Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:335

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
16/315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Opnieuw vaststellen bedrijfstoeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/315

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de Staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniëls en A. Aalmers)

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2012 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 25 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een reactie op het verweerschrift gegeven. Verweerder heeft gereageerd daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1.1

Appellante heeft verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten over het jaar 2012 en daartoe in de Gecombineerde Opgave 2012 39 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 120,06 ha.

1.2

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft verweerder de bedrijfstoeslag over het jaar 2012 vastgesteld op € 54.210,53 op basis van een goedgekeurde perceelsoppervlakte van 118,10 ha.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante over het jaar 2012 herberekend en vastgesteld op € 51.935,43. Bij die vaststelling is verweerder uitgegaan van een goedgekeurde oppervlakte van 117,74 ha. Tevens heeft verweerder een sanctiekorting van tweemaal de afgekeurde oppervlakte toegepast wegens het feit dat de afgekeurde oppervlakte meer dan twee hectare bedraagt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Het College stelt voorop dat het primaire besluit en het bestreden besluit zijn genomen na 1 januari 2015. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 16 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:90, blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

3.1

Appellante betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte haar bezwaren tegen de vaststelling van de percelen 6, 26, 28, 37 en 39 niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Pas bij het primaire besluit heeft appellante immers te maken gekregen met een sanctiekorting, waarbij deze percelen wel meetellen.

3.2

Het College volgt verweerder niet in diens standpunt dat appellante niet meer in rechte kan opkomen tegen de oppervlakte van de percelen 6, 26, 28, 37 en 39 omdat, anders dan waarvan verweerder uitgaat, niet de oppervlakten van percelen, maar het besluit tot vaststelling van de bedrijfstoeslag in rechte kan komen vast te staan. Aangezien verweerder dat besluit tot vaststelling van de bedrijfstoeslag bij het primaire besluit heeft opengebroken, kan appellante de oppervlakte van de percelen 6, 26, 28, 37 en 39 in deze procedure opnieuw aan de orde stellen (zie de uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CBB:2017:205).

3.3

Wat betreft de percelen 6, 26, 28, 37 en 39 moet dus worden geoordeeld dat vanwege het door verweerder ingenomen en door het College onjuist geacht standpunt in deze procedure niet duidelijk is geworden waarom verweerder de oppervlakte kleiner heeft vastgesteld dan appellante heeft opgegeven. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

4.1

Appellante is het er niet mee eens dat perceel 36 kleiner is vastgesteld. Zij heeft bij het invullen de grens aangehouden zoals ingetekend op de AAN-laag. Verweerder heeft de grenzen om sommige punten verkleind en op andere verruimd, waardoor de vorm van het perceel anders is geworden. De aangevraagde 11,32 ha is daarom aanwezig. Perceel 36 ligt bovendien in een natuurgebied. RVO heeft erkend dat de applicatie in 2012 niet goed werkte voor natuurgebieden. In een andere zaak, Awb 15/735, heeft verweerder wel een nieuwe beslissing genomen en de perceelgrenzen aangepast.

4.2

Het College volgt niet het standpunt van appellante dat verweerder bij het wijzigen van de oppervlakte bij het primaire ook een ander, door appellante niet in de Gecombineerde Opgave 2012 opgegeven stuk perceel had moeten betrekken. Het is aan de landbouwer om zorg te dragen voor de compleetheid en de juistheid van een aanvraag. Dat appellante haar aanvraag niet juist heeft ingevuld dan wel niet tijdig – dat wil zeggen: voordat verweerder daarop heeft beslist – heeft gewijzigd, komt voor haar risico. Alleen indien geoordeeld moet worden dat een landbouwer een kennelijke fout heeft gemaakt als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 oplevert, bestaat er ruimte een aanvraag achteraf te corrigeren. In vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ8132) heeft het College uitgesproken dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken als verweerder met een summier onderzoek bij de ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat niet valt in te zien hoe het de behandelend ambtenaar in een oogopslag duidelijk had moeten zijn dat appellante bij haar aanvraag een onjuiste intekening heeft verricht. Van een onsamenhangende of tegenstrijdig ingevulde aanvraag is geen sprake.

4.3

Het College stelt vast dat appellante bij haar bezwaar tegen de verkleining van perceel 36 slechts in algemene zin heeft gewezen op de problematiek van het vaststellen van grenzen bij rietkragen en taluds. Nu zij dit verder niet concreet heeft gemaakt, gaat het College hieraan voorbij. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt zitting gewezen op het verslag van de Europese Rekenkamer van 7 september 2016, 2016/25 genaamd “Het landbouwpercelen-identificatiesysteem: een nuttig instrument om de subsidiabiliteit van landbouwgrond te bepalen, maar het beheer ervan zou verder kunnen worden verbeterd”. In dit rapport staat dat bij natuurlijk grasland foto’s meerdere keren niet correct geïnterpreteerd worden, aldus appellante. Het College stelt vast dat de situatie in Nederland in het betreffende rapport niet aan de orde komt. De conclusies uit het rapport zijn voorts algemeen van aard. Het beroep op dit rapport slaagt dan ook niet. De Nederlandse regelgeving voorziet verder niet in de mogelijkheid om een perceel voor een bepaald percentage subsidiabel te achten.

4.4

Het beroep op de zaak AWB 15/735 faalt. Verweerder heeft toegelicht dat het in die zaak niet ging om het vaststellen van perceelgrenzen, maar om discussie over de gewascode. Na een inspectie ter plaatse is deze aangepast. Van een gelijk geval is dan ook geen sprake.

4.5

De conclusie is dat de beroepsgronden ten aanzien van perceel 36 niet slagen.

5.1

Volgens appellante zijn verder ten onrechte delen van de percelen 34 en 35 als niet-subsidiabele bermen aangemerkt. Appellante gebruikt de gehele percelen 34 en 35 landbouwkundig; er wordt gras gemaaid en ingekuild.

5.2

Het College stelt vast dat de afgekeurde delen van de percelen 34 en 35 buiten een afrastering van een weide liggen. Het College acht het niet ondenkbaar dat in bijzondere gevallen ook de oppervlakte van grond die buiten de afrastering ligt kan worden aangemerkt als subsidiabele oppervlakte en in aanmerking worden gebracht voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag (zie de uitspraak van het College van 11 januari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ3408). Bepalend hiervoor is echter op grond van artikel 34, tweede lid, onder a Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers dat deze strook grond feitelijk in overwegende mate voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt.

5.3

Voor zover het beroep betrekking heeft op de buiten de afrastering gelegen berm van perceel 35 aan de westzijde van het perceel – een stuk grond van 4 bij 7 meter – is het College van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het niet-subsidiabele landbouwgrond betreft. De door verweerder overgelegde luchtfoto’s tonen een kleurverschil dat duidt op een maaigrens en verrommelde grond. Op grond van de winterfoto’s is ook aannemelijk dat appellante op deze berm geen maaiwerkzaamheden verricht en dat er geen sprake is van blijvend grasland. Voorts acht het College het van belang dat dit gedeelte is gelegen langs een niet tot het bedrijf van appellante behorende weg. Deze bermen zijn dus terecht niet gerekend tot de subsidiabele oppervlakte landbouwgrond.

5.4

Voor zover het beroep betrekking heeft op de buiten de afrastering gelegen bermen van de percelen 34 en 35 langs een pad, dat – onbetwist – tot het bedrijf van appellante behoort, is het College van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze een verkeerskundige of infrastructurele functie hebben. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is uitgewisseld, blijkt genoegzaam dat appellante deze bermen landbouwkundig gebruikt. Niet betwist is dat appellante op deze bermen maaiwerkzaamheden verricht. Dat er sprake is van een zichtbare maaigrens en verrommelde grond, zoals verweerder stelt, wordt niet ondersteund door de in dit verband overgelegde luchtfoto’s. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dan ook niet voldoende onderzocht en gemotiveerd dat deze grond niet als subsidiabele landbouwgrond kan worden aangemerkt. Op dit punt slaagt deze beroepsgrond.

6. Gelet op het onder 3.3 en 5.4 overwogene is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd de artikelen 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht. Nu verweerder eerst opnieuw de subsidiabele oppervlakte van de percelen 6, 26, 28, 34, 35, 37 en 39 dient vast te stellen en pas daarna zal blijken of en hoeveel gekort wordt, ziet het College geen aanleiding om de beroepsgrond over de korting te bespreken.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het door appellante betaalde griffierecht van € 334,- te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 18 augustus 2017.

w.g. H.B. van Gijn de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen