Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:368

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
17/896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:54 beroep kennelijk ongegrond; appellante geen belanghebbende bij besluit tot subsidieverlening aan derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/208 met annotatie van mr. J. Wieland
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/896

18600

uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Economische Zaken, verweerder.

Procesverloop

Met een brief van 14 februari 2017 (bestreden brief) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante om een aan een derde verleende subsidie in te trekken.

Bij besluit van 18 april 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het tegen de bestreden brief gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat beroep kennelijk ongegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.

2.1.

Appellante heeft verweerder verzocht om de aan de exploitant van [naam 2] voor dat windpark verleende subsidie (besluit tot subsidieverlening) in te trekken.

2.2.

Met de bestreden brief is dat verzoek afgewezen. In de brief is vermeld dat die beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen belanghebbende is bij het besluit tot subsidieverlening, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Awb. Haar verzoek om intrekking van dat besluit is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, te weten ‘een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen’. De afwijzing van dat verzoek is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Met het bestreden besluit is om die reden het bezwaar tegen de bestreden brief niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.

Appellante stelt in beroep dat zij wel belanghebbende is. Zij voert daartoe aan dat zij in overeenstemming met haar statuten opkomt voor het behoud en de verbetering van het plaatselijke woon- en leefklimaat in [plaats] en omgeving. Zij verzet zich in dat verband tegen de voorgenomen bouw van het windpark op zeer korte afstand van het dorp [plaats] . De minister heeft voor dat windpark subsidie verleend. Het belang van appellante bij intrekking van de subsidie is dat daarmee verwezenlijking van het windpark niet langer haalbaar is. Hieruit volgt dat appellante een feitelijk belang heeft bij intrekking van de subsidie. Dat is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) voldoende om haar als belanghebbende aan te merken. De Afdeling heeft haar als belanghebbende aangemerkt in procedures over de omgevingsvergunning van het windpark. Het zou ongerijmd zijn als zij dat niet ook zou zijn in procedures over de subsidiëring van dat windpark. In beide besluitvormingstrajecten zijn de feitelijke belangen van appellante in het geding. Daarnaast is ook haar eigen persoonlijke belang in het geding. Het windpark zal, indien verwezenlijkt, inbreuk maken op (onder andere) het recht van de inwoners van [plaats] op het ongestoorde genot van hun eigendommen (artikel 1, Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) en het recht op een ongestoord familie- en gezinsleven (artikel 8 van het EVRM). Hierin ligt een extra argument om appellante als belanghebbende aan te merken bij het verzoek om intrekking van de subsidie.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Gelet op de in geding zijnde besluitvorming, moet de vraag worden beantwoord of verweerder in de bestreden brief terecht heeft geoordeeld dat appellante geen belanghebbende is bij de subsidieverlening aan de exploitant van [naam 2] (besluit tot subsidieverlening).

3.2.

Artikel 1:2, eerste lid, Awb definieert de belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er volgens vaste rechtspraak een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van een besluit en de belangen van een partij.

3.3.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat appellante geen rechtstreeks belang heeft bij het in geding zijnde besluit tot subsidieverlening. Als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening kan ingevolge vaste rechtspraak worden aangemerkt de aanvrager van die subsidie en eventueel een derde op grond van zijn concurrentiepositie (ECLI:NL:RVS:2015:2258). Daarvan is in het geval van appellante geen sprake. Appellantes belang is niet rechtstreeks betrokken bij de vraag of de exploitant van [naam 2] subsidie kan verkrijgen maar uitsluitend bij de vraag of het windpark op de voorgestelde locatie kan worden opgericht, Gelet hierop is appellante geen belanghebbende bij het in geding zijnde besluit tot subsidieverlening. De hiervoor onder 3.1 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord.

3.4.

De door appellante aangehaalde uitspraken van de Afdeling, te weten ECLI:NL:RVS:2007:BA0108, ECLI:NL:RVS:2008:BD3598, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1077 leiden het College niet tot een ander dan voormeld oordeel. Deze uitspraken hebben betrekking op het begrip belanghebbende in het omgevingsrecht. Aan die uitspraken kan niet worden ontleend dat appellante als belanghebbende bij het besluit tot subsidieverlening moet worden aangemerkt. De uitspraken stroken wel met het feit dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, door de Afdeling in beroep en hoger beroep in procedures over de omgevingsvergunning van het windpark als belanghebbende is aangemerkt. Daaruit volgt, gelet op 3.3, echter niet dat appellante, zoals zij stelt, ook in deze procedure moet worden aangemerkt als belanghebbende.

3.5.

Nu appellante geen belanghebbende is bij het besluit tot subsidieverlening, kan haar verzoek aan verweerder om dat besluit in te trekken niet worden aangemerkt als een ‘aanvraag van een belanghebbende om een besluit te nemen’, als bedoeld in artikel 1:3 derde lid van de Awb. Gelet hierop heeft verweerder in de bestreden brief met juistheid vermeld dat de in die brief vermelde beslissing tot afwijzing van dat verzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen rechtsbescherming in de vorm van de mogelijkheid tot het maken van bezwaar openstaat.

3.6.

Gelet op 3.5 is verweerder in het bestreden besluit terecht tot het oordeel gekomen dat het bezwaar tegen de bestreden brief kennelijk niet-ontvankelijk is. Het bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.W.E. Pinckaers

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.