Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:346

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
15/718
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering S&O-verklaring. Aanvraag met betrekking tot twee projecten terecht afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden in de projecten, zoals zij stelt, zijn gericht op de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product, met een technisch nieuw werkingsprincipe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/718

27650

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2017 in de zaak tussen

Dutch-Shape B.V. te Borne, appellante

(gemachtigden: D. Evers en G.M.A. Engelen),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Cromheecke, ing. R.C. de Velde).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015 (primair besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om een S&O-verklaring op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva).

Bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen.

Appellante heeft op 10 november 2016 nadere stukken in het geding gebracht, op 30 november 2016 gevolgd door een korte toelichting. Verweerder heeft op 19 januari 2017 een reactie ingediend, waarop appellante op 24 februari 2017 en 21 maart 2017 tweemaal dezelfde schriftelijke reactie heeft ingediend.

Het College heeft, na van partijen verkregen toestemming voor het achterwege laten van een nadere zitting, het onderzoek op 11 april 2017 gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling en de bouw van tooling (mallen) voor de vliegtuigindustrie. Zij ontwikkelt assemblagemallen voor de fabricage - door haar klanten - van samengestelde vliegtuigdelen. Zij heeft in 2014 een S&O-verklaring aangevraagd voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) voor acht projecten in de periode van januari tot en met juni 2015, waaronder de thans in geding zijnde projecten ‘technisch onderzoek tooling’ en ‘ontwikkeling extreme composiet vormen’. Verweerder heeft appellante in het kader van de behandeling van de aanvraag tweemaal verzocht om nadere informatie, op welke verzoeken appellante heeft gereageerd.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder, voor zover thans van belang, de aanvraag met betrekking tot de projecten ‘technisch onderzoek tooling’ en ‘ontwikkeling extreme composiet vormen’ afgewezen. Appellante heeft tegen dit deel van het primaire besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat niet inzichtelijk is gemaakt dat binnen de projecten S&O als bedoeld in de Wva wordt verricht.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat zij op basis van ervaring weet dat in beide projecten sprake is van S&O. Het andersluidende standpunt van verweerder berust volgens haar op een onjuist beeld van de projecten. Verder is haar op een latere aanvraag voor beide projecten, weliswaar onder een andere naam, wel een S&O-verklaring verstrekt.

3. Ter beoordeling van het College staat de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om aan appellante op haar aanvraag voor de twee in geding zijnde projecten en de in geding zijnde periode een S&O-verklaring te verlenen op de grond dat die projecten geen S&O betreffen.

3.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, aanhef en ten 2e, van de Wva, voor zover thans van belang, wordt onder S&O verstaan: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op: de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997, zoals die ten tijde in geding luidde, wordt tot S&O niet gerekend, voor zover thans van belang: werkzaamheden met betrekking tot de samenstelling van een product zonder dat er sprake is van een technisch nieuw werkingsprincipe van het desbetreffende product.

3.2.

Nu het gaat om een aanvraagsituatie, is het in beginsel aan appellante, als aanvrager van een S&O-verklaring, om aannemelijk te maken dat de projecten voor een dergelijke verklaring in aanmerking komen.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook het College gaat daarvan uit, dat de in geding zijnde projecten complexe technische werkzaamheden betreffen. Uit het van toepassing zijnde wettelijk kader en de bewijslastverdeling, als hiervoor vermeld, volgt dat dit op zichzelf niet voldoende is voor het verkrijgen van een S&O-verklaring. Daarvoor is vereist dat appellante aannemelijk maakt dat de werkzaamheden in de projecten, zoals zij stelt, zijn gericht op de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product, met een technisch nieuw werkingsprincipe.

3.4.

