Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:304

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2011. Al dan niet subsidiabele landbouwgrond. Herberekening perceelsoppervlakte op basis van luchtfoto's. Korting wegens teveel opgegeven oppervlakte. Grond waarop Pitrus en ruigte aanwezig zijn is geen landbouwgrond. Appellant zelf verantwoordelijk voor doen van juiste opgave.

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/689

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2011 gewijzigd vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling).

Bij besluit van 24 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellant ingediende bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van verweerder heeft zich laten bijstaan door [naam 2] .

Overwegingen

1. Appellant heeft met zijn Gecombineerde opgave 2011 van 16 mei 2011, zoals gewijzigd op 21 mei 2011, uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 46 percelen met een totale oppervlakte van 71,09 hectare opgegeven. Bij besluit van 15 december 2011 heeft verweerder op de aanvraag beslist en appellants bedrijfstoeslag vastgesteld op € 134.712,80.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidiabele oppervlakte van enkele door appellant voor bedrijfstoeslag opgegeven percelen kleiner vastgesteld, de bedrijfstoeslag herberekend en deze, na aftrek van € 4.592,89 en een korting van twee maal dit bedrag van € 9.185.95, gewijzigd vastgesteld op € 123.548,09. In het bestreden besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag naar aanleiding van het bezwaar vastgesteld op
€ 124.120,64 en voor het overige het primaire besluit gehandhaafd.

3. Het primaire besluit is genomen na 1 januari 2015. De Regeling is, evenals de Verordeningen (EG) nrs. 73/2009, 1120/2009 en 1122/2009 waaraan zij uitvoering geeft, per die datum vervallen. Voor de Regeling is per 1 januari 2015 in de plaats gekomen de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Naar het oordeel van het College volgt uit deze overgangsrechtelijke bepaling dat de Regeling van toepassing blijft op de besluiten tot het vaststellen van bedrijfstoeslag die zijn genomen op voor 1 januari 2015 ingediende aanvragen voor bedrijfstoeslag. Het College ziet voor dit oordeel steun in de overgangsrechtelijke bepalingen uit de Verordeningen die in de plaats zijn gekomen van de Verordeningen (EG) nrs. 73/2009, 1120/2009 en 1122/2009, te weten Verordening (EU) nr. 1307/2013 (artikel 72, tweede lid) en de Gedelegeerde Verordeningen (EU) nrs. 639/2014 (artikel 78) en 640/2014 (artikel 43, aanhef en onder a). Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

4.1

Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte de oppervlaktes van de percelen 10, 11, 42 en 54 kleiner heeft vastgesteld en dat verweerder dat niet deugdelijk heeft onderbouwd. Appellant stelt dat voor de vraag of er sprake is van subsidiabele landbouwgrond niet bepalend is (zoals verweerder in het bestreden besluit aanvoert) of het perceel overwegend bedekt is met pitrus of ruigte, maar dat het erom gaat of er ondanks de ongedefinieerde hoeveelheid pitrus of ruigte voldoende landbouwactiviteiten plaatsvonden. Over perceel 10 stelt appellant dat de delen van dit perceel aan de noord- en oostzijde onder de boomkruinen ten onrechte zijn afgekeurd, omdat ook die perceelsdelen tijdens het weiden door het vee worden gebruikt. Over perceel 11 stelt appellant dat dit niet de beste landbouwgrond is, maar dat bij 60% van het afgekeurde zuidelijke deel overwegend sprake is van gras, dat er sporen van bewerking zichtbaar zijn en dat er schapen worden geweid. Over perceel 42 stelt appellant dat het afgekeurde westelijke deel niet het beste stuk landbouwgrond is, maar dat dit westelijke deel in 2011 wel landbouwkundig in gebruik was. Over perceel 54 stelt appellant dat het noordelijkste stuk ten onrechte is afgekeurd, omdat op dat deel geen balen staan.

4.2

Appellant voert verder aan dat verweerder geen korting mag toepassen in verband met het achteraf wijzigen van de perceelsoppervlaktes. Appellant heeft zijn aanvraag om bedrijfstoeslag op de door verweerder beschikbaar gestelde informatie gebaseerd. Bij het invullen van de Gecombineerde opgave is hij afhankelijk van het kaartmateriaal van RVO, de kadastrale oppervlaktes en de digitale omgeving. Als achteraf blijkt dat deze informatie onjuist is, dan is het opleggen van een korting onrechtmatig. Verweerder maakt appellant volledig afhankelijk van de oppervlaktebepalingen van verweerder door externe meetgegevens niet over te nemen, maar op basis van de gps-punten een eigen oppervlaktebepaling te doen. De huidige hulpmiddelen die verweerder hanteert bij zijn controle maken het doen van veel gedetailleerdere aanvragen mogelijk dan de applicatie die appellant in 2011 ter beschikking stond. Daarnaast stelt appellant dat de huidige situatie qua gebruik niet meer vergelijkbaar is met de situatie in 2011, waardoor hij met een onmogelijk bewijsprobleem is opgezadeld.

4.3

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1

Appellants stelling dat pitrus of ruigte er niet aan in de weg staan om zijn percelen als subsidiabele landbouwgrond aan te merken is onjuist. Om voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te komen, moet de grond niet alleen voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, maar ook landbouwgrond zijn (artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 73/2009). Dat er dieren op de afgekeurde stukken grond lopen, is dan ook niet voldoende om voor subsidie in aanmerking te komen. Landbouwgrond is grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen (artikel 2, aanhef en onder h, van Verordening 73/2009). Pitrus en ruigte vallen niet onder de definitie van blijvend grasland of (natuurlijk) grasland als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van Verordening 1120/2009 (zie de uitspraken van het College van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:375) en van 9 augustus 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:247). Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.2

Het College overweegt voorts dat verweerder bij de beoordeling van de grootte van de perceelsoppervlaktes mocht uitgaan van de luchtfoto’s uit 2011, nu deze foto’s in het ter beoordeling staande jaar zijn genomen. Gelet op deze luchtfoto’s en de toelichting die daarbij in het bestreden besluit en naderhand ter zitting is gegeven, heeft verweerder de oppervlaktes van de percelen 10, 11, 42 en 54 terecht kleiner vastgesteld dan in het besluit van 15 december 2011. De argumenten die appellant hiertegen in beroep heeft ingebracht geven geen aanleiding te twijfelen aan de door verweerder toegepaste correctie van de oppervlaktes van deze percelen en de deugdelijkheid van de onderbouwing daarvan nu, zoals onder 5.1 reeds is overwogen, de betrokken grond om voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te komen niet alleen voor landbouwactiviteiten dient te worden gebruikt, maar ook landbouwgrond dient te zijn, aan welk vereiste in het onderhavige geval niet is voldaan.

5.3

Met betrekking tot het bewijsprobleem dat appellant stelt te hebben nu verweerder pas in 2015 de door appellant in 2011 opgegeven perceelsoppervlaktes wijzigt, overweegt het College als volgt. Zoals verweerder terecht stelt, is het de verantwoordelijkheid van appellant om de perceelsgrenzen op de juiste wijze in te tekenen bij de aanvraag. Op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening nr. 1122/2009 is appellant gehouden om de voorgedrukte informatie in de Gecombineerde opgave te corrigeren als zich wijzigingen hebben voorgedaan of als de informatie onjuist is. Dat er kleine variaties zijn in de metingen van oppervlaktes van percelen in opvolgende jaren maakt het voorgaande niet anders, nu de aanvraag om bedrijfstoeslag per jaar wordt beoordeeld en niet in alle gevallen vergelijkbaar is. Tegen deze achtergrond bezien bestaat er geen grond om te mogen afzien van het opleggen van een korting.

6. Het voorgaande brengt mee dat het beroep ongegrond is.

7.1

Het College stelt – ambtshalve – vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 7 april 2015. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 27 juli 2017 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met bijna vier maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

7.2

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellant recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

7.3

Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd.

7.4

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de minister van Veiligheid en Justitie veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellant (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.2).

8. Het College ziet hierin tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Veiligheid en Justitie te veroordelen in de door appellant in beroep gemaakte proceskosten (vergelijk genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 0,5). Het College vindt evenals de Hoge Raad aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht) (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

9. Tot slot zal het College de minister van Veiligheid en Justitie opdragen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,- aan appellant te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;

- veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 495,-;

- draagt de minister van Veiligheid en Justitie op het betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,- aan appellant te vergoeden;

- wijst af hetgeen appellant meer of anders heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.B. van Zantvoort