Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:342

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
17/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jonge landbouwers 2015. Daadwerkelijke langdurige zeggenschap bij samenwerkingsverband. Blokkerende zeggenschap? Geen proefmaatschap.

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/3

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en mr. J.F. Janmaat).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017.

Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het in de Gecombineerde opgaaf 2015 gedane verzoek van appellante om de extra betaling jonge landbouwers afgewezen. Volgens verweerder heeft de als jonge landbouwer opgegeven persoon (de dochter) geen daadwerkelijke, langdurige zeggenschap, omdat zij op grond van artikel 21 (gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 18) van de tussen moeder en dochter gesloten maatschapsovereenkomst geen recht heeft om bij bepaalde gevallen van beëindiging de maatschap voort te zetten.

2.1

Artikel 50, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) bepaalt – kort gezegd – dat de lidstaten een jaarlijkse betaling toekennen aan jonge landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling. Voor zover hier van belang wordt onder jonge landbouwers verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al op (sic) zo'n bedrijf hebben opgericht in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling (zie het tweede lid, aanhef en onder a, van die bepaling). De artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014), regelt de toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers. Een van de eisen om binnen een groep natuurlijke personen als jonge landbouwer te worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014).

2.2

De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling worden betalingen voor jonge landbouwers verstrekt.

2.3

Hieruit volgt dat op grond van de Uitvoeringsregeling betalingen worden verstrekt aan jonge landbouwers en dat onder jonge landbouwers hetzelfde moet worden verstaan als in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) is bepaald dat van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-. Op grond van artikel 5, zesde lid, van de Beleidsregel wordt de jonge landbouwer niet geacht te voldoen aan deze eis voor de periode waarin een overeenkomst tussen alle maten bepaalt dat de maatschap eenzijdig door de andere maten kan worden opgezegd.

3. Appellante voert aan dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte op basis van nieuwe feiten heeft genomen.

4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Deze heroverweging brengt in beginsel mee dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat besluit. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waarom hier van dat beginsel zou moeten worden afgeweken.

5. Appellante betoogt dat het de bedoeling is dat de dochter de maatschap overneemt, ondanks dat in de maatschapsovereenkomst is opgenomen dat de dochter bij bepaalde gevallen van beëindiging niet het recht heeft om de maatschap voort te zetten.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit geval wat betreft de zeggenschap binnen de maatschap vergelijkbaar is met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 9 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:168).

7.1

Het College begrijpt de verwijzing naar de genoemde uitspraak aldus dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 5, zesde lid, van de Beleidsregel. In die uitspraak heeft het College in een zaak die ging over een maatschap die, vanwege toekomstplannen die de vennoten hadden voor het bedrijf, voor een bepaalde tijd was aangegaan en waarbij de zoon geen voortzettingsrecht had, – kort gezegd – geoordeeld dat de zoon geen daadwerkelijke en langdurige zeggenschap kon uitoefenen over het bedrijf. In onderhavige zaak is blijkens artikel 2, eerste lid, van de maatschapsovereenkomst de maatschap voor onbepaalde tijd aangegaan. Uit die bepaling volgt dat de maten een langdurige samenwerking beogen. Gelet daarop kunnen de in artikel 21, tweede lid, van de maatschapsovereenkomst opgenomen gevallen van beëindiging, die met elkaar gemeen hebben dat zij uitgaan van een niet vrijwillige bedrijfsbeëindiging van een maat, naar het oordeel van het College in redelijkheid geen uitgangspunt zijn bij de door verweerder te beantwoorden vraag of de dochter daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het bedrijf kan uitoefenen. Verweerder kan de dochter dan ook niet tegenwerpen dat zij op grond van de maatschapsovereenkomst bij bepaalde gevallen van beëindiging niet het recht heeft de maatschap voort te zetten. Overigens blijkt ook uit de toelichting op de Beleidsregel (Stcrt. 2015 nr. 13313,
19 mei 2015) dat in artikel 5, zesde lid, van de Beleidsregel de situatie is geregeld van een zogeheten proefmaatschap, waarbij tussen de maten is afgesproken dat de maatschap door de andere oudere maten eenzijdig kan worden beëindigd. Van een proefmaatschap is in het onderhavige geval geen sprake. Het voorgaande betekent dat de wijze waarop verweerder artikel 5, zesde lid, van de Beleidsregel hier heeft toegepast niet verenigbaar is met de Uitvoeringsregeling en om die reden hier buiten toepassing moet worden gelaten.

7.2

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de afwijzing van de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 5, zesde lid, van de Beleidsregel.

7.3

Deze beroepsgrond slaagt.

8. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H. Bolt en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 oktober 2017.

w.g. R.R. Winter de griffier is verhinderd deze uitspraak
mede te ondertekenen