Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:345

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
15/953
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies. Subsidie. Vaststelling op nihil. Jonge landbouwers. Geldlening aangegaan voor subsidieverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/953

27811

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. C.C. van Harten)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van appellant in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Jonge Landbouwers 2013 (de Regeling), vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016, alwaar partijen bij hun gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft het onderzoek in deze zaak ter zitting gesloten.

Bij beschikking van 27 december 2016 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van appellant.

Bij brief van 25 januari 2017 heeft verweerder een reactie ingediend.

Bij brief van 9 februari 2017 heeft appellant gereageerd op de reactie van verweerder.

Bij brief van 9 augustus 2017 heeft het College partijen bericht dat het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Bij besluit van 7 maart 2014 heeft verweerder de subsidieaanvraag van appellant goedgekeurd en appellant subsidie verleend tot een bedrag van maximaal € 20.000,- voor de bouw van een jongveestal met ruimte voor droogstaand vee. In dit besluit is ten aanzien van de voorwaarden van de subsidie onder meer verwezen naar de Regeling.

1.2

Op 26 februari 2014 heeft appellant het financieringsvoorstel van de [naam 2] van

25 februari 2014 (financieringsvoorstel 1) ondertekend. Dit financieringsvoorstel heeft onder meer betrekking op de bouw van een jongveestal.

1.3

Op 28 april 2014 heeft appellant het financieringsvoorstel van de [naam 2] van

22 april 2014 (financieringsvoorstel 2) ondertekend. Dit financieringsvoorstel heeft betrekking op herfinanciering.

1.4

Op 10 maart 2015 heeft verweerder de aanvraag tot vaststelling van de subsidie van appellant ontvangen. Bij die aanvraag heeft appellant het financieringsvoorstel 2 gevoegd.

1.5

Bij brieven van 23 juli 2015, 14 augustus 2015 en 25 augustus 2015 heeft verweerder appellant bericht dat verweerder de door appellant ingestuurde lening niet kan goedkeuren omdat het gaat om een herfinanciering van eerdere leningen die vermoedelijk al voor de datum van verlening zijn afgesloten. Appellant is hierbij in de gelegenheid gesteld een kopie van een andere lening te overleggen.

1.6

Bij brief van 31 augustus 2015 heeft appellant verweerder verzocht zijn standpunt te herzien, het financieringsvoorstel 2 toch goed te keuren en, indien verweerder zijn standpunt zou handhaven, appellant daarvan op de hoogte te stellen alvorens een besluit te nemen. Appellant heeft in die brief aangegeven dat sprake is van een andere lening. Op 28 maart 2014 heeft appellant van de bank € 400.000,- te leen gekregen voor onder meer de uitvoering van de bouw van de stal waarvoor subsidie is verleend.

1.7

Bij brief van 2 september 2015 heeft verweerder appellant meegedeeld dat verweerder zijn standpunt handhaaft en graag een kopie van de andere lening ontvangt.

1.8

Op 15 september 2015 heeft verweerder van appellant het financieringsvoorstel 1 ontvangen.

1.9

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie van appellant op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 1:2, tweede lid en artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling vastgesteld op nihil, omdat appellant te vroeg een financiële verplichting is aangegaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is appellant met het door appellant op 26 februari 2014 ondertekende financieringsvoorstel 1 met het oog op de investeringen een geldlening aangegaan vóór de datum van subsidieverlening. Verweerder heeft uiteengezet dat in artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling expliciet is vermeld dat het moment van aangaan van de lening doorslaggevend is en niet het moment van opname van de lening. Verweerder heeft erop gewezen dat appellant in het financieringsvoorstel 1 door de bank erop is geattendeerd dat appellant zich door ondertekening ervan jegens de bank bindt conform de daarin en in de verdere uitwerking van dat financieringsvoorstel genoemde voorwaarden. Er zijn dus al op
26 februari 2014 wel degelijk financieringsverplichtingen aangegaan voor de nieuw te bouwen jongveestal. Het aangaan van een lening stond dus al vast, voordat de beschikking tot subsidieverlening was afgegeven, zodat de stimulerende werking ontbrak.