Met betrekking tot het project ‘technisch onderzoek tooling’ verschillen partijen van mening over de vraag of er sprake is van de ontwikkeling van een fysiek product. Blijkens het beroepschrift wordt in het kader van dit project op basis van kennis, parameters en inzichten een model ontwikkeld, door appellante functiemodel of pre-prototype genoemd, dat zich richt op het samensmelten van twee verschillende assemblagetechnieken tot één nieuwe techniek. Appellante heeft daarover ter zitting verklaard dat zij een functiemodel ontwikkelt dat in eerste instantie misschien geen fysiek product is, maar dat dient om te berekenen hoe het fysieke product gaat worden dat appellante wil maken. Dit strookt naar het oordeel van het College met het standpunt van verweerder dat het functiemodel zelf geen fysiek product is. Dat het ontwikkelen van het functiemodel al moeilijk genoeg is, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, baat haar gelet op wat hiervoor onder 3.3 is overwogen niet. Het College volgt appellante evenmin in haar standpunt dat verweerder tijdens de hoorzitting in bezwaar onvoldoende aandacht heeft besteed aan het door haar toen ter inzage aangeboden rapport van 14 april 2015 met de titel ‘Modelling and production of assembly jig and fixture systems for movables’ dat zij in beroep voor het eerst heeft overgelegd. Verweerder stelt dat de betrokken projectadviseur het rapport kort heeft ingezien en geen behoefte had aan nadere bestudering omdat het volgens hem duidelijk was dat het niet ging over de ontwikkeling van een fysiek product. Appellante heeft dit in beroep wel betwist maar heeft dat, evenmin als in bezwaar, gemotiveerd onderbouwd door aan te geven welke passages in dat rapport haar andersluidende standpunt ondersteunen. Het College is derhalve met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden in dit project S&O betreffen.

3.5.

Met betrekking tot het project ‘ontwikkeling extreme composiet vormen’ verschillen partijen van mening over de vraag of sprake is van een product met een technisch nieuw werkingsprincipe. Blijkens het beroepschrift gaat het in het project om de ontwikkeling van een mal voor een Smart Fixed Wing, een naadloos vleugeldeel met dubbele kromming, waarvan één deel een kromming heeft van 180 graden. De ontwikkeling van de mal is volgens appellante technisch nieuw omdat de huidige maximale kromming 90 graden is. De mal is volgens appellante technisch nieuw en het maken van de mal leidt tot technische knelpunten waarvoor zij speur- en ontwikkelingswerk verricht. Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat de technische knelpunten zien op problemen met de maakbaarheid van de mal en dat daaruit niet blijkt dat appellante een nieuwe mal ontwikkelt met een technisch nieuw werkingsprincipe. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat appellante iets gaat doen dat ze niet eerder heeft gedaan en dat technisch spannend is. In het project wordt de maakbaarheid en de bruikbaarheid van bestaande technieken onderzocht. Er wordt volgens verweerder gefocust op de maakbaarheid van het product, maar niet op een technisch nieuw werkingsprincipe. Het College is derhalve met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden in dit project S&O betreffen.

3.6.

Het College heeft appellante na de zitting in beroep in de gelegenheid gesteld om besluiten in het geding te brengen waarin is beslist op haar latere aanvragen om een S&O-verklaring voor dezelfde projecten. Verweerder heeft in een reactie op de door appellante ingediende stukken er op gewezen dat daaruit blijkt dat de aanvragen in drie van de vier perioden voor de jaren 2015 en 2016 zijn afgewezen. De aanvraag is slechts toegewezen voor de periode juli tot en met december 2015. In het betreffende aanvraagformulier (toegewezen aanvraag) is in strijd met de werkelijkheid vermeld dat voor beide projecten niet eerder een aanvraag is ingediend en zijn andere projecttitels, projectcodes en projectomschrijvingen gebruikt. Verweerder heeft aangevoerd dat appellante aldus onjuiste informatie heeft verstrekt, als gevolg waarvan hij ten onrechte voor beide projecten een S&O-verklaring heeft verstrekt. Nu de aanvraag voor drie van de vier periodes is afgewezen, is er volgens verweerder in ieder geval geen sprake geweest van willekeur. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van willekeur. Wat appellante in beroep vervolgens nog schriftelijk heeft aangevoerd, waaronder haar standpunt dat zij in de toegewezen aanvraag geen onjuiste informatie heeft verstrekt, maar dat in die aanvraag de omschrijving van het project beter aansloot bij het feitelijke project dan die in de in geding zijnde aanvraag, wat daar van zij, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel met betrekking tot de thans in geding zijnde aanvraag.

4. Het College beantwoordt de hiervoor onder 3 vermelde vraag bevestigend. Het beroep slaagt niet en zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. E.R. Eggeraat en

mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2017.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.W.E. Pinckaers

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer' (artikel 30, vierde lid, Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen).