Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:314

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/735
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. Inschrijving handelsregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
H.A. Verbakel – van Bommel annotatie in TvAR 2017/5900, UDH:TvAR/14544

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/735

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2017 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] (appellante sub 1), [naam 2] (appellant sub 2) en
[naam 3] (appellante sub 3), te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. C. Hulzebos).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant sub 2 om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 december 2016 hebben appellanten een accountantsverklaring overgelegd.

Bij griffiersbrief van 11 januari 2017 heeft het College aangekondigd wat in ieder geval ter zitting aan de orde zal worden gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellanten sub 2 en 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Vanaf 1 januari 2015 geldt een nieuw wettelijk regime voor de toekenning van steun aan landbouwers zoals vastgelegd in onder meer Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013). Verordening 1307/2013 luidde ten tijde en voor zover van belang:

“(…)

(10) Uit de opgedane ervaring in de toepassing van de diverse steunregelingen voor landbouwers is gebleken dat in sommige gevallen steun is verleend aan natuurlijke of rechtspersonen wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een landbouwactiviteit. Om te zorgen voor een gerichter inzet van de steun dienen de lidstaten voortaan af te zien van rechtstreekse betalingen aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen, tenzij deze kunnen aantonen dat zij in voldoende mate een landbouwactiviteit uitoefenen. De lidstaten dienen tevens de mogelijkheid te hebben om geen rechtstreekse betalingen toe te kennen aan andere natuurlijke of rechtspersonen die nauwelijks een landbouwactiviteit uitoefenen. De lidstaten dienen evenwel rechtstreekse betalingen te kunnen toewijzen aan deeltijdlandbouwers van kleine landbouwbedrijven omdat deze landbouwers rechtstreeks bijdragen tot de vitaliteit van plattelandsgebieden. De lidstaten dienen ook af te zien van rechtstreekse betalingen aan natuurlijke personen of rechtspersonen van wie de landbouwarealen hoofdzakelijk bestaan uit gebieden die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat worden behouden, en die geen bepaalde minimumactiviteit verrichten.

(…)

Artikel 9

Actieve landbouwer

(…)

3. Naast hetgeen bepaald is in de leden 1 en 2, kunnen de lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen:

a) van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten; en/of

b) van wie de voornaamste activiteit of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is.

(…)

Artikel 24
Eerste toewijzing van betalingsrechten
1. Betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers die recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening op voorwaarde dat:
a) zij uiterlijk op de conform artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor het indienen van een aanvraag in 2015 een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling indienen, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden; en

(…)
De lidstaten kunnen betalingsrechten toewijzen aan landbouwers die recht hebben op rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening, die aan de voorwaarde vermeld in de eerste alinea, onder a), voldoen en die

a) (…)

b) (…)

c) (…).

(…)”.

1.2

Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014) luidde ten tijde en voor zover van belang:

“(…)

(13) Overeenkomstig artikel 9, lid 2, en in voorkomend geval artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen landbouwers van steun worden uitgesloten wanneer hun landbouwactiviteiten onaanzienlijk zijn of hun voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is. In dit verband moeten bepaalde criteria worden vastgesteld, terwijl de lidstaten de mogelijkheid moet worden geboden alternatieve criteria vast te stellen voor landbouwactiviteiten die slechts van marginale betekenis zijn.

(…)

Artikel 13 - Criteria op basis waarvan kan worden aangetoond dat landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn en dat het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel de uitoefening van een landbouwactiviteit is

1. (…)

2. Voor de toepassing van artikel 9, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen de lidstaten op basis van de volgende situaties bepalen dat landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel van de totale economische activiteiten van een natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen vormen:

a) het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen maakt minder dan 5 % uit van de totale in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is;

b) het totale bedrag van de in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde inkomsten uit landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is, is lager dan een door de lidstaten vast te stellen drempel en niet hoger dan een derde van het totale bedrag aan inkomsten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan landbouwactiviteiten als onaanzienlijk in de zin van artikel 9, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten worden aangemerkt.

