, alsmede voortkwekingsmateriaal te telen of op zodanige wijze te bewaren dat zij in aanraking komen met grond van dit terrein. Vanaf teeltseizoen 2009 geldt het verbod niet meer voor zetmeel- of consumptieaardappelrassen die resistent zijn tegen fysio 2, wanneer op verzoek van appellante een grondonderzoek is uitgevoerd door de PD en bij dit onderzoek het besmettingsniveau met de wratziekteschimmel op een laag niveau of op 0 ligt. Het besluit vervangt het besluit van 30 maart 2004.

1.3.

Bij brief van 12 oktober 2014 heeft appellante aan verweerder de uitslag van een door BLGG AgroXpertus in 2010 uitgevoerd onderzoek op schimmelziekten toegestuurd. De bevindingen van dit onderzoek staan in een verslag van 14 oktober 2010. In de toelichting van het verslag staat dat de veroorzaker van wratziekte bij aardappel niet is aangetroffen in de genomen grondmonsters en dat de analyse is uitgevoerd door de PD.

1.4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellante opnieuw maatregelen, waaronder een teeltverbod, aangezegd. Met ingang van 2015 is het voor minimaal 20 jaar verboden op het met correspondentienummer WT 03.12.2 aangegeven deel van het besmette terrein aardappelen, alsmede voortkwekingsmateriaal te telen of op zodanig wijze te bewaren dat zij in aanraking komen met grond van dit terrein. Voor het gedeelte ter grootte van circa 1 hectare, waar nu tarwe wordt geteeld, blijft de oorspronkelijke besmettingsduur van kracht. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat bij een controle op 15 juni 2015 is vastgesteld dat appellante verboden gewassen heeft geteeld op het terrein waarop een teeltverbod in verband met wratziekte geldt. Appellante heeft op een gedeelte van het besmet verklaarde perceel ter grootte van circa 4,3 hectare zetmeelaardappelen geteeld. Op een ander gedeelte van dit perceel met een oppervlakte van circa 0,9 hectare heeft appellante voortkwekingsmateriaal (coniferen) geteeld.

1.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens verweerder is de besluitvorming niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat van zijn kant aan appellante geen toezeggingen zijn gedaan dat (weer) aardappelen geteeld mochten worden op het besmet verklaarde terrein. Voor en na het verzenden van de brief van appellante met de uitslag van de in 2010 genomen grondmonsters heeft contact met een medewerker van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit plaatsgevonden. Daarbij is aan appellante medegedeeld dat de uitslag van dit grondonderzoek niet voldeed aan de voorwaarden zoals gesteld bij het besluit van 1 september 2004. Op het besmet verklaarde terrein mochten derhalve geen aardappelen en voortkwekingsmateriaal worden geteeld.

2. Appellante heeft aangevoerd dat wordt aangesloten bij het bezwaarschrift, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder heeft zij aangevoerd dat het haar opgelegde teeltverbod buiten elke proportie is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het terrein al vanaf 2004 niet meer gebruikt mag worden. Gelet op de zwaarte van deze maatregel, is geen sprake meer van een herstelsanctie maar van een bestraffende sanctie. Ook heeft verweerder nagelaten om een belangenafweging te maken en toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:11 en 7:12 van de Awb.

3. Het College komt tot de volgende beoordeling.

3.1

De beroepsgrond van appellante dat het opgelegde teeltverbod buiten elke proportie is slaagt voorts niet. Daarbij is van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting van het College heeft toegelicht dat in 2003 op het terrein van appellante een besmetting met wratziekte is vastgesteld. De rustsporen van wratziekte kunnen gedurende zéér lange tijd overleven. Bestrijding met chemische of andere middelen is niet mogelijk. Na een periode van 20 jaar is de kiemkracht verdwenen en kan met zekerheid worden vastgesteld dat een terrein niet meer met wratziekte besmet is. Hierover bestaat consensus in de wetenschap. Gedurende de periode van 20 jaar wordt vermoed dat de wratziekte nog in de grond zit. Indien binnen die periode weer aardappelen of voortkwekingsmateriaal worden geteeld kunnen nieuwe kiemsporen worden gevormd. In dat geval is daarom een nieuw teeltverbod voor de termijn van 20 jaar noodzakelijk ter bestrijding en voorkoming van de verbreiding van de wratziekte. Appellante heeft niets tegenover deze uiteenzetting van verweerder gesteld. Het College gaat daarom uit van de juistheid daarvan. Gelet op die uiteenzetting ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan appellante opnieuw een teeltverbod voor de duur van 20 jaar op te leggen Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om een teeltverbod voor een kortere termijn op te leggen of in het geheel af te zien van een teeltverbod. Het opgelegde teeltverbod is niet gebaseerd op de toepassing van beleidsregels, zodat het College appellante niet kan volgen in haar beroep op artikel 4:84 van de Awb.

3.2

Anders dan appellante heeft betoogd is in de zwaarte van de maatregel (teeltverbod) geen grond gelegen deze aan te merken als een bestraffende sanctie. Zoals uit het vorenstaande duidelijk is, moet er van worden uitgegaan dat de zwaarte van de maatregel niet verder strekt dan hetgeen in de wetenschap noodzakelijk wordt geacht ter bestrijding van de schimmel SE.

3.3

Voor zover appellante in haar beroepschrift heeft verwezen naar hetgeen zij in bezwaar heeft aangevoerd, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, waarom de door verweerder in het bestreden besluit gegeven gemotiveerde reactie op deze bezwaren niet juist is, niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden.

4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het beroep van appellante ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. J.L.W. Aerts en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. S.M. van Ditmarsch