Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:360

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
16/89
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht: ontvankelijkheid van de klacht gelet op de driejaarstermijn, voortzetting van klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, geen schending van de goede procesorde vanwege gelijktijdige behandeling zonder voeging, geen 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2245
Ondernemingsrecht 2018/51 met annotatie van J.B.S. HIJINK, mr. drs. L. in 't Veld
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/89

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA ( [naam 1] ), te [plaats] , appellant,

(gemachtigden: mr. M. Ynzonides en mr.drs. M.F. Eliëns),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 18 december 2015, gegeven op een klacht, door de Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI), Kalvermesterij Damka B.V. en Theo Wijntjes B.V. (SOBI c.s.) ingediend tegen [naam 1] . Na intrekking van de klacht door SOBI c.s. is de behandeling van de klacht voortgezet door de stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM).

(gemachtigden van AFM: mr. R.W. Veldhuis en mr. M.L. Batting).

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 18 december 2015, met nummer 14/2716 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:153).

AFM heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het College heeft het hoger beroep in de onderhavige zaak gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld met het hoger beroep van [naam 1] en het hoger beroep van de curatoren in het faillissement van Holding Defa B.V., Weyl Holding B.V., Weyl Beef Products B.V. en enkele andere vennootschappen (de curatoren) (bij het College geregistreerd onder procedurenummers 16/86, 16/87 en 16/88) tegen de uitspraak van de accountantskamer van eveneens 18 december 2015 met procedurenummers 15/151 Wtra AK en 15/714 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:154), gegeven op klachten ingediend respectievelijk door de curatoren en door de Stichting Waakzaamheid Accountantsberoep en Schuldeisersbelangen Weyl Beef (de Stichting) en wel ter openbare zitting van 14 februari 2017.

[naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Op de hiervoor genoemde hoger beroepen van [naam 1] en de curatoren met procedurenummers 16/86, 16/87 en 16/88 heeft het College eveneens bij uitspraak van heden beslist.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] was partner bij KPMG Accountants N.V. (KPMG) te Arnhem en stond in de registers van zowel de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA) als AFM ingeschreven als accountant. Dit geldt in elk geval voor de jaren 2007 tot en met 2010. [naam 1] heeft per 1 oktober 2014 KPMG verlaten.

1.3

De Weyl Groep (Weyl) is een groep vennootschappen die zich in hoofdzaak richtte op het slachten van rundvee en het verhandelen van rundvlees. Aan het hoofd van deze groep stond de vennootschap Weyl Holding B.V. (ook: Weyl) met de vennootschap Weyl Beef Products B.V. (Weyl Beef) als belangrijkste werkmaatschappij. Weyl is een 100% deelneming van Holding Defa B.V. De uiteindelijke zeggenschap in de Weyl Groep berustte bij [naam 2] als statutair directeur en aandeelhouder van Holding Defa B.V.

1.4

KPMG heeft jarenlang de controle van de geconsolideerde jaarrekening van Weyl uitgevoerd. Tot en met het boekjaar 2006 trad [naam 3] ( [naam 3] ) namens KPMG op als controlerend accountant. [naam 1] heeft deel uitgemaakt van het controleteam van [naam 3] en is betrokken geweest bij de door [naam 3] uitgevoerde controle van – in ieder geval – de geconsolideerde jaarrekeningen 2004, 2005 en 2006 van Weyl. Vanaf het boekjaar 2007 trad [naam 1] op als controlerend accountant.

1.5

[naam 3] heeft per 1 oktober 2007 KPMG verlaten. Op zijn eigen verzoek is [naam 3] per 1 oktober 2007 als accountant doorgehaald in het register van destijds het NIVRA. In het handelsregister staat ingeschreven dat [naam 3] per 7 maart 2008 is toegetreden tot de raad van commissarissen (RvC) van Weyl en dat hij per 22 mei 2008 is teruggetreden. Nadien heeft [naam 3] in de hoedanigheid van adviseur de vergaderingen van de RvC bijgewoond. [naam 3] is per 1 december 2009 opnieuw toegetreden tot de RvC.

1.6

[naam 1] heeft de geconsolideerde jaarrekeningen 2008 en 2009 van Weyl op respectievelijk 27 februari 2009 en 12 maart 2010 van een goedkeurende verklaring voorzien. [naam 1] heeft op respectievelijk 31 maart 2009 en 16 maart 2010 namens KPMG Weyl toestemming verleend de goedkeurende verklaringen openbaar te maken.

1.7

In het voorjaar van 2010 zijn bij externe financiers van Weyl vragen gerezen over onder meer de juistheid van de door Weyl-vennootschappen opgestelde facturen voor ingekocht vee en vlees. Op 17 mei 2010 hebben [naam 2] en financieel directeur
[naam 4] ( [naam 4] ) tegenover medewerkers van een financier toegegeven dat de door de Weyl-vennootschappen opgestelde facturen niet strookten met de werkelijkheid, dat de debiteurenpositie en de voorraadpositie te hoog waren weergegeven en dat de crediteurenpositie te laag was weergegeven. De financiers hebben vervolgens met onmiddellijke ingang het krediet aan Weyl opgezegd, waarna surseance van betaling is aangevraagd. Op 20 mei 2010 zijn de tot Weyl behorende vennootschappen in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curatoren als zodanig.

1.8

Per brief van 7 juni 2010 heeft [naam 1] namens KPMG aan de curatoren, de directie en de RvC van Weyl meegedeeld dat, vanwege het vermoeden van fraude en het bestaan van materiële onjuistheden in de jaarrekening van 2009 en eerdere jaren, de toestemming tot openbaar- en gebruikmaking van de eerder verleende goedkeurende verklaringen bij die jaarrekeningen wordt ingetrokken.

1.9

Op 7 juni 2010 heeft KPMG haar ‘Head of Quality Control’(HoQC) opdracht gegeven een intern onderzoek te doen naar de toereikendheid van de controle van de jaarrekening 2009 van Weyl.

1.10

Op 1 juli 2010 heeft KPMG, in verband met in de media verschenen beschuldigingen aan (de directie van) Weyl over boekhoudfraude en onregelmatigheden in de administratie en de jaarrekening van Weyl, bij AFM melding gedaan van betrokkenheid bij een (mogelijk) incident dat een ernstige bedreiging vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf, zoals bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het Besluit toezicht accountantsorganisaties.

1.11

In een memo van 8 juli 2010 heeft de HoQC KPMG geïnformeerd dat gebleken is dat relevante achtergrondinformatie en gemaakte overwegingen bij de controle-aanpak niet altijd duidelijk in het dossier zijn vastgelegd en dat wordt aangeraden het dossier op zes daarbij concreet genoemde onderwerpen te verduidelijken en/of aan te vullen (het QC-rapport van 8 juli 2010).

1.12

Bij brief van 3 augustus 2010 heeft KPMG aan AFM meegedeeld dat [naam 1] de opdracht heeft gekregen om de documentatie rondom de controle 2009 van Weyl te verbeteren op de door de HoQC genoemde punten.

1.13

In een memo van 12 november 2010 heeft de HoQC de conclusie van zijn onderzoek naar de opdrachtuitvoering bij Weyl vastgelegd, waarbij de HoQC ook de nadere toelichting van [naam 1] naar aanleiding van het memo van 8 juli 2010 in aanmerking heeft genomen. In tien punten heeft de HoQC de belangrijkste bevindingen weergegeven. Op basis van de uitgevoerde werkzaamheden concludeert het onderzoeksteam dat uit het onderzochte controledossier onvoldoende blijkt dat de verzamelde controle-informatie toereikend is om de goedkeurende accountantsverklaring te onderbouwen (het QC-rapport van 12 november 2010).

1.14

In opdracht van de curatoren heeft EY Fraud Investigation & Dispute Services (EY) op 2 maart 2011 een rapport van feitelijke bevindingen uitgebracht over de onregelmatigheden in de administratie van Weyl in de periode van 1 januari 2009 tot en met 20 mei 2010 (rapport van 2 maart 2011). Vanaf maart 2014 heeft EY in opdracht van de curatoren een tweede onderzoek verricht. Dat onderzoek had betrekking op de boekjaren 2008 en 2009 en had tot doel de relevante feiten en omstandigheden in kaart te brengen met betrekking tot de door KPMG op onderdelen van de jaarrekening uitgevoerde controlewerkzaamheden bij Weyl . EY heeft op 23 februari 2015 een tweede rapport (rapport van 23 februari 2015) van feitelijke bevindingen uitgebracht.

1.15

De (toenmalige) rechtbank Almelo heeft op vordering van de curatoren bij vonnis van 8 februari 2012 – samengevat weergegeven – voor recht verklaard dat [naam 2] als bestuurder en [naam 4] als feitelijk beleidsbepaler hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Weyl en dat zij aansprakelijk zijn jegens (de schuldeisers van) Weyl wegens een misleidende voorstelling in de jaarrekening en uit hoofde van onrechtmatige daad, onder veroordeling tot betaling van het tekort in het faillissement van Weyl. Bij vonnis van 1 oktober 2012 heeft diezelfde rechtbank [naam 2] en [naam 4] veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wegens valsheid in geschrifte, welk vonnis op 17 april 2014 in hoger beroep is bevestigd.

1.16

SOBI c.s. hebben bij brief van 27 februari 2014 een klaagschrift ingediend bij de accountantskamer. Bij brief van 22 augustus 2014 hebben SOBI c.s. de klacht ingetrokken. Bij tussenbeslissing van 30 oktober 2014 heeft de accountantskamer beslist dat de behandeling van de klacht op grond van artikel 30 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) om redenen aan het algemeen belang ontleend dient te worden voortgezet, waarbij de klacht verder wordt behandeld als ware deze afkomstig van AFM.

[naam 1] heeft tegen deze tussenbeslissing hoger beroep in gesteld bij het College. In de uitspraak van 13 november 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:386) heeft het College het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht van SOBI c.s., zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 1] ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft afgegeven bij de jaarrekeningen 2008 en 2009 van Weyl Holding B.V.

Een en ander blijkt volgens SOBI c.s. daaruit dat [naam 1] :

A. ten onrechte veertien concrete fraudefactoren heeft genegeerd;

B. fouten in de jaarrekeningen niet heeft opgemerkt, waarbij het gaat om een te hoge post debiteuren, een te lage post crediteuren en te hoge voorraden, als gevolg waarvan de winst en het eigen vermogen te hoog waren weergegeven;

C. het verrichten van noodzakelijke controlewerkzaamheden heeft nagelaten.

Ter toelichting daarop hebben SOBI c.s. uitgewerkt dat [naam 1] geen aandacht heeft besteed aan het grootboek waarin door middel van memoriaalposten en nieuwe mutaties ‘correctieboekingen’ werden gedaan om de vervalsing van de posten debiteuren en crediteuren te bewerkstelligen en dat hij uitsluitend aandacht heeft gehad voor de door het management van Weyl ter beschikking gestelde spreadsheets.

2.2

De klacht zoals deze door AFM is voortgezet, is in de uitspraak van de accountantskamer als volgt weergegeven:

A. [naam 1] heeft nagelaten voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen om daarop de goedkeurende accountantsverklaringen te baseren;

B. [naam 1] heeft de controle van de jaarrekeningen 2008 en 2009 niet met de vereiste professioneel-kritische houding verricht.

2.3

In de tussenbeslissing van 30 oktober 2014 heeft de accountantskamer ten eerste geoordeeld dat het klaagschrift van 27 februari 2014 door SOBI c.s. niet is ingediend buiten de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 22 van de Wtra, zodat het door [naam 1] gevoerde verweer van niet-ontvankelijkheid faalt.

De accountantskamer heeft voorts overwogen dat de hierna genoemde feiten in hoge mate bepalend zijn voor het in het algemeen in accountants gestelde en te stellen vertrouwen, zodat er een voldoende zwaarwegend algemeen belang mee gemoeid is dat naar de juistheid van de verwijten aan [naam 1] een onderzoek wordt gedaan. Kort na de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2009 is een van de belangrijkste dochtermaatschappijen van Weyl Holding B.V. failliet verklaard. Dit is gebeurd na een onderzoek, uitgevoerd in opdracht van ‘financiers en commissarissen’, waarin was gebleken van ‘fake facturen’ en van het te laag verantwoorden van de crediteurenpositie. KPMG heeft in mei 2010 aan de directie van Weyl meegedeeld dat er aanwijzingen waren geconstateerd voor mogelijke onregelmatigheden. Kort nadien heeft KPMG haar toestemming tot openbaarmaking van de accountantsverklaring ingetrokken. De (toenmalige) rechtbank Almelo in februari 2012 heeft op vordering van de curatoren geoordeeld dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder en een feitelijke beleidsbepaler, hetgeen een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Deze bestuurder en beleidsbepaler zijn in oktober 2012 door diezelfde rechtbank veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Uit deze vonnissen blijkt dat de schuldeisers van de failliete vennootschappen vorderingen van vele tientallen miljoenen euro’s hebben ingediend. De accountantskamer heeft geoordeeld dat de behandeling van de klacht voortgezet diende te worden op grond van artikel 30 van de Wtra als ware de klacht afkomstig van AFM.

2.4

Bij de uitspraak van 18 december 2015 heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard. De accountantskamer heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij in de klachtzaken met de procedurenummers 15/151 en 15/714 Wtra AK al tot het oordeel is gekomen dat [naam 1] de controle van de jaarrekeningen 2008 en 2009 met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling heeft gepland en uitgevoerd, als gevolg waarvan [naam 1] bij beide jaarrekeningen een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kon worden vastgesteld. De accountantskamer heeft eveneens betekenis toegekend aan de door KPMG aan AFM meegedeelde conclusie over het onvoldoende kunnen blijken dat de verzamelde controle-informatie toereikend was om de bij de jaarrekening 2009 gegeven goedkeurende verklaring te onderbouwen. Bij het bepalen van de maatregel heeft de accountantskamer rekening gehouden met de in de voornoemde aanverwante zaken opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving in de registers. Onder verwijzing naar de motivering in de aanverwante zaken heeft de accountantskamer een doorhaling van de inschrijving in de registers passend en geboden geacht, waarbij de termijn waarbinnen [naam 1] zich niet opnieuw kan laten inschrijven is bepaald op drie maanden aansluitend op de periode van drie maanden die reeds was bepaald in de uitspraak op de klachten met de procedurenummers 15/151 en 15/714 Wtra AK.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Ontvankelijkheid van de klacht van SOBI c.s.

3.1

[naam 1] voert in zijn eerste grief primair aan dat het oordeel van de accountantskamer in de tussenbeslissing van 30 oktober 2014 niet in stand kan blijven omdat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De accountantskamer heeft ten onrechte SOBI c.s. niet de gelegenheid gesteld te reageren op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [naam 1] en heeft [naam 1] niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt tijdens een mondelinge behandeling nader toe te lichten.

3.2

Het College overweegt dat [naam 1] in zijn reactie van 12 mei 2014 schriftelijk verweer heeft gevoerd ten aanzien van de (niet-)ontvankelijkheid van de klacht van SOBI c.s. [naam 1] heeft aldus zijn standpunt kenbaar gemaakt voordat de accountantskamer de tussenbeslissing nam. Uit overweging 3.1.1. van de tussenbeslissing blijkt ook dat de accountantskamer dit verweer in aanmerking heeft genomen. Anders dan [naam 1] stelt, bestond na de intrekking van de klacht door SOBI c.s. geen aanleiding SOBI c.s. in de gelegenheid te stellen te reageren op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [naam 1] . SOBI c.s. waren na intrekking van de klacht immers geen partij meer in de procedure.

Ten aanzien van het standpunt van [naam 1] dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn niet-ontvankelijkheidsverweer tijdens een mondelinge behandeling nader toe te lichten, geldt dat [naam 1] die mogelijkheid heeft gehad tijdens de mondelinge behandeling op 5 en 6 oktober 2015. Zoals uit het proces-verbaal van de zitting en de pleitnotities blijkt, is de ontvankelijkheid van de (voortgezette) klacht tijdens de zitting door zowel [naam 1] als AFM aan de orde gesteld. Uit overweging 4.2.4 van de bestreden uitspraak blijkt dat de accountantskamer het door [naam 1] gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer in het nadere verweerschrift van 15 april 2015 tevens in de beoordeling heeft betrokken, nu de accountantskamer heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat van het gegeven oordeel in de tussenbeslissing terug te komen. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is naar het oordeel van het College geen sprake geweest.

3.3

Subsidiair voert [naam 1] in de eerste grief aan dat de accountantskamer de klacht van SOBI c.s. ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, omdat SOBI c.s. hun klacht niet hebben ingediend binnen de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wtra. Kort samengevat heeft [naam 1] daartoe aangevoerd dat volgens de jurisprudentie van het College een klager niet hoeft te beschikken over alle informatie die nodig is om een tuchtklacht aan de accountantskamer voor te kunnen leggen. Voldoende is dat sprake is van constatering van zodanige feiten dat daarop een vermoeden kan worden gebaseerd dat in strijd met de regels voor accountants is gehandeld. Een klager kan vervolgens gedurende de termijn van drie jaar onderzoek (laten) doen om de gegrondheid van het vermoeden te testen. Tegen deze achtergrond bezien kan volgens [naam 1] het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht van SOBI c.s. niet in stand blijven. De accountantskamer heeft volgens [naam 1] ten onrechte overwogen dat de klacht van SOBI c.s. in al haar onderdelen ziet op wijze waarop [naam 1] de controle van de jaarrekeningen 2008 en 2009 heeft gepland en uitgevoerd. Naar de kern genomen stelt de klacht aan de orde dat [naam 1] ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft afgegeven, terwijl er omstandigheden aanwezig waren die op fraude wezen. Het zijn nu juist deze aspecten die zowel in het eerste faillissementsverslag als in de media uitgebreid aan de orde zijn gekomen. Dit maakt dat het begin juli 2010 voor een ieder – en zeker voor de schuldeisers waartoe Kalvermesterij Damka B.V. en Theo Wijntjes B.V behoren – duidelijk was geworden dat de jaarrekeningen van Weyl geen correcte weergave van de werkelijkheid inhielden en dat er getwijfeld werd aan de werkzaamheden van de accountant. Ook SOBI zal volgens [naam 1] de ontwikkelingen rondom het faillissement op de voet hebben gevolgd. Deze ontwikkelingen zijn voor [naam 1] ook aanleiding geweest om de goedkeuring voor de jaarrekeningen in te trekken. Volgens [naam 1] moeten SOBI c.s. objectief gezien reeds in juli 2010 op de hoogte zijn geweest van het – achteraf bezien – door [naam 1] ten onrechte afgeven van goedkeurende verklaringen. Het feit dat SOBI c.s. pas later informatie hebben verkregen om de twijfel aan de werkzaamheden van [naam 1] nader te concretiseren doet er niet aan af dat de driejaarstermijn toen al was aangevangen.

3.4

Met ingang van 1 januari 2014 luidt artikel 22, eerste lid, van de Wtra, voor zover hier van belang, dat een ieder bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wta door een externe accountant of artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep (Wab) door een accountant, binnen drie jaar nadat de klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, door middel van een klaagschrift een klacht kan indienen bij de accountantskamer.

3.5

Niet in geschil is dat SOBI c.s. bij brief van 27 februari 2014 hun klacht hebben ingediend bij de accountantskamer. Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer de klacht van SOBI c.s. terecht ontvankelijk geacht omdat niet gezegd kan worden dat SOBI c.s. reeds voor 27 februari 2011 (drie jaar voor 27 februari 2014) hebben geconstateerd of hebben kunnen constateren wat zij [naam 1] in de klacht verwijten. Met de accountantskamer acht het College de berichten in de media kort na het faillissement van Weyl en het eerste faillissementsverslag van de curatoren daartoe ontoereikend. Naar het oordeel van het College doet [naam 1] met zijn weergave van de kern van de klacht de klacht tekort. SOBI c.s. hebben in hun klacht [naam 1] niet alleen verweten dat hij indicatoren voor fraude heeft gemist maar ook dat er fouten in de jaarrekeningen staan en dat [naam 1] tekort is geschoten in specifiek benoemde controlewerkzaamheden. SOBI c.s. hebben in de klacht steeds nadrukkelijk gewezen op informatie uit de (hiervoor in 1.15 vermelde) vonnissen uit 2012 van de (toenmalige) rechtbank Almelo. Niet gezegd kan worden dat SOBI c.s. op grond van het eerste faillissementsverslag en de berichten in de media in 2010 reeds kennis hadden van de aard en de omvang van het handelen dan wel nalaten van [naam 1] in het kader van de controles van de jaarrekeningen voor de boekjaren 2008 en 2009 waarover zij in februari 2014 zijn gaan klagen. Het voorgaande betekent dat SOBI c.s. het oorspronkelijke klaagschrift niet buiten de driejaarstermijn van artikel 22, eerste lid, van de Wtra hebben ingediend. De grief faalt.

Ontvankelijkheid van de klacht van AFM

4.1

De tweede grief van [naam 1] ziet op de ontvankelijkheid van de klacht van AFM als opvolgend klager. De accountantskamer heeft overwogen dat uit de tekst van artikel 30 van de Wtra volgt dat als de klacht van de oorspronkelijke klager ontvankelijk is, bij voortzetting op grond van voornoemd artikel geen hernieuwde beoordeling is aangewezen van de ontvankelijkheid van de op aanwijzing van de accountantskamer in de plaats getreden klager voor zover het gaat om de ingetrokken klacht. Naar het oordeel van de accountantskamer kan niet worden aangenomen dat AFM een eigen, nieuwe klacht tegen [naam 1] heeft ingediend. De accountantskamer heeft de brief van AFM van 4 maart 2015 zo opgevat dat AFM daarin slechts in andere bewoordingen [naam 1] hetzelfde verwijt als SOBI c.s. Naar het oordeel van de accountantskamer is geen sprake van een nieuwe klacht of nieuwe klachtonderdelen waarvan de ontvankelijkheid moet worden getoetst.

4.2

Volgens [naam 1] is het onjuist dat de ontvankelijkheid van de klacht met AFM als opvolgend klager een gegeven is. [naam 1] meent dat zelfstandig getoetst moet worden of AFM als opvolgend klager ontvangen kan worden. Aangezien AFM al in 2010 door KMPG is geïnformeerd over de kwestie Weyl en eind 2010 de beschikking heeft gekregen over de QC-rapporten, meent [naam 1] dat aan de zijde van AFM uiterlijk eind 2010 al sprake was van een constatering van zodanige feiten dat daarop redelijkerwijs een vermoeden in de zin van artikel 22, eerste lid, van de Wtra gebaseerd kon worden. Dat betekent volgens [naam 1] dat de driejaarstermijn al vóór 1 januari 2014 was verstreken, zodat aan AFM geen klachtrecht meer toekomt.

4.3

Artikel 30 van de Wtra luidt – voor zover hier relevant – dat in geval van intrekking van de klacht de behandeling wordt gestaakt, tenzij de accountantskamer beslist dat de behandeling van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet en dat in dat laatste geval de klacht verder wordt behandeld als ware deze afkomstig van AFM.

4.4

Naar het oordeel van het College miskent [naam 1] met zijn betoog dat de klacht, gelet op de tekst van artikel 30 van de Wtra, wordt voortgezet als ware deze afkomstig van AFM. Het gaat aldus om voortzetting van een reeds ingediende klacht. Bij een voortzetting past dat voor de ontvankelijkheid van de klacht wordt gekeken naar de ontvankelijkheid van het oorspronkelijke klaagschrift en dat niet alsnog hoeft te worden beoordeeld of de klacht ook ontvankelijk zou zijn geweest indien degene die de klacht voortzet het oorspronkelijke klaagschrift had ingediend. AFM heeft terecht opgemerkt dat een andere benadering zich ook niet zou verhouden met de bedoeling van de wetgever, omdat de regeling in artikel 30 van de Wtra is ingevoerd met het oog op het algemeen belang, waarbij AFM dan wel de NBA wordt aangewezen een reeds aanhangige tuchtprocedure voort te zetten. Aan het algemeen belang wordt geen recht gedaan indien de klacht niet zou kunnen worden voortgezet omdat voor AFM een eerder aanvangsmoment voor de verjaring zou gelden.

De grief faalt.

Voortzetting van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend

5.1

Het College stelt voorop dat [naam 1] in zijn beroepschrift heeft opgemerkt dat het hoger beroep mede is gericht tegen de (hiervoor in 1.16 vermelde) tussenbeslissing van de accountantskamer. Het College vat deze opmerking van [naam 1] – onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 3.4 van de uitspraak van het College op het tegen deze tussenbeslissing ingestelde hoger beroep – zo op dat hij daarmee de houdbaarheid van de tussenbeslissing in het kader van het hoger beroep aan de orde stelt. De derde grief van [naam 1] is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat de klacht na intrekking daarvan door SOBI c.s. dient te worden voortgezet omdat er een voldoende zwaarwegend algemeen belang mee is gemoeid dat onderzoek wordt gedaan naar de juistheid van de verwijten aan [naam 1] . De accountantskamer heeft daartoe – samengevat weergegeven – vooropgesteld dat de controle van de jaarrekening door een accountant tot doel heeft om de mate van vertrouwen dat gebruikers in de jaarrekening hebben te versterken. De accountantskamer heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden van dit geval – welke zijn weergegeven in 2.3 van de onderhavige uitspraak – in hoge mate medebepalend zijn voor het in accountants in het algemeen gestelde en te stellen vertrouwen.

5.2

[naam 1] stelt zich primair op het standpunt dat het oordeel van de accountantskamer niet in stand kan blijven, omdat sprake is geweest van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De accountantskamer heeft [naam 1] , noch SOBI c.s., noch AFM in de gelegenheid gesteld zich over de voortzetting van de klacht uit te laten alvorens te beslissen dat AFM de klacht diende voort te zetten. Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer het ten onrechte niet nodig geoordeeld dit onderwerp te maken van de mondelinge behandeling.

5.3

Het College overweegt dat artikel 30 van de Wtra een bevoegdheid inhoudt voor de accountantskamer om te beslissen of een tuchtrechtelijke procedure na intrekking van de klacht door de indiener daarvan in het algemeen belang moet worden voortgezet. Met de brief van 25 augustus 2014 heeft de accountantskamer SOBI c.s. en [naam 1] medegedeeld dat de accountantskamer zich op 26 september 2014 – in plaats van de geplande mondelinge behandeling – zou beraden over de vraag of behandeling van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, moest worden voortgezet en dat partijen niet op 26 september 2014 ter zitting hoefden te verschijnen. Met deze brief zijn SOBI c.s. en [naam 1] voorafgaand aan de tussenbeslissing op de hoogte gesteld van de mogelijke voortzetting van de klacht op grond van artikel 30 van de Wtra. Het feit dat het gaat om een bevoegdheid van de accountantskamer om een klacht al dan niet voort te zetten, brengt naar het oordeel van het College met zich dat de betrokken accountant in de gelegenheid gesteld dient te worden hierover zijn standpunt naar voren te brengen. De accountant heeft immers belang bij het voortzetten dan wel beëindigen van een tuchtrechtelijke procedure.

Naar het oordeel van het College had de accountantskamer [naam 1] in gelegenheid moeten stellen zijn standpunt omtrent een mogelijke voorzetting van de klacht naar voren te brengen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. De grief van [naam 1] treft in zoverre doel. Dit leidt desondanks niet tot vernietiging van de tussenuitspraak en de bestreden uitspraak, nu [naam 1] zich na de tussenbeslissing, zowel schriftelijk in zijn nadere verweer als mondeling ter zitting op 5 en 6 oktober 2015, heeft kunnen uitlaten over de voortzetting van de klacht en dit – overigens – ook heeft gedaan. De beslissing van de accountantskamer om de klacht te laten voortzetten door AFM is met inachtneming van alle ter zake gewisselde argumenten vervolgens in hoger beroep bij het College toetsbaar.

Anders dan [naam 1] heeft betoogd valt niet in te zien dat de accountantskamer in het voorliggende geval ook de oorspronkelijke klager die zijn klacht had ingetrokken, en AFM als opvolgend klager in de gelegenheid had moeten stellen zich over de voortzetting uit te laten, waarbij het College in aanmerking heeft genomen dat niet is gebleken dat een van beide zich niet met de voortzetting zou kunnen verenigen. AFM heeft in hoger beroep juist te kennen gegeven het met de voortzettingsbeslissing eens te zijn.

5.4

[naam 1] stelt zich in de derde grief subsidiair op het standpunt dat de accountantskamer een onjuiste dan wel onbegrijpelijke invulling heeft gegeven aan artikel 30 van de Wtra. Volgens [naam 1] maakt de accountantskamer niet duidelijk welke zaakoverstijgende aspecten aan deze zaak kleven die maken dat de behandeling van de klacht van SOBI c.s. moest worden voortgezet. Dat achteraf is gebleken dat de jaarrekeningen als gevolg van fraude geen goede weergave van de werkelijkheid vormden, komt volgens [naam 1] vaker voor en is niet eerder aanleiding geweest om een ingetrokken klacht ambtshalve voort te zetten. Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer in de tussenbeslissing volstaan met het vermelden van algemeenheden die gelden voor alle gevallen waarin een accountantscontrole is toegepast. De accountantskamer heeft volgens [naam 1] ook niet vastgesteld, en overigens is ook niet gebleken dat, en zo ja welke, gebruikers op de goedkeurende verklaringen zijn afgegaan. De jaarrekening 2008 is immers pas op 11 februari 2010 gedeponeerd en de jaarrekening 2009 is nimmer gedeponeerd, terwijl Weyl op 20 mei 2010 in staat van faillissement is verklaard. [naam 1] meent dat de hoogte van de schade, de publiciteit en de strafrechtelijke veroordeling van de fraudeurs het algemeen belang niet kunnen raken, eens te minder omdat Weyl niet kwalificeerde als een organisatie van openbaar belang. Als laatste heeft [naam 1] erop gewezen dat KPMG al in 2010 AFM heeft geïnformeerd over de kwestie en ook op de hoogte heeft gesteld van de genomen maatregelen in het algemeen en jegens [naam 1] in het bijzonder, maar dat AFM destijds geen eigen onderzoek heeft ingesteld en ook geen tuchtklacht heeft ingediend.

5.5

Naar het oordeel van het College is voor voortzetting van een tuchtklacht die door de oorspronkelijke klager(s) is ingetrokken, op zichzelf onvoldoende dat het maatschappelijk verkeer er belang bij heeft dat jaarrekeningen een getrouw beeld geven omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van een rechtspersoon en geen afwijkingen bevatten van materieel belang. Daarnaast moeten de omstandigheden van het specifieke geval voortzetting van de klacht in het algemeen belang rechtvaardigen. Het College is van oordeel dat dit in de voorliggende zaak het geval is. Het gaat om een wettelijke controle bij een grote onderneming. Bij die onderneming was sprake van langdurige fraude die uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van de hele groep. Het faillissement raakt een grote groep schuldeisers en financiers en dit heeft geleid tot aanzienlijke schade van – naar het zich laat aanzien – tientallen miljoenen euro’s bij deze partijen. De fraude en het daarop volgende faillissement hebben door berichtgeving in verschillende media landelijke bekendheid gekregen. Tevens wordt in aanmerking genomen dat de (toenmalige) rechtbank Almelo in 2012 reeds heeft geoordeeld dat sprake was van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [naam 2] en [naam 4] en hen in de strafrechtelijke procedure heeft veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in hoge mate mede bepalend zijn voor het vertrouwen dat de maatschappij stelt in accountants. De omstandigheden die [naam 1] in hoger beroep naar voren heeft gebracht brengen het College niet tot een ander oordeel. Voor de vraag of voortzetting gerechtvaardigd is, is van belang in hoeverre door het specifieke geval schade is toegebracht aan het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld aan de objectiviteit, onafhankelijkheid, integriteit en vakbekwaamheid van accountants. Zoals in de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wtra is opgenomen zijn de taken die accountants verrichten juist vanwege dit vertrouwen bij uitsluiting van anderen aan accountants als gereglementeerde beroepsgroep opgedragen (Kamerstukken II 2005-2006, 30 397, nr 3, blz 2). Tegen die achtergrond bezien is voor de beoordeling niet relevant hoe lang de ten onrechte afgegeven goedkeurende verklaring gepubliceerd is geweest en hoeveel gebruikers aan de hand daarvan een economische beslissing hebben genomen. Het enkele feit dat AFM in 2010 niet is overgegaan tot het indienen van een tuchtklacht, maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer op goede gronden beslist dat behandeling van de klacht diende te worden voortgezet om redenen aan het algemeen belang ontleend, zodat de grief in zoverre faalt.

Goede procesorde: gelijktijdige behandeling zonder voeging

6.1

De vierde grief van [naam 1] ziet op de gelijktijdige behandeling van de onderhavige klacht met de klachten van de curatoren en van de Stichting ter zitting van 5 en 6 oktober 2015 zonder dat de klachten waren gevoegd. [naam 1] meent dat de accountantskamer hiermee de vereisten van een goede procesorde heeft geschonden. De beslissingen van de accountantskamer in de twee uitspraken van 18 december 2015 steunen voor de onderbouwing op verwijzingen naar stukken die in andere procedures zijn ingebracht. Zo wordt in de beslissing op de klachten van de curatoren en de Stichting verwezen naar de twee QC-rapporten van KPMG, hoewel die rapporten zijn ingebracht door AFM ter onderbouwing van haar klacht. Andersom bevat de beslissing op de klacht van AFM geen inhoudelijke beoordeling maar een verwijzing naar de beslissing op de klachten van de curatoren en de Stichting, hoewel aan die beslissing het tweede EY-rapport van 23 februari 2015 ten grondslag ligt, welk rapport niet behoort tot dat procesdossier. Door de stukken van de ene procedure in de andere procedure te gebruiken heeft de accountantskamer het uitgangspunt geschonden dat het in een tuchtprocedure aan de klager is om het gestelde verwijtbare handelen of nalaten aannemelijk te maken. Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer deze strijdigheid met de goede procesorde pogen recht te zetten door tot uitgangspunt te nemen dat de klachten van alle (oorspronkelijke) klagers op hetzelfde neerkomen en de mondelinge behandeling van alle zaken gezamenlijk te doen plaatsvinden. Dat alle klachten op hetzelfde neerkomen is volgens [naam 1] onjuist. Zo heeft alleen de Stichting een klacht geformuleerd ten aanzien van de onafhankelijkheid van [naam 1] . De accountantskamer laat de beslissing op deze klacht echter even zwaar meewegen bij de opgelegde maatregel in de zaken van de curatoren en AFM. Andersom hebben alleen de curatoren en de Stichting een klachtonderdeel geformuleerd met betrekking tot artikel 30 van de Wta, maar de accountantskamer betrekt haar overwegingen dienaangaande eveneens in haar beslissing ten aanzien van de klacht van AFM. [naam 1] meent dat deze handelwijze van de accountantskamer ontoelaatbaar is. Door hem voor de onmogelijke taak te stellen tijdens een zitting van twee dagen zich te verweren tegen drie verschillende klagers heeft de accountantskamer volgens [naam 1] zijn processuele rechten op ernstige wijze aangetast.

6.2

Naar het oordeel van het College stellen de klachten van de curatoren, de Stichting en AFM hetzelfde samenstel van gedragingen aan de orde, te weten (de uitvoering van) de controle van de jaarrekeningen 2008 en 2009 van Weyl. Dat er (enkele) verschillen in de klachten zijn aan te wijzen doet er niet aan af dat de klachten in belangrijke mate betrekking hebben op hetzelfde handelen en nalaten van [naam 1] . De wijze waarop de ingediende klachten met elkaar in verband staan is voor de accountantskamer aanleiding geweest om de behandeling van de klachten op elkaar af te stemmen en deze gelijktijdig af te doen. De aanpak van de accountantskamer doet naar het oordeel van het College recht aan de tussen de klachten bestaande samenhang. Dit strookt tevens met het uitgangspunt in het tuchtrecht dat het handelen en nalaten van de betrokken accountant centraal staat. Blijkens de MvT bij de Wtra (Kamerstukken II 2005-2006, 30 397, nr 3, blz 9) is de tuchtrechtspraak er immers op gericht in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuken op de wettelijke bepalingen en de beroepsethiek op te treden. Door de gelijktijdige behandeling van de klachten ter zitting is [naam 1] naar het oordeel van het College niet in zijn verdediging geschaad. Hij is immers in de gelegenheid gesteld zich tegen alle drie de klachten te verweren en heeft dat ook gedaan. Het proces-verbaal van de zitting bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [naam 1] door een ‘marathonzitting van twee dagen’ voor een onmogelijke opgave zou zijn gesteld, zoals door hem is betoogd.

6.3

Ten aanzien van het in aanmerking nemen van processtukken die in de andere klachtprocedure zijn ingebracht, overweegt het College als volgt. Indien meerdere klachten worden ingediend die betrekking hebben op hetzelfde samenstel van gedragingen en waarin de gemaakte verwijten grotendeels overlappen, ligt het in beginsel voor de hand om over te gaan tot voeging van de klachten. Zo heeft de accountantskamer de klacht van de curatoren ook gevoegd met die van de Stichting. Dat laat onverlet dat er bedenkingen kunnen bestaan tegen het voegen van klachten, bijvoorbeeld in verband met de vertrouwelijkheid van door een partij ingebrachte stukken. In dit geval betreft dat met name de QC-rapporten die KPMG aan AFM heeft verstrekt in het kader van het toezicht door AFM. Weliswaar kan de voorzitter van de accountantskamer op grond van artikel 29a van de Wtra bepalen dat tijdens de klachtprocedure ingediende stukken of gegeven inlichtingen uitsluitend ter kennisneming van partijen staan en niet door hen aan anderen mogen worden verstrekt of anderszins openbaar worden gemaakt op straffe van een dwangsom, maar de Wtra kent geen voorziening zoals opgenomen in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan een partij, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, niet of slechts beperkt kennis kan nemen van bepaalde stukken die door een andere partij zijn ingebracht. De voorziening van artikel 29a van de Wtra kan in bepaalde situaties ontoereikend zijn – juist in verband met het vertrouwelijke karakter van de stukken – zodat het niet voegen van zaken in die situaties gerechtvaardigd kan zijn. De beslissing om niet tot voeging van de zaken over te gaan mag er echter niet toe leiden dat stukken ingebracht ter onderbouwing van een klacht daardoor worden onthouden aan de accountant tegen wie de klacht is ingediend. Daarvan is echter geen sprake geweest, nu [naam 1] de beschikking heeft gehad over alle door de verschillende klagers ingebrachte stukken. Het College acht in dit geval aanvaardbaar dat de accountantskamer de klacht van AFM niet heeft gevoegd met de klachten van de curatoren en de Stichting, maar wel alle stukken in de beoordeling van de klachten heeft betrokken. Aangezien [naam 1] alle stukken kende, zich daartegen heeft kunnen verweren – en dat overigens ook heeft gedaan – komt de handelwijze van de accountantskamer niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke (tucht)procedure. De grief slaagt niet.

Gebruik van de QC-rapporten

7.1

De vijfde grief van [naam 1] is gericht tegen de inbreng van de QC-rapporten door AFM ter onderbouwing van de klacht. [naam 1] heeft zich tegen de inbreng van die rapporten verzet. [naam 1] wijst erop dat hij binnen KPMG verplicht was om aan het onderzoek van de afdeling Quality Control mee te werken. Doordat KPMG op haar beurt verplicht was om de uitkomst van het onderzoek te delen met AFM, heeft [naam 1] indirect aan zijn eigen veroordeling meegewerkt, hetgeen in strijd is met het nemo-tenetur-beginsel en het beginsel van fair trial in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat niet [naam 1] zelf maar zijn werkgever KPMG de rapporten aan AFM heeft verstrekt doet daar volgens [naam 1] niet aan af. [naam 1] meent dat met deze tuchtprocedure sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, nu de procedure heeft geleid tot oplegging van de maatregel van doorhaling, waardoor [naam 1] niet langer zijn beroep kan uitoefenen. Volgens [naam 1] kan hij er daarom aanspraak op maken gevrijwaard te blijven van de verplichting mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Nu de accountantskamer haar beslissing naar de mening van [naam 1] ten onrechte (mede) heeft gebaseerd op de QC-rapporten, dient de bestreden uitspraak vernietigd te worden.

7.2.

Het College overweegt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in diverse uitspraken criteria heeft gegeven voor de beoordeling of er sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Daarbij gaat het om een autonoom begrip, waarbij in het nationale recht aangehouden aanduidingen en onderscheidingen niet bepalend zijn. Zie hiervoor o.a. het arrest van 21 februari 1984 inzake Öztürk, nr. 8544/79 r.o. 50 en het arrest van 8 juni 1976 inzake Engel e.a., 5370/72 r.o. 81. Onder verwijzing naar onder meer voornoemd arrest Engel heeft het EHRM in zijn arrest van 19 februari 2013, inzake Müller-Hartburg, nr. 47195/06, herhaald dat bij de beoordeling of ten aanzien van een specifieke tuchtrechtelijke procedure sprake is van een criminal charge de volgende criteria in aanmerking genomen moet worden: de juridische classificatie van de normovertreding onder nationaal recht, de aard van de normovertreding en de aard en ernst van de sanctie. In dit arrest ging het om een tuchtrechtelijke regeling voor advocaten in Oostenrijk. Het EHRM heeft in deze zaak overwogen dat het betreffende tuchtrecht in het Oostenrijkse nationale recht behoort tot het domein van het disciplinaire recht. De tuchtrechtelijke procedure wordt niet gevoerd door de openbare aanklager bij de strafrechter, maar bij disciplinair autoriteiten en onder toezicht van het constitutionele gerecht. Ten aanzien van de aard van de normovertreding heeft het EHRM overwogen dat het bereik van de betreffende bepaling van Oostenrijkse tuchtrecht was beperkt tot de leden van een specifieke groep met een speciale status, namelijk advocaten en advocaten in opleiding. Het EHRM heeft ook in aanmerking genomen dat met de tuchtrechtelijke regeling is bedoeld te waarborgen dat leden van de orde de specifieke regels die hun professioneel gedrag beheersen naleven en te zorgen voor bescherming van de eer en de reputatie van het beroep en het behoud van het vertrouwen van het publiek in het juridisch beroep. Dit laatste wordt volgens het EHRM onderstreept door de omstandigheid dat de disciplinaire autoriteiten niet alleen de mate van verwijtbaarheid van het gewraakte handelen van de advocaat in aanmerking nemen, maar ook de schade als gevolg van de normoverschrijding, met name aan de leden van het publiek. Ten aanzien van de aard en de ernst van de sanctie heeft het EHRM geoordeeld dat de schriftelijke reprimande, tijdelijke schorsing en schrapping van het tableau, typisch disciplinaire sancties zijn. Een uitzondering hierop vormt de boete tot maximaal € 36.000,-. Ten aanzien van die boete heeft het EHRM van belang geacht dat door de disciplinaire autoriteiten geen vervangende hechtenis kan worden toegepast. En hoewel de maximale boete geacht kan worden een punitief effect te hebben, is deze naar het oordeel van het EHRM niet zodanig dat op grond daarvan sprake is van een criminal charge. De in de zaak Müller-Hartburg opgelegde schrapping van het tableau heeft het EHRM weliswaar aangemerkt als een ‘severe sanction’ omdat het raakt aan het recht van betrokkene om zijn beroep uit te oefenen, maar heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze maatregel is bedoeld om het vertrouwen in de beroepsgroep te herstellen door te laten zien dat tegen ernstige overtredingen wordt opgetreden door de advocaat te verbieden zijn beroep uit te oefenen. Het EHRM heeft geconcludeerd dat het Oostenrijkse advocatentuchtrecht valt onder het civiele bereik van artikel 6 van het EVRM en niet onder het strafrechtelijk bereik van dat artikel. Deze conclusie is nadien bevestigd door het EHRM in het arrest van 5 april 2016 inzake Blum, nr. 33060/10, dat eveneens betrekking had op het Oostenrijkse advocatentuchtrecht.

