Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:301

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
16/283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jonge Landbouwers 2011. Investering in een nieuwe onroerende zaak. Berekening van subsidievaststelling en opleggen korting. Sloopkosten bestaand gebouw niet subsidiabel. Verordening 65/2011; bewijsstukken van de betaling of stukken met een vergelijkbare bewijskracht bij contante betaling.

Regeling LNV-subsidies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/283

27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ing. J. Steenbergen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van appellant in het kader van de Regeling LNV-subsidies, module Jonge Landbouwers 2011 (de Regeling), vastgesteld op € 5.169,46.

Bij besluit van 4 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 10 februari 2012 (verleningsbesluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor de subsidie Jonge Landbouwers 2011 voor de investering in een potstal voor vlees- en weidevee, een berging voor opslag van machines en een kapschuur met veeplaatsen goedgekeurd en voor maximaal € 25.000,- subsidie verleend.

1.2

Appellant heeft verweerder op 16 december 2014 verzocht de subsidie vast te stellen (vaststellingsverzoek).

1.3

Op 29 juni 2015 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onderzoek verricht op het bedrijf van appellant. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in een rapport gedateerd 1 juli 2015 (NVWA-rapport). In het NVWA-rapport is onder meer opgenomen:

“Dhr. [naam] heeft voor € 12.906,48 aan investeringen contant betaald.

Hiervan zijn geen boekingen opgenomen in het grootboek en er is ook geen kasboek bijgehouden. (…)

Voor de sloop van de oude veeschuur en het afvoeren van puin en asbest is € 16.639,18 geïnvesteerd. Deze sloop was nodig om de nieuwe schuur te kunnen realiseren.”

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie berekend op € 14.759,23, een verlaging van € 9.589,77 opgelegd en aldus de subsidie vastgesteld op € 5.169,46.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, met verbetering van de motivering, gehandhaafd. Er wordt geen subsidie verleend voor kosten die verband houden met het slopen van bestaande gebouwen. Appellant heeft voor contante betalingen van facturen geen met bankafschriften vergelijkbare betalingsbewijzen overgelegd. De verlaging is opgelegd vanwege de afwijking tussen de in het vaststellingsverzoek opgegeven kosten en de gehonoreerde subsidiabele kosten. Appellant heeft niet aangetoond dat de aanvraag buiten zijn schuld onjuist is.

3. Appellant komt op tegen de berekening van de subsidie en de opgelegde verlaging en voert daartoe samengevat het volgende aan. Ten eerste zijn de kosten voor de sloop van de bestaande gebouwen ten onrechte niet meegenomen in de berekening. Die kosten zijn subsidiabel omdat de sloop een essentieel onderdeel van de investering is. De nieuwe gebouwen konden zonder sloop van de bestaande immers niet worden gerealiseerd.

Verweerder verlangt in de tweede plaats voor de kosten die contant zijn betaald ten onrechte betalingsbewijzen. Het was de bedoeling om het project in zijn geheel uit te besteden aan een aannemer. Vanwege financieringsproblemen is ervoor gekozen om het project uit te voeren in eigen beheer. Dit heeft geresulteerd in heel veel facturen en deels contante betalingen. Bij controle kan worden geconstateerd dat de contant aangekochte goederen zijn verwerkt in het gebouw. Verweerder is ten slotte niet verplicht een verlaging op te leggen. De verlaging is meer dan 3% en niet in verhouding met de inspanningen van appellant.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

In artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening vaststelt. In artikel 4:23, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden aangevraagd. Op grond van artikel 2:40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling komen de kosten voor de bouw, verwerving, inrichting of verbetering van onroerende zaken in aanmerking voor subsidie. Het College heeft in tekst en strekking van deze bepaling noch in de systematiek van de Regeling aanknopingspunten ervoor kunnen vinden dat naast de kosten voor het construeren van onroerende zaken daaronder ook kosten voor het slopen van de bestaande gebouwen zouden moeten worden begrepen. Dat appellant zijn investering niet kon realiseren zonder de bestaande gebouwen te slopen, maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande omvatte het verleningsbesluit niet een subsidie voor kosten voor de sloop van de bestaande gebouwen en heeft verweerder die kosten bij de subsidievaststelling dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

5.2

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Op grond van artikel 24, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 65/2011 van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (Verordening 65/2011) moeten verrichte betalingen worden gestaafd door middel van facturen en bewijsstukken van de betaling. Waar dit niet mogelijk is, worden de betalingen gestaafd door stukken met een vergelijkbare bewijskracht. Appellant heeft met betrekking tot de kosten die hij naar zijn eigen zeggen contant heeft betaald bij zijn vaststellingsverzoek facturen overgelegd die aan die betalingen ten grondslag zouden liggen. Naar het oordeel van het College is het enkele overleggen van facturen onvoldoende om die betalingen te staven, omdat daaruit nog niet volgt dat het daarop genoemde bedrag ook daadwerkelijk is voldaan. Appellant heeft geen kwitanties of stukken uit zijn eigen boekhouding of die van zijn leverancier overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de facturen contant zijn betaald. Dat de door appellant contant aangekochte goederen in de nieuwe gebouwen zouden zijn verwerkt, is – wat daar verder ook van zij – niet een bewijsstuk van betaling of een stuk met een vergelijkbare bewijskracht. Gezien het voorgaande heeft appellant niet voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichting om de door hem verrichte contante betalingen te staven met bewijsstukken van de betaling of met stukken met een vergelijkbare bewijskracht en heeft verweerder de kosten die appellant contant heeft betaald terecht niet in de vaststelling betrokken.

5.3

Appellant had voor een bedrag van € 97.396,- aan subsidiabele kosten opgegeven. De beoordeelde subsidiabele kosten zijn door verweerder bepaald op € 59.036,92. Verweerder had namelijk voor een aantal door appellant opgegeven posten geoordeeld dat deze niet subsidiabel waren. Dit oordeel is door appellant voor een aantal posten niet betwist en voor zover appellant hier wel tegen is opgekomen, heeft het College zoals uit het voorgaande blijkt, geen aanleiding gezien verweerder niet te volgen. Als de subsidie zou zijn vastgesteld op basis van de door appellant opgegeven subsidiabele kosten, zou deze 25% van € 97.396,- = € 24.349,- hebben bedragen. Op basis van de door verweerder beoordeelde subsidiabele kosten is de subsidie 25% van € 59.036,92 = € 14.759,23. Omdat dit verschil meer bedraagt dan drie procent heeft verweerder het verschil tussen € 24.349,- en € 14.759,23 = € 9.589,77 van het bedrag van € 14.759,23 afgetrokken. Voor zover appellant met zijn betoog ten aanzien van het opleggen van een korting en de hoogte ervan een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Awb, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. In dit geval vloeit de beperking voort uit artikel 30, eerste lid, van Verordening 65/2011 in samenhang met artikel 1:20, vierde lid, van de Regeling, op grond waarvan verweerder, indien het bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevraagde subsidiebedrag meer dan drie procent hoger is dan het bedrag dat moet worden verstrekt, gehouden is een subsidiebedrag vast te stellen dat is verlaagd met het verschil tussen die twee bedragen. Verweerder heeft in overeenstemming met dit voorschrift besloten. Appellant heeft met zijn ter zitting gevoerde betoog dat hij niet bewust iets fout heeft gedaan ook niet aangetoond dat de aanvraag buiten zijn schuld onjuist is, zodat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 30, eerste lid, van Verordening 65/2011 genoemde uitzonderingsgrond. Voor een verdere belangenafweging is dan geen plaats. Appellant heeft ook niet nader toegelicht waarom de berekening van de hoogte van de opgelegde korting onjuist zou zijn.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. R.R. Winter en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.J. Boon