3. Voor de toepassing van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, van artikel 9, lid 3, onder b), van die verordening wordt een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon aangemerkt indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat. Voor natuurlijke personen is een gelijkwaardig bewijsstuk vereist.

Bij gebrek aan dergelijke registers maakt een lidstaat gebruik van een gelijkwaardig bewijsstuk.

In afwijking van de eerste en de tweede alinea kunnen de lidstaten alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in de zin van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, van artikel 9, lid 3, onder b), van die verordening moet worden aangemerkt.

(…)”

1.3

De Uitvoeringsregeling luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

“(…)

Artikel 2.1. Bevoegdheden minister

1. De minister wijst op aanvraag aan de landbouwer betalingsrechten toe overeenkomstig artikel 24 (…) van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

(…)

Artikel 2.3. Actieve landbouwer

(…)

2 Ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2&g=2015-06-15&z=2017-01-02), onder de vermelding van de verkorte omschrijving van een landbouwactiviteit, overeenkomstig artikel 11, onderdeel b, (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=11&g=2015-06-15&z=2017-01-02) of artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van het Handelsregisterbesluit 2008 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=15&g=2015-06-15&z=2017-01-02).

(…)

5 In afwijking van het tweede lid worden voor 2015 geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 juni 2015 zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2&g=2015-06-15&z=2017-01-02), onder de vermelding van de verkorte omschrijving van een landbouwactiviteit, overeenkomstig artikel 11, onderdeel b (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=11&g=2015-06-15&z=2017-01-02), of artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van het Handelsregisterbesluit 2008 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=15&g=2015-06-15&z=2017-01-02).

(…)

Artikel 4.2. Verzamelaanvraag

1 De landbouwer die aanspraak maakt op rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, maakt voor de aanvraag van betalingsrechten alsmede de activering van betalingsrechten en de aanvraag van betalingen gebruik van de verzamelaanvraag.

(…)

4 Bij de verzamelaanvraag legt de landbouwer alle bewijsstukken over die de minister nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag.

(…)

6 In afwijking van het derde lid wordt de verzamelaanvraag in het kalenderjaar 2015 bij de minister ingediend in de periode van 1 april tot en met 15 juni.

(…)”

1.4

In de toelichting op de Uitvoeringsregeling (Stcrt. nr. 36127, 16 december 2014) staat het volgende.

“(…)

2. Actieve landbouwer

In het nieuwe GLB moet worden voorkomen dat steun wordt verleend aan natuurlijke en rechtspersonen van wie het zakelijke doel niet of nauwelijks gericht is op de uitoefening van landbouw. Daarom definieert artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 de actieve landbouwer. (…)

Lidstaten kunnen voorts nader bepalen aan welke eisen een natuurlijke of rechtspersoon moet voldoen om als actieve landbouwer betalingsrechten toegewezen te krijgen. In Nederland geldt dat een landbouwer in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel moet staan ingeschreven met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw. Dit komt overeen met de SBI-codes 011 tot en met 015 van de Kamer van Koophandel. Voor een inschrijving in het Nederlands Handelsregister moet de landbouwer deelnemen aan het economisch verkeer, met het doel winst te realiseren. Voor een inschrijving moet ook voldoende omzet worden gegenereerd. De Kamers van Koophandel hanteren daarbij de vuistregel van minimaal 10.000 euro omzet per jaar. De landbouwer moet zijn inschrijving doorgeven aan de minister. (…)

Artikel 2.3
(…) In het tweede lid wordt voorgeschreven dat landbouwers als onderneming of als rechtspersoon zijn ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, onder vermelding van een landbouwactiviteit. Dit kan een hoofd- of een nevenactiviteit zijn. In de verzamelaanvraag kan de landbouwer de landbouwactiviteit door middel van SBI-codes, gebruikt door de Kamer van Koophandel, aangegeven.
(…)”

In de toelichting op de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van
26 maart 2015, nr. WJZ/15015517, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB in verband met herstel gebreken en omissies (Stcrt. nr. 8489, 30 maart 2015) staat het volgende.

“(…)

Onderdeel C
Artikel I, onderdeel C, wijzigt artikel 2.3 van de uitvoeringsregeling. Door deze wijziging wordt thans in artikel 2.3, tweede lid, van de uitvoeringsregeling verduidelijkt dat de inschrijving in het handelsregister van de landbouwer die in aanmerking wil komen voor rechtstreekse betalingen uiterlijk op 15 mei van het jaar van de aanvraag moet zijn geschied. De uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag voor rechtstreekse betalingen is
15 mei en in artikel 4.2, vierde lid, van de uitvoeringsregeling is reeds geregeld, dat alle bewijsstukken bij de verzamelaanvraag moeten worden overgelegd. Indien de landbouwer zich op een later tijdstip dan 15 mei heeft ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, geldt deze landbouwer voor desbetreffend jaar van aanvraag niet als actieve landbouwer in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en worden aan deze landbouwer derhalve geen betalingsrechten toegekend en geen rechtstreekse betalingen gedaan.

(…)”

In de toelichting op de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van
11 juni 2015, nr. WJZ/15060092, tot wijziging van de Regeling landbouwtelling en Gecombineerde opgave 2015 en de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Stcrt. nr. 16150, 12 juni 2015) staat het volgende.

“(…) De onderhavige wijzigingsregeling wijzigt (…) de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Hiermee is uitvoering gegeven aan de in de uitvoeringsverordening opgenomen bevoegdheid van de lidstaten om in 2015 uitstel te verlenen voor indiening van aanvragen die betrekking hebben op rechtstreekse betalingen en steunregelingen die onderdeel zijn van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s. Dat betekent dat de gecombineerde opgave, waar de verzamelaanvraag inzake aanvraag en activering van betalingsrechten onderdeel van uitmaakt, (…), uiterlijk op 15 juni 2015 bij de Minister van Economische Zaken moet zijn ingediend in plaats van uiterlijk op 15 mei 2015 (…). In verband met deze nieuwe indieningsdatum is er voor gekozen tevens de datum waarop landbouwers of landbouwondernemingen moeten zijn ingeschreven in het handelsregister (om in 2015 in aanmerking te kunnen komen voor toekenning van rechtstreekse betalingen) op 15 juni te stellen (Artikel II, onderdeel A).(…)”

1.5

Appellant sub 2 heeft onder het relatienummer [… 1] dat behoort tot zijn eenmanszaak op 13 juni 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend. In het onderdeel “Regelingen” heeft hij aangekruist in aanmerking te willen komen voor toekenning van betalingsrechten. Op die opgave is als KvK-nummer vermeld [… 2] .

1.6

Appellant sub 2 stond op 15 juni 2015 niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). De KvK heeft de inschrijving in het handelsregister van appellant sub 2 als eenmanszaak met KvK-nummer [… 2] op 13 mei 2015 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.

1.7

Appellante sub 1 stond op 15 juni 2015 niet ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Zij staat sinds 2 juli 2015 ingeschreven in het handelsregister met KvK-nummer [… 3] .

1.8

In de op 25 juni 2015 getekende akte van vennootschap onder firma, waarin de overige en aanvullende bepalingen zijn vastgelegd waaronder de vennootschap onder firma is aangegaan, is opgenomen dat appellante sub 1 tot en met 31 december 2011 een veehouderij exploiteerde en dat appellanten sub 2 en 3 hebben besloten met ingang van 1 januari 2012 deze veehouderij in de vorm van een vennootschap onder firma voor gezamenlijke rekening en risico uit te oefenen.

1.9

Op 27 november 2015 hebben appellanten sub 2 en 3 met het daartoe bestemde formulier een melding gedaan bij verweerder dat het bedrijf van appellant sub 2 per
2 juli 2015 is overgedragen aan appellante sub 1.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om toekenning van betalingsrechten afgewezen omdat appellant sub 2 niet op 15 juni 2015 als agrarisch ondernemer bij de KvK stond geregistreerd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft uiteengezet dat appellant sub 2 in 2015 geen actieve landbouwer was. In het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan natuurlijke en rechtspersonen van wie het zakelijk doel niet of nauwelijks gericht is op de uitoefening van landbouw. Om toegang te krijgen tot het GLB moest de aanvrager daarom in 2015 actief landbouwer zijn in de zin van artikel 9 van Verordening 1307/2013. In Nederland is deze eis verder ingevuld met de verplichting om uiterlijk 15 juni 2015 als landbouwer of als landbouwbedrijf in het handelsregister van de KvK ingeschreven te staan met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw. Verweerder bepaalt aan de hand van de bij de KvK geregistreerde SBI-code of sprake is van een landbouwactiviteit. Een SBI-code die begint met 011, 012, 013, 014, 015 of 016 wordt gezien als landbouwactiviteit. Uit het handelsregister en de aanvullende stukken blijkt niet dat appellant sub 2 uiterlijk op 15 juni 2015 was ingeschreven bij de KvK met een SBI-code met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw. Voorts heeft de inschrijving van appellante sub 1 in het handelsregister van de KvK pas plaatsgevonden op 2 juli 2015.

3.1

Appellanten voeren aan dat de eenmanszaak al sinds 1998 bestaat. Op het bedrijf zijn nu 80 runderen aanwezig, waarvan 50 melkkoeien. De totale bedrijfsoppervlakte beslaat 24,08 ha. Hiervan is 23,11 ha grasland waarvoor betalingsrechten en vergroeningsbetaling is aangevraagd. De koeien hebben weidegang. Het bedrijf maakt ook sinds jaar en dag gebruik van derogatie, die inmiddels ook is toegekend. Dit geldt ook voor het jaar 2015. Appellanten stellen daarom dat appellant sub 2 sinds jaar en dag een actieve landbouwer is. Zijn eenmanszaak heeft hij samen met appellante sub 3 sinds kort voortgezet als een vennootschap onder firma.

3.2

Appellanten benadrukken dat het doel van zowel artikel 9 van Verordening 1307/2013 als de Uitvoeringsregeling is om duidelijkheid te verschaffen wanneer een aanvrager aangemerkt kan worden als actief landbouwer en daarmee in aanmerking komt voor steun. Het gaat erom dat de steun wordt verleend aan natuurlijke en rechtspersonen van wie het zakelijke doel gericht is op de uitoefening van de landbouw. Appellanten voldoen aan de definitie van actieve landbouwer. Ter zitting van het College hebben appellanten hieraan toegevoegd dat appellant sub 2 zowel wat betreft het ondernemingsdoel als wat betreft het inkomen voldoet aan de vereisten van artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013. Het in de Uitvoeringsregeling opgenomen formele criterium van inschrijving in het handelsregister van de KvK bewijst niet een actief landbouwerschap en is in strijd met de bedoeling van dit materiële criterium in Verordening 1307/2013.

3.3

Appellanten voeren voorts aan dat de actieve landbouwer ten tijde van de aanvraag appellant sub 2 was. Anders dan vermeld in het bezwaarschrift hebben appellanten niet verzuimd om de vennootschap onder firma in te schrijven bij de KvK. De eenmanszaak van appellant sub 2 was nog actief landbouwer ten tijde van de indiening van de Gecombineerde opgave op 15 juni 2015. Er bestond op dat moment nog slechts een verkorte akte van oprichting. De eenmanszaak is voortgezet totdat de volledige akte van oprichting van de vennootschap onder firma klaar was. Appellant sub 2 twijfelde er ook niet aan of hij actief landbouwer was. Hij stond immers ook volgens het formulier Gecombineerde opgave bij verweerder bekend onder KvK-nummer [… 2] . Ook heeft hij in januari 2015 nog een belastingaangifte gedaan voor de eenmanszaak over het laatste kwartaal van 2014. In april 2015 heeft hij belastingaangifte gedaan voor het eerste kwartaal van 2015 op het BTW-nummer van de vennootschap onder firma. Dit laatste heeft te maken met het feit dat de Belastingdienst uit zichzelf een nieuw BTW-nummer heeft toegekend, zonder dat hiervoor een reden was. Op 13 februari 2015 heeft appellant sub 2 derogatie aangevraagd.

3.4

Appellanten hebben tot slot aangevoerd dat zij niet opzettelijk of verwijtbaar hebben gehandeld bij de uitschrijving van de eenmanszaak door de KvK. Inschrijving in het handelsregister van de KvK is gekoppeld aan de Belastingdienst. Door deze automatische samenwerking verstrekt de Belastingdienst een BTW-nummer aan de onderneming die zich inschrijft bij de KvK. De Belastingdienst heeft het initiatief genomen om een nieuw BTW-nummer toe te kennen, terwijl appellanten hier niet om hadden verzocht en dit ook niet nodig was. Immers, ook de aangifte over het vierde kwartaal 2014 is op het BTW-nummer van de eenmanszaak gebeurd. De uitschrijving door de KvK die hierop volgde is onjuist, immers over geheel 2014 was de eenmanszaak actief. Deze administratieve dwaling mag niet voor rekening en risico van appellanten komen.

4. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat noch de eenmanszaak, noch de vennootschap onder firma op 15 juni 2015 stond ingeschreven bij de KvK. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de artikelen 9 en 24 van Verordening 1307/2013 terecht de aanvraag om toekenning van betalingsrechten afgewezen. Dat appellante feitelijk mogelijk wel actieve landbouwer was, maakt dit niet anders. Nederland heeft immers heel bewust gekozen voor een objectief en niet discriminerend criterium om te bepalen aan welke eisen een landbouwer moet voldoen om als actieve landbouwer te worden aangemerkt. Dit gekozen criterium, inschrijving uiterlijk
15 juni 2015 in het handelsregister van de KvK, is voor alle landbouwers in Nederland gelijk. Verweerder kan hierop geen uitzonderingen maken, omdat dit in strijd met de rechtsgelijkheid zou zijn. Dat appellanten de eenmanszaak niet opzettelijk hebben uitgeschreven bij de KvK is hier niet van belang. Appellanten hebben niet tijdig actie ondernomen, terwijl dit van hen wel verwacht mocht worden. Zowel appellanten als hun gemachtigde zijn immers op de hoogte gesteld van het nieuwe BTW-nummer dat gekoppeld is aan de vennootschap onder firma. Het had op de weg van appellanten gelegen om ten tijde van de Gecombineerde opgave 2015 te controleren of de wijzigingen gevolgen hadden voor de inschrijving in het handelsregister. Wanneer zij dat hadden gedaan dan zouden zij hebben geconstateerd dat de eenmanszaak was uitgeschreven. Aangezien verweerder in het voortraject diverse keren heeft te kennen gegeven dat landbouwers voor een juiste registratie bij de KvK moesten zorgen, komt het voor rekening en risico van appellanten dat zij niet uiterlijk 15 juni 2015 stonden ingeschreven. Verweerder heeft in dit verband gewezen op pagina 4 van de door hem overgelegde nieuwsbrief van augustus 2014, waarin de voorwaarden voor toekenning van betalingsrechten 2015 staan beschreven. Voorts heeft verweerder ter zitting betoogd dat appellanten actie (nieuwe inschrijving in het handelsregister) hadden moeten ondernemen na ontvangst van het bericht van de KvK over de uitschrijving van de eenmanszaak.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

De Uniewetgever heeft de lidstaten op grond van artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 de bevoegdheid toegekend om op basis van objectieve en niet discriminerende criteria te besluiten dat geen rechtstreekse betalingen en dus ook geen betalingsrechten worden toegekend aan (rechts)personen van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten (onderdeel a van die bepaling) en/of van wie de voornaamste activiteit of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is (onderdeel b van die bepaling). De nationale regelgever heeft aan zowel onderdeel a als onderdeel b van artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 uitvoering gegeven door in artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling te bepalen dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op
15 juni 2015 zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Teneinde aan te tonen dat zijn landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn en/of dat zijn voornaamste activiteit of ondernemingsdoel de uitoefening van een landbouwactiviteit is en hij aldus als actieve landbouwer moet worden aangemerkt, dient de landbouwer of diens onderneming dus op
15 juni 2015 – de uiterste datum van indiening van de Gecombineerde opgave – te zijn ingeschreven in het handelsregister van de KvK.

5.2

Het College is van oordeel dat de nationale regelgever met het door hem gestelde vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister van de KvK binnen het kader van de aan hem op grond van artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 toegekende bevoegdheid is gebleven. Uit deze bepaling, zoals ook volgt uit punt 10 van de considerans van die verordening, leidt het College af dat de doelstelling van die bepaling is de lidstaten de mogelijkheid te bieden om te komen tot een gerichter inzet van steun door (rechts)personen die nauwelijks een landbouwactiviteit uitoefenen en/of wier zakelijk doel nauwelijks is gericht op landbouwactiviteiten uit te sluiten van steunverlening. Daarmee is in lijn een nationale regeling die van een landbouwer die voor steunverlening in aanmerking wil komen verlangt aan te tonen dat zijn landbouwactiviteiten niet een onaanzienlijk deel van zijn totale economische activiteiten vormen en/of dat zijn voornaamste activiteit of ondernemingsdoel de uitoefening van een landbouwactiviteit is. In de toelichting op de Uitvoeringsregeling staat dat voor een inschrijving in het handelsregister voldoende omzet moet worden gegenereerd waarbij de KvK de vuistregel hanteert van minimaal € 10.000,- per jaar. Het College begrijpt dat als aan deze vuistregel wordt voldaan en de inschrijving in het handelsregister plaatsvindt, de landbouwactiviteiten van de ingeschreven onderneming dus niet een onaanzienlijk deel van zijn totale economische activiteiten vormen. Daarbij is van belang dat in het handelsregister tevens een vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit dient te worden opgenomen. Eén en ander sluit aan bij het bepaalde in artikel 13 van Verordening 639/2014, waarvan het tweede lid bepaalt dat lidstaten alternatieve criteria kunnen vaststellen op basis waarvan landbouwactiviteiten als onaanzienlijk in de zin van artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013 moeten worden aangemerkt, terwijl het derde lid van artikel 13 van Verordening 639/2014 de inschrijving in het handelsregister uitdrukkelijk als bewijs noemt voor het aantonen dat de landbouwactiviteit het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is.

5.3

Voorts acht het College het vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister van de KvK niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De datum waarop de landbouwer ingeschreven moet staan in het handelsregister valt samen met de uiterste datum voor de indiening van de aanvraag om toekenning van betalingsrechten (artikel 4.2, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling), omdat de beoordeling van de vraag of de landbouwer een actieve landbouwer is onderdeel uitmaakt van de door verweerder te verrichten toets van de aanvraag om toekenning van betalingsrechten (vergelijk de uitspraak van het College van 26 april 2017, ECLI:NL:CBB:2017:132, r.o. 4.2). Het doel van het stellen van deze uiterste termijn is erin gelegen dat lidstaten in staat worden gesteld die betalingsrechten tijdig vast te stellen, aan de hand waarvan met ingang van 2015 jaarlijks steun kan worden verleend aan de landbouwer (zie de uitspraak van het College van
6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68, r.o. 11.3). Hoewel het gevolg van het door de nationale regelgever gestelde vereiste is dat de landbouwer geen betalingsrechten worden toegekend indien de landbouwer zich later dan 15 juni 2015 heeft ingeschreven in het handelsregister, ziet het College geen aanknopingspunt voor het oordeel dat dit gevolg niet in een redelijke verhouding met het hiervoor weergegeven doel zou staan. Hierbij neemt het College in aanmerking dat Verordening 1307/2013 op 20 december 2013 in werking is getreden en dat vanaf 1 januari 2015 het onder meer in deze verordening neergelegde nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers geldt. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had, bestond aldus voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden (zie de uitspraak van het College van 9 maart 2017, hiervoor aangehaald, r.o. 11.3). In zijn nieuwsbrief van augustus 2014 heeft verweerder voorts erop gewezen dat een van de voorwaarden voor toekenning van betalingsrechten is dat het bedrijf met een agrarische activiteit moet staan ingeschreven bij de KvK. Het voldoen aan deze voorwaarde is op zich zelf niet, althans weinig belastend voor een landbouwer, omdat voor ondernemingen al de verplichting bestaat om ingeschreven te staan in het handelsregister. Bovendien is het voor de landbouwer eenvoudig te controleren of hij in het handelsregister staat ingeschreven en aldus voldoet aan die voorwaarde, terwijl het voor hem, in het geval hij constateert dat hij niet staat ingeschreven, tamelijk eenvoudig is om zich tijdig in het handelsregister in te schrijven en alsnog aan de voorwaarde te voldoen.

5.4

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet het College gelet, op het onder 5 tot en met 5.3 overwogene, geen grond voor tot het stellen van prejudiciële vragen nopende twijfel over de verenigbaarheid van artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling met het Unierecht.

5.5

Het College is voorts van oordeel dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd, gezien het voorgaande, geen aanknopingspunt biedt voor de conclusie dat artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel dat de nationale regelgever, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van het tot stand brengen van deze bepaling bekend waren of bekend konden zijn, waaronder de eis om ordelijk en snel een groot aantal aanvragen te kunnen behandelen, niet in redelijkheid tot de vaststelling daarvan heeft kunnen komen. Artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling is dus niet onverbindend.

5.6

Niet in geschil is dat appellant sub 2 met de door hem in zijn Gecombineerde opgave 2015 opgegeven eenmanszaak niet op 15 juni 2015 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Met betrekking tot het door appellanten aangevoerde argument dat het College zo verstaat dat zij niet bedacht hoefden te zijn op een door de KvK gepleegde ambtshalve doorhaling van die inschrijving overweegt het College als volgt. Het College sluit op zich zelf niet uit dat zich zeer bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de betrokkene op geen enkele manier erop bedacht behoeft te zijn dat zijn inschrijving buiten zijn schuld niet of niet langer correct in het handelsregister voor komt. Van zodanige omstandigheden zal doorgaans geen sprake zijn wanneer betrokkene zich, zoals hier, in een periode bevindt waarin verandering van de rechtsvorm waarin de landbouwactiviteiten worden of werden verricht aan de orde is en rekening moet worden gehouden met de kans dat door een daarbij betrokken overheidsinstantie handelingen worden verricht die uiteindelijk repercussies hebben voor die inschrijving. In die, kortweg, administratief complexe, omstandigheden rust op de betrokkene als professionele marktdeelnemer de plicht om zich tijdig ervan te vergewissen dat hij nog steeds op de door hem verkieslijk geachte wijze in het handelsregister is ingeschreven. Bij het nakomen van die verplichting zijn appellanten, geplaatst tegen de achtergrond van het hiervoor onder 3.3 en 3.4 vermelde, tekortgeschoten. Indien zij zich wel tijdig voorafgaand aan het doen van de Gecombineerde opgave 2015 hadden vergewist of de eenmanszaak nog in het handelsregister was ingeschreven, dan zouden zij hebben geconstateerd dat de inschrijving van de eenmanszaak was doorgehaald en hadden zij nog de gelegenheid gehad ervoor zorg te dragen dat de eenmanszaak op 15 juni 2015 stond ingeschreven in het handelsregister. Daar komt in dit geval nog bij dat appellanten, naar zij ter zitting hebben verklaard, op 13 of 14 mei 2015 van de KvK bericht hebben ontvangen van de ambtshalve doorhaling van de inschrijving van de eenmanszaak in het handelsregister, maar dat zij tegen die doorhaling geen bezwaar hebben gemaakt en dat zij het bericht van de KvK niet voldoende op waarde hebben geschat. Dat de inschrijving van de eenmanszaak in het handelsregister op 15 juni 2015 ambtshalve was doorgehaald, moet daarom voor rekening en risico van appellanten blijven.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. C.M. Leliveld