Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:354

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/1216
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

S&O-verklaring. Aanleveren BSN's. Wettelijk vereiste voor in behandeling nemen aanvraag. Artikel 4:5, eerste lid, Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1216

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, te Amsterdam, appellante

(gemachtigde: J.M. Evers),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om de aanvraag van appellante voor een zogeheten S&O-verklaring voor de periode september 2016 tot en met december 2016 als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva; voorheen WBSO) niet te behandelen.

Bij besluit van 22 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder zijn verschenen [naam 1] voor appellante en [naam 2] voor verweerder.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 27 juli 2016 een vormvrije aanvraag voor een S&O-verklaring ingediend. Bij brief van 28 juli 2016 heeft verweerder appellante bericht dat haar aanvraag niet volledig is. Onder het kopje “Welke informatie nog nodig” heeft verweerder gespecificeerd dat appellante nog een volledige aanvraag moet indienen. Onder de subkop “Indienen volledige aanvraag en BSN’s” heeft verweerder toegelicht op welke wijze appellante dit kan doen en heeft hij na de vetgedrukte woorden “let op” de mededeling geplaatst dat als appellante in 2014 gebruik heeft gemaakt van de WBSO, dan éénmalig, uiterlijk op de daaronder genoemde datum, de burgerservicenummers (BSN’s) van de S&O-medewerkers uit 2014 via eLoket moeten zijn doorgegeven. Bij deze mededeling heeft verweerder in vetgedrukte letters vermeld dat appellante de BSN’s gelijktijdig met de aanvulling moet indienen en dat daarvoor geen extra uitstel wordt verleend. Onder het kopje “Wanneer opsturen” staat vervolgens dat de gegevens uiterlijk op 16 augustus 2016 binnen moeten zijn, alsmede dat, indien appellante de gevraagde gegevens niet (volledig) heeft verstrekt binnen de termijn, verweerder de aanvraag niet zal behandelen. Deze termijn heeft verweerder later verlengd tot 23 augustus 2016. Appellante heeft de aanvraag op 22 augustus 2016 aangevuld. Bij die aanvulling heeft zij de BSN’s van de S&O-medewerkers niet aangeleverd. Appellante heeft deze BSN’s op 19 september 2016 verstrekt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten om de aanvraag van appellante niet te behandelen, omdat zij de door hem gevraagde BSN’s niet tijdig heeft verstrekt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante voert aan dat het niet tijdig aanleveren van de BSN’s niet aan haar is te wijten, omdat dit het directe gevolg is van de onduidelijke correspondentie en werkwijze bij de afhandeling van vormvrije verzoeken. De brief waarin verweerder vraagt om het vormvrije verzoek aan te vullen bevat altijd de opmerking dat de BSN’s van de S&O-medewerkers die de werkzaamheden hebben uitgevoerd tijdig moeten worden doorgegeven. Dit is een standaardopmerking, die ook in de brief wordt opgenomen als de BSN’s wel zijn doorgegeven en dus helemaal niet van toepassing is op de aanvrager. Appellante was ervan overtuigd dat zij de BSN’s al had gemeld en heeft gelet daarop en op het standaardkarakter van de opmerking, niet gecontroleerd of zij de melding ook daadwerkelijk had gedaan. Deze controle is voor de aanvrager ook niet eenvoudig uit te voeren, omdat daarvoor moet worden ingelogd bij eLoket met een code die twee jaar eerder verzonden is. Het probleem had zich niet voorgedaan als verweerder ofwel een duidelijke en specifieke brief had gestuurd met de mededeling dat appellante de BSN’s (nog) niet had ingediend, zoals in het verleden de praktijk was, ofwel appellante een tweede kans had gegeven om de BSN’s aan te leveren. Verweerder heeft de aanvraag van appellante dan ook ten onrechte niet behandeld. De nadelige gevolgen hiervan zijn onevenredig groot. Een positieve beoordeling van de aanvraag leidt potentieel tot een maximale afdrachtvermindering van € 191.224,-. Er is daarom sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 28 juli 2016 voldoende duidelijk is over het alsnog aanleveren van de BSN’s en over de gevolgen die aan het niet gelijktijdig met de aanvullende aanvraag aanleveren daarvan worden verbonden. Daarnaast vermeldt ook het aanvraagformulier expliciet dat er BSN’s moeten worden ingediend voordat een aanvraag in behandeling kan worden genomen. De algemene formulering in de brief met betrekking tot de BSN’s heeft te maken met het feit dat vaak meerdere intermediairs namens een en dezelfde aanvrager een vormvrije aanvraag indienen en verweerder daardoor niet weet of de indiener van de vormvrije aanvraag wel door de aanvrager is gemachtigd. Deze onduidelijkheid over de bevoegdheid van de intermediair leidt ertoe dat verweerder in de herstelbrief geen openheid geeft over het al dan niet hebben ingediend van de BSN’s door de aanvrager. Dat is immers fiscale informatie waar verweerder vertrouwelijk mee omgaat. Het is aan de intermediair om na te gaan of de BSN’s zijn ingediend. De nadelige gevolgen van het bestreden besluit zijn niet onevenredig. Het niet in behandeling nemen van een aanvraag brengt altijd mee dat de aanvrager niet het besluit ontvangt waar hij om heeft gevraagd. Het is vast beleid van verweerder om een aanvraag niet in behandeling te nemen indien, na een gegeven hersteltermijn, een aanvraag niet voldoet aan de wettelijke voorschriften. Dat is in het belang van een ordelijke, administratieve afhandeling van aanvragen en het beperken van uitvoeringslasten. Bij de toepassing van dit beleid kan verweerder geen rekening houden met de hoogte van een eventueel financieel nadeel.

5. Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag van appellante niet te behandelen en overweegt daarover als volgt.

6. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. In artikel 22, vierde lid, Wva is bepaald dat een aanvraag, in de situatie waarin de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt, slechts in behandeling wordt genomen indien de aanvrager uiterlijk bij de indiening van de aanvraag opgave heeft gedaan van de BSN’s van zijn werknemers die dat speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht. Het S&O-referentiejaar is in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder r, Wva gedefinieerd als het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de S&O-afdrachtvermindering betrekking heeft.

7. Het College stelt voorop dat appellante niet heeft bestreden dat zij ten tijde van het indienen van de aanvraag niet heeft voldaan aan een wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van de aanvraag, als vermeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, door daarbij geen opgave te doen van de BSN’s van haar werknemers die in 2014 het S&O-werk hebben verricht. Om appellante de gelegenheid te bieden alsnog de BSN’s in te dienen heeft verweerder op grond van deze bepaling een termijn mogen stellen. Het College acht de in de brief van 28 juli 2016 door verweerder gestelde termijn, zoals daarna verlengd, niet onredelijk. Vaststaat dat appellante de vereiste BSN’s niet binnen deze termijn heeft verstrekt. Het College volgt appellante niet in haar betoog dat dit haar niet kan worden verweten, omdat verweerder hierover onduidelijk heeft gecorrespondeerd en zijn werkwijze niet duidelijk is. Verweerder heeft in de brief van 28 juli 2016 in duidelijke bewoordingen kenbaar gemaakt welke gegevens hij uiterlijk op welke datum van appellante wenste te ontvangen. Verweerder heeft er daarbij uitdrukkelijk op gewezen dat hij voor het aanleveren van de BSN’s geen extra uitstel verleent en dat hij, als de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de termijn worden verstrekt, de aanvraag niet zal behandelen. De omstandigheid dat verweerder in het verleden na een eerste termijn nog een tweede termijn gaf voor het aanleveren van dit soort gegevens, doet hieraan niet af. Zoals het College in zijn uitspraak van 22 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:186, r.o. 4.3) heeft overwogen, stond het verweerder in beginsel vrij om de termijnen voor het alsnog indienen van de BSN’s aan te scherpen en zijn werkwijze van het bieden van een tweede hersteltermijn te beëindigen. De argumenten die verweerder heeft aangevoerd voor het niet specifiek vermelden dat appellante de BSN’s nog niet had aangeleverd, met name de onduidelijkheid over de bevoegdheid van intermediairs die vormvrije aanvragen indienen enerzijds en de omstandigheid dat sprake is van vertrouwelijke gegevens anderzijds, acht het College steekhoudend. Toen de gemachtigde van appellante uit de brief van 28 juli 2016 kon afleiden dat de mogelijkheid bestond dat de BSN’s (nog) niet waren aangeleverd had het, gelet op zijn kwaliteit van gemachtigde, dan ook op zijn weg gelegen zich daaromtrent zekerheid te verschaffen, bijvoorbeeld door het telefonisch doen van navraag bij de aanvrager of bij medewerkers van verweerder. Dat appellante het niet eenvoudig vond om de indiening van de BSN’s te controleren, omdat zij daarvoor moest inloggen bij eLoket met een code die haar twee jaar eerder door verweerder was verstrekt, maakt dit niet anders. Voor zover appellante niet over een inlogcode beschikte, had zij deze opnieuw kunnen aanvragen. Gelet op dit alles was verweerder op grond van artikel 4:5 van de Awb bevoegd om de aanvraag niet te behandelen. Deze grond faalt.

8. Het College volgt verweerder voorts in zijn standpunt dat hij in redelijkheid de met de uitvoeringspraktijk gemoeide belangen, waaronder het belang van een voortvarende en ordelijke administratieve verwerking van het grote aantal aanvragen om S&O-verklaringen dat jaarlijks wordt ingediend, heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante dat haar aanvraag ondanks haar verzuim nog in behandeling wordt genomen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel acht het College dan ook geen sprake. Het College ziet in zoverre ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag niet te behandelen. Deze grond faalt eveneens.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.L. van der Beek en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. O.C. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. O.C. Bos