Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:332

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
17/1124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten; intrekking chauffeurskaart wegens niet of niet tijdig overleggen VOG; verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen. Verweerder was gehouden de chauffeurskaart van verzoeker in te trekken, aangezien sprake is van een gebonden bevoegdheid. De omstandigheid dat het door verzoeker ingestelde rechtsmiddel ertoe kan leiden dat hem alsnog een VOG (en een chauffeurskaart) zal worden verstrekt, maakt dat, gezien de aard van de bevoegdheid van verweerder, niet anders. De omstandigheid dat de minister van Veiligheid en Justitie mogelijk niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een VOG doet aan het voorgaande evenmin af, reeds omdat tegen dat niet tijdig beslissen de daartoe geëigende rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1124

14999

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Kops).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Bij brief van 17 maart 2017 heeft verweerder aan verzoeker verzocht binnen vier weken een nieuwe verklaring omtrent het gedrag (VOG) over te leggen. Aanleiding daarvoor was een brief van het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) van 6 maart 2017, waarin wordt aangegeven dat er twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van verzoeker als houder van een chauffeurskaart omdat verzoeker recentelijk met justitie in aanraking is gekomen.

2.2

Bij brief van 14 april 2017 heeft verweerder verzoeker geïnformeerd dat hij voornemens is de chauffeurskaart van verzoeker in te trekken, aangezien verzoeker niet binnen de gestelde termijn van vier weken een nieuwe VOG heeft overgelegd. Hierop heeft verzoeker bij brief van 19 april 2017 uitstel verzocht voor het overleggen van een VOG, aangezien zijn aanvraag nog in behandeling was. Verweerder heeft dit verzoek bij brief van 24 april 2017 afgewezen.

2.3

Met het primaire besluit heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker op grond van artikel 10 van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) ingetrokken wegens het niet overleggen van een VOG.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat de intrekking van de chauffeurskaart wordt geschorst totdat een besluit is genomen, en de eventueel daarop volgende bezwaar- en beroepsprocedures zijn doorlopen, ten aanzien van verzoekers aanvraag voor een VOG. Verzoeker voert hiertoe aan dat de chauffeurskaart ten onrechte is ingetrokken, aangezien evident is dat aan verzoeker een VOG dient te worden verstrekt. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft aan verzoeker medegedeeld voornemens te zijn de aanvraag voor een VOG af te wijzen. Dit voornemen is volgens verzoeker gebaseerd op twee aangiften van medewerkers van N.V. Luchthaven Schiphol wegens huisvredebreuk als bedoeld in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hieraan ligt ten grondslag dat verzoeker in strijd zou hebben gehandeld met de zogenoemde “Schipholregels” door in het terminalgebied van Schiphol taxidiensten aan te bieden. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1348, betoogt verzoeker dat schending van de Schipholregels geen strafbaar feit kan opleveren. Daarnaast kan huisvredebreuk gelet op het relevante screeningsprofiel niet worden meegewogen in het beoordelingskader voor het aanvragen van een VOG ten behoeve van het opnieuw aanvragen van een chauffeurskaart. Derhalve kan de VOG niet worden geweigerd. Ten slotte voert verzoeker aan dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de VOG niet binnen de gestelde termijn heeft aangeleverd, aangezien de minister van Veiligheid en Justitie niet binnen de termijn gesteld in artikel 37, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) op de aanvraag van verzoeker heeft beslist.

