Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:323

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/373
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. In 2013 geen rechtstreekse betaling ontvangen van minimaal €500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/373

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. C. Hulzebos).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Van de zijde van appellant is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder bij brief van 20 februari 2017 een aantal vragen gesteld.

Bij brief van 27 maart 2017 heeft verweerder antwoord gegeven op de vragen en nadere stukken overgelegd. Ten aanzien van deze stukken heeft verweerder met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College hiervan kennis zal mogen nemen. Bij brief van 21 april 2017 heeft verweerder het College medegedeeld dat hij de nadere stukken “intrekt”. Bij brief van 1 mei 2017 heeft het College deze stukken aan verweerder teruggezonden.

Bij brief van 20 september 2017 heeft het College partijen bericht dat het College voornemens is een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten en het onderzoek te sluiten. Nadat partijen binnen de daartoe geboden termijn van twee weken niet te kennen hebben gegeven toch een nadere zitting te willen, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellante heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave 2015 op 8 juni 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 aangevraagd.

1.2

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten afgewezen. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellante geen recht heeft op betalingsrechten, omdat (-) appellante in 2013 geen recht had op een directe betaling van minimaal € 500,- vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), (-) zij niet minimaal 0,3 hectare groente, fruit (inclusief wijngaard), pootaardappelen, consumptieaardappelen, siergewassen of bollen heeft geteeld in 2013 en (-) verweerder niet voor appellante heeft kunnen vaststellen dat zij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgevoerd of verweerder wel voor appellante heeft kunnen vaststellen dat zij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgeoefend maar dat zij ook toeslagrechten in eigendom of gebruik heeft gehad.

1.3

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag van appellante tot uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 afgewezen, omdat appellante op 15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat

betalingsrechten kunnen worden toegewezen aan actieve landbouwers die tijdig een aanvraag hiervoor indienen en – kort gezegd – voor 2013 recht hadden op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (Verordening 73/2009). Uit het gegevensbestand van verweerder is echter gebleken dat appellante geen rechtstreekse betaling heeft gehad in 2013, zodat appellante niet aan die voorwaarde voldoet. Actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen kunnen alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en uiterlijk 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha hebben geëxploiteerd. Niet is gebleken dat appellante aan deze voorwaarde voldoet. Tot slot komen actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen alsnog in aanmerking voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en nooit hebben beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk 15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten hebben verricht. Uit het gegevensbestand van verweerder is gebleken dat appellante in het verleden (onder andere in 2014) toeslagrechten heeft gehad, zodat appellante evenmin aan deze voorwaarde voldoet.

3.1

Appellante voert in de eerste plaats aan dat zij voldoet aan de voorwaarden die staan genoemd in artikel 24 van Verordening 1307/2013 om in aanmerking te komen voor toewijzing van betalingsrechten. Voorafgaand aan 2013 heeft appellante de varkenshouderijtak van het agrarisch bedrijf van haar vader overgenomen. Zij had in 2013 nog geen toeslagrechten verkregen. In 2014 heeft appellante ook het resterende gedeelte van het agrarisch bedrijf van haar vader overgenomen. In dat jaar heeft zij de toeslagrechten verkregen en heeft zij deze opgegeven en uitbetaald gekregen. Appellante meent dan ook dat sprake was van een bedrijfsoverdracht binnen het gezin. In een dergelijk geval gaat het recht op toeslagrechten/betalingsrechten automatisch over van de vader naar haar en hoeft er geen private overeenkomst te worden gesloten. Aangezien de vader van appellante voldoet aan de voorwaarden in artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder a en b, van Verordening 1307/2013, namelijk de voorwaarde dat hij in 2013 recht had op een rechtstreekse betaling, voldoet ook appellante in deze specifieke omstandigheid hieraan. Als gevolg van de automatische overgang van de toeslagrechten van haar vader naar appellante in 2014 diende verweerder de situatie van haar vader te beschouwen in het gegevensbestand. Appellante voert aan dat dit ook in lijn is met de gedachte achter de voorwaarden in artikel 24 van Verordening 1307/2013. Voorkomen dient te worden dat nieuwe agrarische bedrijven die in 2013 nog niet bestonden ook in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten. Er dient een minimale omvang van het bedrijf aangetoond te worden, dan wel moet aangetoond worden dat het bedrijf er al wel was in 2013 maar nog geen gebruik had gemaakt van betalingsrechten. In dit specifieke geval bestond het agrarisch bedrijf al in 2013 en daarvóór, namelijk op naam van haar vader.

3.2

In de tweede plaats voert appellante aan dat zij pas vanaf eind 2015 op de hoogte was van de voorwaarden waaraan een overdracht van betalingsrechten diende te voldoen. Volgens appellante kunnen deze voorwaarden haar om die reden niet worden tegengeworpen. Zij voert aan te worden geconfronteerd met een onrechtvaardige uitkomst.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat uit het dossier van appellante blijkt dat zij in maart 2014 toeslagrechten heeft gekocht van [naam 2] . Daarmee voldoet appellante niet aan de voorwaarde genoemd in artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013. Ook aan de overige voorwaarden voor toegang tot betalingsrechten heeft appellante niet voldaan. Verweerder heeft dus terecht geen betalingsrechten toegekend aan appellante. Voorts blijkt uit geen van de door appellante verstrekte stukken dat sprake is van een gehele bedrijfsovername. Appellante heeft in maart 2014 enkel de toeslagrechten van haar vader verworven. De vader van appellante heeft in 2015 zijn bedrijf voortgezet. Een overgang van betalingsrechten door een gehele bedrijfsovername is dan ook niet aan de orde. Hierbij komt dat voor bedrijfsovernames een private overeenkomst is vereist. Zo’n overeenkomst heeft appellante niet gesloten. Verweerder heeft landbouwers tijdig door middel van nieuwsbrieven in de gelegenheid gesteld zich te informeren over het nieuwe GLB en over de procedure met betrekking tot bedrijfsoverdrachten en private overeenkomsten. Voorts is appellante bij brief van 15 september 2014 geïnformeerd dat zij haar referentiegegevens inzake de betalingsrechten kon raadplegen in het klantportaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Appellante kon zich toen nog toegang verschaffen tot de basisbetalingsregeling door het afsluiten van private overeenkomsten op grond van artikel 24, achtste lid, van Verordening 1307/2013, maar appellante heeft dit niet gedaan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de aanvrager zijn aanvraag conform zijn wensen in te dienen en zo nodig daarover advies te vragen.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Bij uitspraak van 9 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:316) heeft het College onder 5.2 – kort gezegd – geoordeeld dat ingevolge artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.

5.2

Het College volgt appellante op basis van hetgeen is overwogen in de onder 5.1 aangehaalde uitspraak niet in haar uitleg van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013.

5.3

Het College deelt evenmin het standpunt van appellante dat het recht op betalingsrechten automatisch van haar vader op haar is overgegaan, reeds nu onweersproken is gebleven dat, zoals verweerder in het verweerschrift heeft uiteengezet, van een gehele bedrijfsovername geen sprake was. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat appellante in maart 2014 enkel de toeslagrechten van haar vader heeft verworven en dat haar vader zijn bedrijf nadien zelf heeft voortgezet.

5.4

Aangezien appellante voor 2013 geen recht had op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten.

5.5

Appellante heeft niet bestreden het standpunt van verweerder dat zij niet uiterlijk

15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen heeft geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha heeft geëxploiteerd en dat zij nooit heeft beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk

15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten heeft verricht. Dit betekent dat appellante evenmin op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder a, sub i, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling, in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Wat betreft die laatste voorwaarde moet in het geval van appellante nog worden opgemerkt dat, zoals verweerder in het verweerschrift heeft uiteengezet, verweerder in zijn nieuwsbrieven op de risico’s heeft gewezen die zijn verbonden aan het kopen of huren van toeslagrechten in 2014 voor landbouwers die in 2015 aanspraak willen maken op betalingsrechten.

5.6

Het betoog van appellante dat zij pas vanaf eind 2015 op de hoogte was van de voorwaarden waaraan een overdracht van betalingsrechten diende te voldoen en dat haar die voorwaarden om die reden niet kunnen worden tegengeworpen, faalt. Op 20 december 2013 is Verordening 1307/2013 in werking getreden en vanaf 1 januari 2015 geldt het nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had, bestond aldus voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68, r.o. 11.3). Voorts heeft verweerder in het verweerschrift terecht erop gewezen dat hij landbouwers door middel van nieuwsbrieven tijdig heeft geïnformeerd over het nieuwe GLB, dat hij appellante bij brief erover heeft geïnformeerd dat zij haar referentiegegevens inzake de betalingsrechten kon raadplegen in het klantportaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en dat appellante zich toen nog toegang kon verschaffen tot de basisbetalingsregeling door het afsluiten van private overeenkomsten , maar dat appellante dit niet heeft gedaan.

5.7

Voor zover appellante met haar betoog dat zij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Awb, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

5.8

De conclusie is dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellante.

5.9

Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellant in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. W.M.J.A. Duret