Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:317

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/593
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. Niet ingeschreven in handelsregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/593

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. A.D. Kiewiet),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. C. Hulzebos).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 2 maart 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 4 januari 2017 is partijen meegedeeld dat het College de ontvankelijkheid van het beroep ter zitting aan de orde zal stellen. Bij griffiersbrief van
11 januari 2017 is partijen bericht wat voorts in ieder geval ter zitting aan de orde zal worden gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellant is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Aan de zijde van appellant was tevens aanwezig [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellant had samen met zijn broer [naam 5] een maatschap. Deze maatschap is in 2012 beëindigd en het aandeel van appellant is vanaf dat moment ingebracht in [naam 3] V.O.F. (vennootschap onder firma). Deze vennootschap onder firma bestond sinds 1 januari 2008 uit appellant, zijn vrouw [naam 4] en hun zoon
[naam 2] . De vennootschap onder firma is per 1 april 2013 beëindigd, maar
heeft de onderneming vanaf die datum voortgezet als eenmanszaak.

1.2

Appellant en [naam 5] hebben onder het relatienummer […] dat behoort tot hun maatschap op 10 juni 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend en toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 aangevraagd. Op die opgave hebben zij bij KvK-nummer vermeld ”Geen”.

1.3

De onderneming van appellant en [naam 5] stond op 15 juni 2015 niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).

1.4

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten afgewezen, omdat appellant niet op 15 juni 2015 als agrarisch ondernemer bij de KvK stond geregistreerd.

1.5

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 afgewezen, omdat appellant op

15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.

2. Bij het bestreden besluit zijn beide primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft uiteengezet dat appellant in 2015 geen actieve landbouwer was. In het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) worden geen rechtstreekse betalingen toegekend en betalingsrechten toegewezen aan natuurlijke en rechtspersonen van wie het zakelijk doel niet of nauwelijks gericht is op de uitoefening van landbouw. Om toegang te krijgen tot het GLB moest de aanvrager daarom in 2015 actief landbouwer zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013). In Nederland is deze eis verder ingevuld met de verplichting om uiterlijk 15 juni 2015 als landbouwer of als landbouwbedrijf in het handelsregister van de KvK ingeschreven te staan met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw. Verweerder bepaalt aan de hand van de bij de KvK geregistreerde SBI-code of sprake is van een landbouwactiviteit. Een SBI-code die begint met 011, 012, 013, 014, 015 of 016 wordt gezien als landbouwactiviteit. Uit het handelsregister blijkt dat appellant op 15 juni 2015 niet was ingeschreven bij de KvK met een SBI-code met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw.

3.1

Appellant voert aan dat de ondernemingen [naam 5] en [naam 1] en de vennootschap onder firma reeds jaren bestaan en ook in eerdere jaren toeslagrechten hebben ontvangen. De familie heeft ongeveer 133 ha landbouwgrond in haar bezit en heeft ook al jaren toeslagrechten ontvangen. De afgelopen jaren hebben twee bedrijfsoverdrachten kort na elkaar plaatsgevonden, waarbij de feitelijke bedrijfsuitvoering in die jaren gewoon is voortgezet en er ook altijd een inschrijving in het handelsregister aanwezig was. Appellant is ten onrechte ervan uitgegaan dat de overdracht van zijn onderneming naar de vennootschap onder firma ook bij verweerder bekend zou zijn. De betalingsrechten zijn daardoor niet aan de juiste onderneming en KvK-inschrijving gekoppeld bij verweerder. Teneinde de betalingsrechten alsnog te kunnen ontvangen is de onderneming van appellant en
[naam 5] alsnog op 24 augustus 2015 ingeschreven in het handelsregister. Dit laat echter onverlet dat de familie Meinardi altijd een KvK-inschrijving heeft gehad, nu de vennootschap onder firma op 15 juni 2015 wel in het handelsregister stond ingeschreven.

3.2

Appellant voert voorts aan dat achteraf bezien sprake is van een kennelijke fout, die hersteld moet kunnen worden. De situatie bij appellant is gelijk gebleven aan voorgaande jaren en in die jaren is door appellant steeds om uitbetaling verzocht van toeslagrechten.

3.3

Appellant voert verder aan dat Nederland met het stellen van de voorwaarde van een inschrijving in het handelsregister zoals bepaald in artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling buiten de door Verordening 1307/2013 gegeven kaders is getreden. Op grond van artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013 hebben de lidstaten de vrijheid om ten aanzien van bedrijven van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten nader te bepalen dat zij geen betalingsrechten ontvangen. De bevoegdheid is er alleen ten aanzien van die bedrijven en mag geen betrekking hebben op bedrijven waarvan de landbouwactiviteiten wel een aanzienlijk deel van het totaal uitmaken. Niet ter discussie staat dat appellant uitsluitend opbrengsten uit akker- en tuinbouw heeft, zodat appellant niet valt onder de bedrijven waarop artikel 9, derde lid, aanhef onder a, van Verordening 1307/2013 ziet. De door Nederland gestelde voorwaarde is aldus te verstrekkend en kan dus niet worden gebaseerd op Verordening 1307/2013. Bovendien strekt de voorwaarde niet ertoe de bescherming van de rechten van de landbouwers te garanderen, waar artikel 9, vijfde lid, van Verordening 1307/2013 op wijst.

4. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat appellant op 15 juni 2015 niet stond ingeschreven bij de KvK. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de artikelen 9 en 24 van Verordening 1307/2013 terecht de aanvraag om toekenning van betalingsrechten afgewezen. Dat [naam 3] V.O.F. wel stond ingeschreven bij de KvK maakt de beoordeling niet anders nu appellant een aanvraag heeft ingediend onder relatienummer […] ( [naam 5] en
[naam 1] ). Dat de bedrijfsoverdracht niet goed geregeld is, zoals appellant zelf stelt, komt voor zijn risico. Appellant had ten tijde van de aanvraag moeten controleren of de verschillende bedrijven waren ingeschreven bij de KvK. Appellant heeft wat dat betreft niet op tijd actie ondernomen, terwijl dat wel van hem verwacht mocht worden. Aangezien verweerder in het voortraject diverse keren heeft te kennen gegeven dat landbouwers voor een juiste registratie bij de KvK moesten zorgen, komt het voor rekening en risico van appellant dat hij niet uiterlijk 15 juni 2015 stond ingeschreven. Verweerder verwijst in dit verband naar de nieuwsbrief van augustus 2014, waarin de voorwaarden staan beschreven voor de toekenning van betalingsrechten.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Bij uitspraak van 27 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:314) heeft het College onder 5.2 geoordeeld dat de nationale regelgever met het door hem gestelde vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op
15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister binnen het kader van de aan hem op grond van het hier toepasselijke artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 toegekende bevoegdheid is gebleven. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 het vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister niet in strijd geacht met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Tot slot heeft het College onder 5.5 geoordeeld dat – kort gezegd – geen aanknopingspunt bestaat voor de conclusie dat artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel dat de nationale regelgever niet in redelijkheid tot de vaststelling daarvan heeft kunnen komen, en dat artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling niet onverbindend is.

5.2

Het College volgt appellant op basis van hetgeen is overwogen in de onder 5.1 aangehaalde uitspraak niet in zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven betoog.

5.3

Niet in geschil is dat appellant met de door hem in zijn Gecombineerde opgave 2015 opgegeven onderneming niet op 15 juni 2015 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Zoals het College in zijn onder 5.1 aangehaalde uitspraak onder 5.6 heeft overwogen, sluit het College op zichzelf niet uit dat zich zeer bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de betrokkene op geen enkele manier erop bedacht behoeft te zijn dat zijn inschrijving buiten zijn schuld niet of niet langer correct in het handelsregister voorkomt. Van zodanige omstandigheden is in dit geval geen sprake, reeds omdat appellant zelf op de desbetreffende opgave bij KvK-nummer heeft vermeld “Geen” en voor verweerder louter in dat feit geen aanleiding hoefde te bestaan om aan te nemen dat hier sprake was van een kennelijke fout.

5.4

Voor zover appellant met zijn betoog dat hij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 9 van die verordening en artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling. Nu appellant niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

5.5

De conclusie is dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellant.

5.6

Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellant in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. C.M. Leliveld