4. Verweerder betoogt dat hij op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp 2000) bevoegd was een nieuwe VOG van verzoeker te verlangen. Tussen het verzoek van verweerder om een VOG over te leggen en de intrekking van de chauffeurskaart zat een periode van twee maanden. Gelet op de voor VOG-aanvragen geldende maximale beslistermijn van acht weken, heeft verweerder derhalve zonder meer een redelijke termijn aan verzoeker gesteld. Wordt de nieuwe VOG niet of niet tijdig overgelegd, dan is verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d van de Regeling gehouden om de chauffeurskaart in te trekken, aangezien sprake is van een gebonden bevoegdheid. Omdat er ten tijde van het nemen van het primaire besluit geen VOG was overgelegd, kon verweerder niet anders dan de kaart intrekken. Verweerder geeft aan zich er zeer wel van bewust te zijn dat het intrekken van een chauffeurskaart zeer ingrijpend kan zijn voor de belanghebbende en dat meestal ook is. Verweerder is echter ook gehouden aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d van de Regeling. Daarbij wijst verweerder er nog op dat het vereiste van een VOG wordt gesteld in het algemeen belang, hetgeen vereist dat taxichauffeurs moeten kunnen aantonen dat zij aan de eis van betrouwbaarheid voldoen.

5.1

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat verweerder ingevolge de van toepassing zijnde wet- en regelgeving bevoegd is tot het verstrekken en het intrekken van chauffeurskaarten als bedoeld in artikel 81, derde tot en met vijfde lid, van het Bp 2000. Voor het afgeven van verklaringen omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wjsg is niet verweerder, maar de minister van Veiligheid en Justitie bevoegd. De vraag of een aanvraag voor een nieuwe VOG dient te worden toe- of afgewezen staat dan ook niet ter beantwoording door verweerder en maakt derhalve evenmin onderdeel uit van de toetsing in de onderhavige procedure (zie ook de uitspraak van het College van 20 april 2017, ECLI:NL:CBB:2017:152).

5.2

Ingevolge artikel 82, zesde lid, van het Bp 2000 kan verweerder, indien hij vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, die chauffeur opnieuw verzoeken om afgifte van een VOG. De bestuurder moet deze binnen een door verweerder vast te stellen termijn overleggen.

5.3

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling wordt de chauffeurskaart ingetrokken indien de bestuurder niet of niet tijdig ingevolge artikel 82, zesde lid, van het Bp 2000 een nieuwe VOG overlegt.

5.4

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 82, zesde lid, van het Bp 2000 schept voor verweerder de bevoegdheid een chauffeur te verzoeken opnieuw een VOG over te leggen. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder toegelicht dat verweerder altijd van die bevoegdheid gebruik maakt wanneer hij van het COVOG bericht krijgt dat twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van een houder van een chauffeurskaart. Hieruit volgt dat verweerder naar aanleiding van de ontvangen melding van het COVOG en het op grond daarvan bij hem gerezen vermoeden dat verzoeker niet meer voldeed aan de eisen voor het afgeven van een VOG, ingevolge artikel 82, zesde lid, van het Bp 2000, bevoegd was om verzoeker om het overleggen van een nieuwe VOG te verzoeken. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder van deze bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.

5.5

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker niet binnen de door verweerder gestelde termijn een nieuwe VOG heeft overgelegd. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat hij reeds daarom op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling was gehouden de chauffeurskaart van verzoeker in te trekken. Deze bepaling laat geen ruimte voor een door verweerder te maken belangenafweging. De termijn die verweerder heeft gesteld voor het overleggen van een nieuwe VOG acht de voorzieningenrechter niet onredelijk.

5.6

De voorzieningenrechter ziet, mede in aanmerking genomen de (voorgenomen) afwijzing van het verzoek tot afgifte van een nieuwe VOG, geen aanleiding voor (een redelijke mate van) twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit tot intrekking van de chauffeurskaart. De omstandigheid dat het door verzoeker ingestelde rechtsmiddel ertoe kan leiden dat hem alsnog een VOG (en een chauffeurskaart) zal worden verstrekt, maakt dat, gezien de aard van de bevoegdheid van verweerder, niet anders. De omstandigheid dat de minister van Veiligheid en Justitie mogelijk niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een VOG doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat tegen dat niet tijdig beslissen de daartoe geëigende rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.N. Vroege, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2017.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.N. Vroege