3.1

Appellant heeft aangevoerd dat er sprake is van een tegenstrijdigheid in de Regeling. Volgens appellant verbiedt artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling kennelijk dat een lening wordt gesloten voor de datum van subsidieverlening, terwijl artikel 2:45 van diezelfde Regeling bepaalt dat subsidie wordt verleend onder de voorwaarde van het sluiten van een lening. Daarnaast bestrijdt appellant dat het aangaan van een lening vóór het moment van subsidieverlening in strijd zou zijn met het doel van de subsidie.

3.2

Deze beroepsgrond faalt, omdat het betoog uitgaat van een onjuiste lezing van de Regeling. Artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling bepaalt dat subsidie uitsluitend kan worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de subsidieverlening. Ingevolge artikel 2:42, eerste lid van de Regeling kan – kort gezegd – voor investeringen subsidie worden verstrekt aan een persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een jonge landbouwer is. Het tweede lid, aanhef en onder b, van deze bepaling bepaalt dat geen subsidie wordt verstrekt indien de jonge landbouwer met het oog op de investeringen een geldlening is aangegaan voordat de verlening van de subsidie hem schriftelijk is bevestigd. Artikel 2:45, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger met het oog op de investeringen een schriftelijke overeenkomst van geldlening met een looptijd van ten minste drie jaar afsluit met een bank. Subsidie kan dus worden verleend aan een jonge landbouwer voor een in de Regeling genoemde investering. Daartoe dient de jonge landbouwer pas ná de subsidieverlening een geldlening af te sluiten. Of de jonge landbouwer daaraan voldoet, wordt beoordeeld bij de subsidievaststelling. Is hij de geldlening aangegaan voordat de verlening van de subsidie hem schriftelijk is bevestigd, dan voldoet hij niet aan de verplichting van artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling; ook dit kan worden beoordeeld bij de subsidievaststelling (zie de uitspraak van het College van 21 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:130). Zoals verweerder terecht heeft uiteengezet strekt deze verplichting ertoe dat de jonge landbouwer geen onomkeerbare verplichtingen aangaat voor het moment dat hem is meegedeeld dat subsidie is verleend, omdat subsidie alleen in dat geval een stimulerend effect kan hebben (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van het College).

4. De beroepsgrond van appellant dat de verplichting van artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling ten onrechte een extra beperking stelt aan aanspraken op subsidie, omdat deze niet strookt met de Europese regelgeving, terwijl de Europese regelgeving wel op juiste wijze is opgenomen in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, slaagt niet, omdat appellant zijn betoog niet nader heeft onderbouwd.

5.1

Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de subsidie ten onrechte op nihil heeft vastgesteld, omdat het door appellant ondertekende financieringsvoorstel 1 nog geen lening inhoudt, maar slechts de voorwaarden bevat waaronder een lening tot stand kan komen. Appellant heeft daartoe onder meer erop gewezen dat de lening pas tot stand gekomen is op het moment dat het geld op zijn rekening was gestort (28 maart 2014) en dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt welke onomkeerbare verplichtingen appellant met het ondertekenen van het financieringsvoorstel is aangegaan.

5.2

Over deze beroepsgrond overweegt het College als volgt. De vraag moet worden beantwoord of appellant met de ondertekening van het financieringsvoorstel 1 op
26 februari 2014 een geldlening is aangegaan als bedoeld in artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling. Uit deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 2:45, eerste lid, van de Regeling volgt dat het hier in de Regeling moet gaan om een schriftelijke overeenkomst van geldlening. Gelet hierop heeft verweerder voor de totstandkoming van de overeenkomst tot geldlening terecht het moment waarop appellant het financieringsvoorstel 1 heeft ondertekend bepalend geacht en niet het moment waarop het geld op diens rekening was gestort. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, ingevolge het financieringsvoorstel 1 appellant voor de vrijgave van het bouwdepot de investering in de jongveestal nog moet onderbouwen met offertes en hij een kopie van de bouwvergunning moet overleggen bij de bank, doet daaraan niet af. Aangezien appellant het financieringsvoorstel 1 op 26 februari 2014 heeft ondertekend, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant daarmee een geldlening is aangegaan vóór de datum van subsidieverlening en zich aldus niet heeft gehouden aan de verplichting van artikel 2:42, tweede lid, onder b, van de Regeling.

5.3

Dit betekent dat ook deze beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret