Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:348

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/65
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg. Vaststelling transitiebedrag. Omzet prestatiebekostiging. Correctie opgave onderhanden werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/65

13950

Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 augustus 2017 in de zaak tussen

Stichting [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mr. J.G. Sijmons en mr. O.A. Meijer),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), verweerster

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat en mr. G.A. Dictus).

Procesverloop

Appellante heeft bij (eerst eenzijdig, later tweezijdig) ondertekende opgave van 3 juli 2015 in het kader van de “definitieve vaststelling transitiebedrag” verzocht om de omzet uit prestatiebekostiging 2013 vast te stellen op € 15.849.854,-- en het schaduwbudget 2013 op
€ 17.087.764,--.

Bij beschikkingen van 30 juli 2015, met kenmerken 1000300-PT-2013-Z4T-DT01 en 1000300-PT-2014-Z4T-DT01, heeft verweerster op basis van een door haar vastgestelde omzet uit prestatiebekostiging 2013 van € 16.346.006,-- en een schaduwbudget 2013 van
€ 16.812.641,--, definitieve positieve transitie- en verrekenbedragen voor 2013 en 2014 vastgesteld. Bij deze beschikkingen heeft verweerster de post ‘diverse baten en lasten (opbrengsten)’ van € 496.152,-- (negatief) betreffende de correctie van de opbrengsten 2012 (oftewel een correctie op de opgave van het onderhanden werk in het (definitieve) transitieformulier 2012) niet gehonoreerd, omdat correcties van eerdere jaren niet ten laste van het transitiebedrag 2013 mogen worden gebracht.

Bij besluit van 22 december 2015 heeft verweerster de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij beschikkingen van 29 februari 2016 heeft verweerster (in verband met herstel van een fout in het schaduwbudget) de definitieve positieve en verrekenbedragen voor 2013 en 2014 herzien, te weten van € 443.303,-- naar € 971.748,-- (2013) en van € 326.644,-- naar
€ 716.025,-- (2014).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017.

Appellante werd vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Van de zijde van appellante zijn tevens verschenen [naam 2] MBA, bestuurder van appellante, en [naam 3] , bij appellante werkzaam als manager F&I. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellante mede betrekking op de beschikkingen van 29 februari 2016.

2. Appellante is van mening dat verweerster de post ‘diverse baten en lasten’ ter hoogte van € 496.152 (negatief) ten onrechte niet in de omzet uit prestatiebekostiging 2013 heeft verwerkt. Met deze post corrigeert appellante de opgave van het onderhanden werk in het transitieformulier 2012 om tot een afgewogen resultaat over de hele transitieperiode 2012-2014 te komen. Dit omdat het onderhanden werk in het transitieformulier 2012 onvolledig bleek te zijn verwerkt. Volgens appellante was het niet duidelijk dat, anders dan voorheen, bedragen over oude jaren niet in de omzet en het schaduwbudget mochten worden meegenomen. Dat dit achteraf niet blijkt te kunnen, is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Een redelijke uitleg van het transitiemodel brengt volgens appellante met zich dat correcties mogelijk moeten zijn. De correctie betreft immers geen extra opbrengst boven bestaande schadelastafspraken. Dit geldt temeer nu het hele transitieproces uiterst complex is gebleken en appellante bovendien de goedkeuring van de verzekeraars heeft.

Verder stelt appellante dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van een schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Een medewerker van de NZa heeft telefonisch het vertrouwen gewekt dat bedoelde correctie mogelijk was, mits de verzekeraar hiermee instemde.

Ook kan appellante zich niet verenigen met het standpunt van verweerster dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Appellante voert hiertoe aan dat haar jaarrekening 2012 al op 9 april 2013 is ondertekend, op een moment dat ook voor de accountants nog onduidelijk was hoe de post onderhanden werk behandeld moest worden. Voorts is vanwege de vele veranderingen in de regelgeving in 2012 de aandacht van appellante primair uitgegaan naar correct declareren waardoor facturering op de tweede plaats kwam. Hierdoor is de post onderhanden werk hoog opgelopen en dit werd pas in de loop van 2013 duidelijk. De rigide opstelling van verweerster maakt daarnaast dat appellante onevenredig hard wordt getroffen.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Het College stelt vast dat verweerster de omzet uit prestatiebekostiging voor het jaar 2013 heeft berekend op basis van hetgeen met ingang van 1 juni 2014 is bepaald in de Beleidsregel Transitie bekostigingsstructuur Medisch specialistische zorg (BR/CU-2132). In artikel 20.3 van deze beleidsregel is bepaald dat de omzet uit prestatiebekostiging 2013 op dezelfde manier wordt berekend als de omzet uit prestatiebekostiging 2012. In artikel 11 van de beleidsregel is opgesomd welke componenten bij de berekening van de omzet uit prestatiebekostiging 2012 worden betrokken. Het onderhanden werk uit een eerder jaar behoort daar niet toe. Voorts is in artikel 11.4 van deze beleidsregel, zoals overigens ook voordien in de vanaf 1 september 2013 geldende beleidsregel BR/CU-2107 het geval was, bepaald dat correcties op de omzetgegevens 2012 die in de jaarrekening 2013 worden meegenomen, betrokken moeten worden bij de bepaling van de definitieve omzet uit prestatiebekostiging over 2012. Ook hieruit kan worden opgemaakt dat het niet de bedoeling is opbrengsten op te voeren die niet op het betreffende jaar betrekking hebben. Deze uitleg van de beleidsregel is bevestigd in onder meer de Handreiking omzetverantwoording 2012 van 7 februari 2013 (p. 20), in Circulaire CI/13/9c van 11 februari 2013 (p. 5) en in Circulaire CI/14/18c van 28 mei 2014 (p. 2). De achtergrond van deze regel is dat het transitiemodel beoogt een vergelijking te maken tussen de in een jaar te behalen omzet in termen van prestatiebekostiging en diezelfde omzet in termen van het schaduwbudget teneinde in een overgangsfase van drie jaar telkens het verschil, zijnde het transitiebedrag, te verrekenen (met 95% in 2012 en 2013 en 70% in 2014). Deze vergelijking loopt mank als omzet niet aan het juiste jaar wordt toegerekend. Duidelijk is ook dat dit model uitgaat van een vergelijking van jaar op jaar en niet, zoals appellante stelt, van de hele transitieperiode 2012-2014. Dat verweerster de hier aan de orde zijnde correctie niet heeft aanvaard, levert naar het oordeel van het College geen rechtsonzekerheid op, aangezien appellante met het feit dat het transitiemodel dit niet toestond, gelet op voornoemde documenten, ten tijde van haar aanvraag van 3 juli 2015 bekend had kunnen of moeten zijn. Evenmin acht het College die beslissing, gezien de doelstelling van het transitiemodel, onevenredig.

5. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt het College dat partijen van mening verschillen over wat er tijdens het telefoongesprek met een medewerker van de NZa precies is gezegd, maar er is niets overgelegd dat een van de standpunten over dat gesprek kan ondersteunen. In beginsel ligt het op de weg van de partij die stelt dat een toezegging gedaan is, waarop hij zich wenst te beroepen, om die toezegging te bewijzen. Appellante is daarin niet geslaagd. Derhalve komt het College niet toe aan de vraag of verweerster aan een stellige en positieve telefonische uitspraak van de behandelende ambtenaar in dit geval gebonden zou zijn. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding de door appellante gevraagde correctie op grond van bij haar opgewekte verwachtingen te honoreren.

6. Voor zover appellante van mening is dat verweerster, gelet op het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van de beleidsregel had behoren te handelen, overweegt het College het volgende.

Het College stelt voorop dat het in beginsel tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer behoort om zich van de in zijn situatie van toepassing zijnde wet- en regelgeving op de hoogte te stellen. Appellante kan worden toegegeven dat niet van meet af aan glashelder is geweest dat in het transitiemodel bedragen over 2012 niet in de omzet en het schaduwbudget van 2013 mochten worden meegenomen. Die onduidelijkheid heeft echter niet voortgeduurd. In de loop van 2013 werd, mede aan de hand van de door NZ en NVZ (in samenspraak met verweerster) uitgegeven handreikingen omzetverantwoording en de hiervoor genoemde beleidsregels, voldoende duidelijk hoe met op voorgaande jaren betrekking hebbende bedragen moest worden omgegaan. In dit verband is van betekenis dat juist ook vanwege de complexiteit van de omzetverantwoording en de verwachting dat eventuele systematische, generieke knelpunten in de loop van het jaar zouden kunnen worden opgehelderd er op 7 februari 2013 in het periodiek bestuurlijk overleg is afgesproken het moment van definitieve vaststelling van het transitiebedrag 2012 uit te stellen. Eerst werd op basis van uiterlijk 1 juni 2013 (later gewijzigd in 1 september 2013) bij verweerster in te dienen opgaven een voorlopig transitiebedrag 2012 vastgesteld, gevolgd door een definitieve vaststelling in 2014 op basis van uiterlijk 1 september 2014 in te dienen opgaven. Dit betekent dat appellante uiteindelijk tot september 2014 de gelegenheid had om de eerder opgegeven voorlopige omzet 2012 te corrigeren. De opgave op 17 september 2014 voor de definitieve vaststelling 2012 heeft zij echter niet aangegrepen door bijvoorbeeld een gewijzigde jaarrekening 2012 in te dienen. Tegen het besluit van 25 november 2014 tot definitieve vaststelling van het verrekenbedrag 2012 heeft zij geen bezwaar gemaakt, noch heeft zij verweerster verzocht van dit besluit terug te komen. Naar appellante ter zitting van het College heeft aangegeven, heeft zij deze verschillende mogelijkheden onbenut gelaten, omdat haar aandacht in die periode niet op de (nog te factureren) omzet 2012, maar op de nieuwe productiestructuur was gericht. Naar het oordeel van het College had voor appellante in bedoelde periode duidelijk kunnen en moeten zijn dat bedragen uit 2012 niet later alsnog in de omzet uit prestatiebekostiging 2013 zouden kunnen worden verwerkt en dat stilzitten voor wat betreft 2012 (oftewel vooruitschuiven naar 2013) nadelige financiële gevolgen zou (kunnen) hebben. Gezien het vorenstaande ziet het College geen aanleiding te oordelen dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die verweerster ertoe hadden moeten nopen niet overeenkomstig de beleidsregel te handelen. Het feit, dat appellante als gevolg daarvan een relatief groot bedrag misloopt, maakt dat niet anders.

7. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M.M. Smorenburg en
mr. L.F. Wiggers-Rust, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede