Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:322

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/503
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. In 2013 geen rechtstreekse betaling ontvangen van minimaal €500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/503

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. C. Hulzebos).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellant heeft met het doen van de Gecombineerde opgave 2015 op 1 juni 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 aangevraagd.

1.2

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten afgewezen. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellant geen recht heeft op betalingsrechten, omdat (-) appellant in 2013 geen recht had op een directe betaling van minimaal € 500,- vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), (-) hij niet minimaal 0,3 hectare groente, fruit (inclusief wijngaard), pootaardappelen, consumptieaardappelen, siergewassen of bollen heeft geteeld in 2013 en (-) verweerder niet voor appellant heeft kunnen vaststellen dat hij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgevoerd of verweerder wel voor appellant heeft kunnen vaststellen dat hij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgeoefend maar dat hij ook toeslagrechten in eigendom of gebruik heeft gehad.

1.3

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag van appellant tot uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 afgewezen, omdat appellant op

15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat

betalingsrechten kunnen worden toegewezen aan actieve landbouwers die tijdig een aanvraag hiervoor indienen en – kort gezegd – voor 2013 recht hadden op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (Verordening 73/2009). Uit het gegevensbestand van verweerder is echter gebleken dat appellant in 2013 geen recht had op een rechtstreekse betaling, zodat appellant niet aan die voorwaarde voldoet. Actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen kunnen alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en uiterlijk 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha hebben geëxploiteerd. Niet is gebleken dat appellant aan deze voorwaarde voldoet, nu appellant in 2013 0,85 ha zomertarwe en 2,86 ha overige akkerbouwgewassen heeft geteeld. Tot slot komen actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen alsnog in aanmerking voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en nooit hebben beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk 15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten hebben verricht. Uit het gegevensbestand van verweerder is gebleken dat appellant in het verleden wel heeft beschikt over toeslagrechten, zodat appellant evenmin aan deze voorwaarde voldoet.

3. Appellant voert aan dat het systeem van toewijzing willekeurig is. Hij heeft in het verleden weliswaar toeslagrechten gekregen, maar die heeft hij nooit verzilverd. In 2013 kon hij geen toeslagrechten verzilveren wegens het ontbreken van steunwaardige gewassen. Het komt erop neer dat wanneer hij nooit toeslagrechten zou hebben gehad, hij wel in aanmerking kwam voor betalingsrechten. Van belang voor de nieuwe Europese systematiek is het belonen van landbouw met een toegevoegde waarde wat betreft het onderhoud, de duurzame ontwikkeling en de leefbaarheid van het platteland. Dit zijn zaken waar appellant met zijn bedrijf al twintig jaar nadrukkelijk vorm aan geeft. Appellant heeft uiteengezet in 1996 met zijn bedrijf te zijn gestart en reeds twintig jaar op een oppervlakte van ongeveer 4 ha een groot aantal verschillende gewassen te hebben verbouwd. Appellant stelt als marktgerichte ondernemer voor het jaar 2015 en de opvolgende jaren in aanmerking te moeten komen voor ondersteuning vanuit het Europese landbouwbudget. De afwijzing van zijn aanvraag tot het toekennen van betalingsrechten komt appellant in dit licht vreemd en tamelijk willekeurig voor. Appellant stelt dat zijn arealen toeslagwaardige gewassen altijd te gering zijn geweest en dat het, omdat het uit te keren bedrag onder het gestelde minimum lag, nooit tot een daadwerkelijke uitbetaling van toeslagrechten is gekomen. Appellant stelt dat hij in de periode 2006 tot 2008 en in het jaar 2013 onmogelijk van de nu gehanteerde argumentatie op de hoogte had kunnen zijn en dat er met terugwerkende kracht nu eenmaal niets meer aan een eventuele referentieopbouw kan worden veranderd.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat uit het dossier van appellant volgt dat hij in voorgaande jaren over betalingsrechten (toeslagrechten) heeft beschikt en dat hij in 2006-2008 ook bedrijfstoeslag heeft ontvangen. Op grond hiervan komt appellant niet in aanmerking voor de mogelijkheid genoemd in artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013. Ook aan de overige voorwaarden voor toegang tot betalingsrechten heeft appellant niet voldaan, zodat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegekend aan appellant. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij in de periode 2006, 2007 en 2008 nog niet op de hoogte was van de nu geldende regelgeving voor de toekenning van betalingsrechten in 2015, merkt verweerder op dat de Uniewetgever bewust heeft gekozen voor een referentiejaar dat in het verleden lag en dus niet meer kon worden beïnvloed door de landbouwer.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Bij uitspraak van 9 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:316) heeft het College onder 5.2 – kort gezegd – geoordeeld dat ingevolge artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.

5.2

Het College volgt appellant op basis van hetgeen is overwogen in de onder 5.1 aangehaalde uitspraak niet in zijn uitleg van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013.

5.3

Aangezien appellant voor 2013 geen recht had op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten.

5.4

Appellant heeft niet bestreden het standpunt van verweerder dat hij niet uiterlijk

15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen heeft geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha heeft geëxploiteerd en dat hij nooit heeft beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk

15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten heeft verricht. Dit betekent dat appellant evenmin op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder a, sub i, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling, in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten.

5.5

Met betrekking tot het betoog van appellant dat hij in de periode 2006 tot 2008 en in het jaar 2013 onmogelijk van de nu gehanteerde argumentatie op de hoogte had kunnen zijn en dat er met terugwerkende kracht nu eenmaal niets meer aan een eventuele referentieopbouw kan worden veranderd, is het College met verweerder van oordeel dat dit een consequentie is van de bewuste keuze van de Uniewetgever voor een referentiejaar dat in het verleden lag en dus niet meer kon worden beïnvloed door de landbouwer.

5.6

Voor zover appellant met zijn betoog dat hij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013. Nu appellant niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

5.7

De conclusie is dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellant.

5.8

Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellant in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. W.M.J.A Duret