Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:298

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
16/222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB; Betalingsrechten 2015; Toewijzing; 2%

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/222

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde mr. D. Pool)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en J. Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens appellante zijn verder nog verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de oppervlakte van twaalf percelen van het landbouwbedrijf van appellante. Appellante meent dat verweerder de oppervlakte te klein heeft vastgesteld. Zij heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op een in haar opdracht in april 2015 verrichte GPS-meting. Door oppervlakten van de betreffende twaalf percelen te klein vast te stellen, zijn haar betalingsrechten voor 2015 te laag vastgesteld, aldus appellante.

2. Appellante heeft toewijzing van betalingsrechten aangevraagd bij de Gecombineerde Opgave voor 2015. In de Gecombineerde Opgave zijn de twaalf percelen die nu in geding zijn, aangeduid als percelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 18, 19 en 21.

3. Wat betreft de percelen 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 18 en 19 stelt het College vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat voor elk van deze percelen het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor de conclusie om daarover thans anders te oordelen. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door hem vastgestelde oppervlakte van de percelen 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 18 en 19.

4. Wat betreft de percelen 6 en 11 heeft verweerder in het verweerschrift erkend dat het referentieperceel niet overal juist is vastgesteld en dat hij de oppervlakten van deze percelen nogmaals zal beoordelen. Appellante heeft de percelen 6 en 11 in de Gecombineerde Opgave opgegeven met een oppervlakte van respectievelijk 3,30 ha en 3,19 ha, terwijl de door verweerder bij het primaire besluit geconstateerde oppervlakten van deze percelen respectievelijk 3,21 ha en 3,06 ha zijn. Bij faxbericht van 26 januari 2017 heeft verweerder meegedeeld dat deze percelen opnieuw zijn beoordeeld en dat de geconstateerde oppervlakten respectievelijk 3,21 ha en 3,18 ha zijn. Ten aanzien van de oppervlakte van perceel 11 heeft appellante ter zitting verklaard dat het daarover niet meer hoeft te gaan. Ten aanzien van de oppervlakte van perceel 6 heeft verweerder ter zitting verklaard dat daar inmiddels drie keer naar is gekeken en aan de hand van (nieuwe) luchtfoto’s toegelicht dat en waarom de door hem vastgestelde grenzen van het perceel juist zijn en de uitkomst van de nieuwe beoordeling hetzelfde is als de oude beoordeling. Appellante heeft deze toelichting van verweerder aan de hand van zelf gemaakte foto’s gemotiveerd weersproken, door onder meer te stellen dat de door haar ingetekende grens niet direct op de rand van de sloot ligt maar op het talud. Volgens appellante is de door verweerder getoonde nieuwe foto, niet representatief, omdat het geen winterfoto betreft maar een voorjaarsfoto, nu daarop is te zien dat er al is gemaaid en de sloten tot bijna de rand toe vol zijn gemaald. Als verweerder van een winterfoto was uitgegaan zou het talud zichtbaar zijn en zou de ingetekende grens niet langs de rand van de sloot maar op het talud liggen, aldus appellante. Verweerder heeft hierover ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven. Bij die stand van zaken kan het College niet vaststellen of verweerder de oppervlakte van perceel 6 juist heeft vastgesteld.

5. Wat betreft perceel 21 moet worden vastgesteld dat verweerder eerst in het verweerschrift erop heeft gewezen dat de verklaring van de afwijking tussen de door appellante aangevraagde en de door verweerder geconstateerde oppervlakten hierin is gelegen dat appellante niet subsidiabele elementen zoals sloot en talud heeft opgegeven. Ter zitting heeft hierover eenzelfde discussie plaatsgehad als over perceel 6. Bij die stand van zaken kan het College niet vaststellen of verweerder de oppervlakte van perceel 21 juist heeft vastgesteld.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb (het motiveringsbeginsel). Het College acht geen termen aanwezig het geschil finaal te beslechten dan wel de bestuurlijke lus toe te passen. Het College zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

w.g. A. Venekamp de griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen