Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:306

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16/200
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Randvoorwaardenkorting. Opzettelijke niet-naleving randvoorwaarde. Gebrekkige instructies aan en gebrekkig toezicht op loonwerker (toerekening).

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Wetsverwijzingen
Besluit gebruik meststoffen
Besluit gebruik meststoffen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/206 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/200

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. O.A. Huisman),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 20% op de aan appellante over 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 15 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Appellante is verschenen in de persoon van [naam 2] ( [naam 2] ), bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam 3] en [naam 4] , inspecteurs bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft voor 2015 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd.

1.2

Op 13 maart 2015 is een perceel niet-beteeld bouwland dat appellante in de Gecombineerde opgave 2015 heeft opgegeven door een inspecteur van de NVWA gecontroleerd. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in twee door de verbalisant op ambtseed opgemaakte en ondertekende processen-verbaal (de processen-verbaal), alsmede een niet ondertekend inspectieverslag MSW BGM Uitrijdbepalingen meststoffen, gedateerd 17 maart 2015 (het NVWA-rapport). De processen-verbaal vermelden als overtreding het niet emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op bouwland. In de bij de processen-verbaal opgenomen verklaring van de inspecteur is nog opgenomen dat er naast de twee mestverspreiders geen andere machine aanwezig was die de vaste mest kon onderwerken, dat [naam 2] heeft verklaard dat hij loonbedrijf [naam 5] opdracht had gegeven om de vaste mest te verspreiden op het perceel en dat de kraanmachinist in dienst van [naam 5] de vaste mest die al op het perceel lag moest verspreiden en dat [naam 2] – die er al had moeten zijn – de mest zou onderwerken.

1.3

In een bij de processen-verbaal gevoegde verklaring van [naam 2] is opgenomen:

“Ik pacht het perceel (…). De vaste mest die op het perceel ligt is afkomstig van koeien boer [naam 6] (…). Ik krijg deze mest er voor niets neergelegd. [naam 6] heeft verder afspraken met loonbedrijf [naam 5] gemaakt. De vaste mest ligt al een tijdje op het veld om uitgereden te worden. [naam 6] heeft opdracht gegeven aan loonbedrijf [naam 5] om deze mest te verspreiden. De medewerkers van [naam 5] moesten het uitrijden en dan zouden wij het onderwerken. Afspraak met [naam 5] gemaakt, dat hij zou bellen wanneer hij zou beginnen met het verspreiden van de vaste mest op het perceel. (…) Ik wist niet dat het uitrijden van vaste mest in de daarop volgende werkgang moet geschieden. Mijn zoon wilde direct als wij terug waren van de notaris naar het perceel gaan om het onder te werken met de cultivator. (…) Als wij niet naar de notaris moesten, was mijn zoon al op het perceel aanwezig geweest en al begonnen met het onderwerken.”

[naam 5] (de loonwerker) heeft blijkens een eveneens bij de processen-verbaal gevoegde verklaring als volgt verklaard:

“Ik heb opdracht gekregen van [naam 6] om vaste mest te verspreiden op de door [naam 2] aangewezen percelen. (…) De afspraak was dat [naam 2] zou onderwerken. Afspraak is al eerder gemaakt, dat op vrijdag 13 maart 2015 ’s morgens direct als eerste hier vaste mest zou worden uitgereden. Dit heb ik met [naam 6] zo afgesproken. (…) Ik ga er dan ook normaliter vanuit, dat er direct ondergewerkt zou worden. Het onderwerken van de vaste mest valt niet onder de afspraken die ik met [naam 6] gemaakt heb. Mijn taak is louter en alleen het verspreiden van de vaste mest.”

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van de bevindingen bij de controle een randvoorwaardenkorting van 20% vastgesteld voor de niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (het Besluit) die verplicht tot het emissiearm aanwenden van dierlijke mest. Verweerder heeft hierbij geoordeeld dat er sprake is van opzettelijk handelen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Appellante betwist niet de niet-naleving van artikel 5, eerste lid, van het Besluit. Deze niet-naleving door de loonwerker wordt aan appellante toegerekend. Appellante heeft niet de juiste loonwerker gekozen, dan wel de loonwerker onvoldoende geïnstrueerd of onvoldoende toezicht gehouden. Er is sprake van een opzettelijke niet-naleving. Appellante heeft ervoor gekozen om eerst naar de notaris te gaan en vervolgens pas de mest onder te werken. Appellante heeft daarmee bewust het risico aanvaard dat de mest niet in een direct opvolgende werkgang zou worden ondergewerkt.

3.1

Op grond van artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013), dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 1306/2013 verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen. Deze tot de randvoorwaarden behorende beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Regeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Besluit. Laatstgenoemde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder n, van en bijlage I, punt 3, onder b, bij het Besluit houdt in dat mest in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen op het grondoppervlak wordt gebracht en ondergewerkt, en wel op zodanige wijze dat de mest direct nadat deze op het grondoppervlak is aangebracht ofwel in de grond wordt gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met als gevolg dat de mest als zodanig niet meer zichtbaar op het grondoppervlak ligt. Niet in geschil is dat deze randvoorwaarde niet is nageleefd.

3.2

Appellante voert primair aan dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat dierlijke mest niet emissiearm is verwerkt. Het is immers niet zij maar de door een ander ingeschakelde professionele loonwerker die de randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Subsidiair betoogt zij dat de randvoorwaardenkorting ten onrechte op 20% is vastgesteld aangezien er geen sprake is van opzet.

3.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de randvoorwaardenkorting terecht op 20% is vastgesteld. De niet-naleving kon ontstaan doordat appellante niet op de hoogte was van de geldende regelgeving en zij het maken van de afspraken over het uitrijden van de mest heeft overgelaten aan een derde, zonder zelf op de hoogte te zijn van de inhoud van de tussen de derde en de loonwerker gemaakte afspraken. Hierdoor heeft appellante welbewust het risico op de koop toe genomen dat op de door haar beheerde en als subsidiabel opgegeven landbouwgrond overtredingen konden plaatsvinden.

3.4

Ter beoordeling staat of sprake is van een opzettelijke niet-naleving van vorengenoemde randvoorwaarde. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2014, nr. C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:98) is van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden sprake indien de steunontvanger zich op een bepaalde wijze gedraagt waardoor hij een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden tracht te bewerkstelligen, ofwel, zonder dat hij dit doel voor ogen heeft, de mogelijkheid dat die niet-overeenstemming zich voordoet, aanvaardt. Voorts kan, wanneer de overtreding door een derde is begaan die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze laatste aansprakelijk worden gesteld voor die overtreding indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. Het feit dat appellante de organisatie en uitvoering van de werkzaamheden geheel aan [naam 6] respectievelijk de door [naam 6] ingeschakelde loonwerker heeft overgelaten, ontslaat haar dus niet van de aansprakelijkheid voor het naleven van de randvoorwaarden op het perceel waarvoor zij rechtstreekse betalingen heeft aangevraagd. Wanneer de steunontvanger de inschakeling van de loonwerker aan een derde overlaat, kan naar het oordeel van het College in het algemeen van de steunontvanger worden verwacht dat hij zich ervan vergewist dat de door de derde aan de loonwerker gegeven instructies ertoe leiden dat de mest op een juiste wijze wordt verwerkt. Gezien de verklaring van appellante dat zij de regelgeving op het gebied van het emissiearm verwerken van dierlijke mest niet kent en ook niet op de hoogte was van de tussen de opdrachtgever van de loonwerker en de loonwerker gemaakte afspraken, wist appellante niet welke instructies de loonwerker had ten aanzien van het uitrijden van mest en dus ook niet of die instructies ertoe zouden leiden dat de mest op een juiste wijze werd verwerkt. Niet gebleken is voorts dat appellante bij het geven van haar toestemming voor het uitrijden van de mest met [naam 6] , dan wel de loonwerker, zelf afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de mest moest worden uitgereden. Daar komt bij dat appellante vanwege haar eigen afwezigheid ook geen toezicht kon houden op de wijze waarop de loonwerker de mest op het door haar beheerde perceel verwerkte. Door aldus te handelen heeft appellante naar het oordeel van het College bewust de mogelijkheid aanvaard dat op het perceel overtredingen plaatsvonden en kan haar een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden worden aangerekend. Dat betekent dat zowel het primaire als het subsidiaire betoog van appellante faalt.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. R.R. Winter en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.J. Boon