7.3

Het College overweegt dat in het kader van de beoordeling of in het onderhavige geval sprake is van een criminal charge grote overeenkomsten bestaan tussen het Oostenrijkse advocatentuchtrecht dat in de arresten Müller-Hartburg en Blum aan de orde was en het Nederlandse accountantstuchtrecht. Ook in het Nederlandse accountantstuchtrecht geldt dat deze procedure wordt gevoerd bij daartoe specifiek aangewezen disciplinaire gerechten en niet bij de strafrechter. Op grond van artikel 22 van de Wtra kan “een ieder” een tuchtklacht initiëren en behoort dit dus niet bij uitsluiting tot de taken van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van de aard van de normoverschrijding geldt dat de ter zake doende normen niet in het algemeen gelden, maar zijn gericht op een afgebakende groep met een speciale status, te weten accountants. Het College neemt tevens in aanmerking dat het reeds in 6.2 gememoreerde doel van het tuchtrecht is het optimaal handelen van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen op te treden tegen inbreuken op de wettelijke bepalingen en de beroepsethiek. Dit doel onderstreept het tuchtrechtelijke karakter van de procedure. Ten aanzien van de aard en ernst van de sanctie(s) geldt dat de sancties die op grond van artikel 2 van de Wtra kunnen worden opgelegd – een waarschuwing, een berisping en een (tijdelijke) doorhaling van de inschrijving in de registers – typisch tuchtrechtelijke sancties zijn. Uitzondering daarop is dat aan de accountant ook een geldboete kan worden opgelegd, maar daarbij geldt, evenals in de Oostenrijkse zaken, dat bij uitblijven van betaling van die geldboete geen sprake kan zijn van vervangende hechtenis. De maximale geldboete van thans € 8.200,- (en ten tijde van de hier aan de orde zijnde gedragingen een geringer bedrag) is voorts relatief beperkt en in elk geval beduidend lager dan in het Oostenrijkse advocatentuchtrecht ten hoogste kan worden opgelegd.

7.4

Gelet op de rechtspraak van het EHRM en de karakteristieken van het Nederlandse accountantstuchtrecht is het College van oordeel dat geen sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Dit heeft tot gevolg dat [naam 1] geen beroep toekomt op het nemo-tenetur-beginsel. Derhalve behoeft niet onderzocht te worden of in onderhavig geval sprake is van strijd met hetgeen in dat artikel bepaald is voor zaken die vallen onder de strafrechtelijke bereik van het artikel. Ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de accountantskamer de QC-rapporten niet bij de beoordeling van de klachten had mogen betrekken.

De grief faalt.

Maatregel

8.1

Het College stelt voorop dat [naam 1] bij de controlewerkzaamheden ten aanzien van de jaarrekeningen 2008 en 2009 van Weyl heeft gehandeld in strijd met het conceptueel raamwerk en de voor hem geldende fundamentele beginselen zoals neergelegd in de VGC en dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 30 van de Wta – hetgeen door [naam 1] in hoger beroep ook niet wordt bestreden – alsmede dat [naam 1] hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. [naam 1] voert aan dat hij door de door accountantskamer opgelegde maatregel van doorhaling onevenredig zwaar is getroffen. Van strafverzwarende omstandigheden op grond waarvan het College over pleegt te gaan tot het opleggen van een doorhaling, is volgens [naam 1] geen sprake.

8.2

Het College overweegt dat in dit geval sprake is van vele tekortkomingen in de controles van twee opvolgende boekjaren, dat [naam 1] meerdere frauderisico’s bij Weyl niet dan wel onvoldoende heeft onderkend, dat [naam 1] te weinig aandacht heeft besteed aan zijn positie van controlerend accountant in relatie tot de positie van [naam 3] bij Weyl waardoor zijn onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen en dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 30 van de Wta. Gelet op de grote hoeveelheid tekortkomingen en de ernst daarvan is het College met de accountantskamer van oordeel dat een doorhaling van zijn inschrijving in de registers, waarbij de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw kan worden ingeschreven in de registers wordt bepaald op drie maanden (zes maanden in totaal gezien de aan deze maatregel door de accountantskamer voorafgaand opgelegde maatregel in de uitspraak met procedurenummers 15/151 en 15/714 Wtra AK) passend en geboden is. De door [naam 1] in zijn beroepschrift genoemde “oneffenheden” in de bestreden uitspraak brengen het College niet tot een ander oordeel, daargelaten wat er van die oneffenheden zij.

9. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

10. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.T. Plouvier