Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:297

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
16/860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschilbesluit in rekening brengen van aansluit- en transporttarieven periode 2008-2014 Vgl usp 1 dec 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:350)

Geen rechtstreekse werking van bepalingen uit richtlijn aangenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/860

18050

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

Utility Support Group B.V. (USG) te Geleen, appellante

(gemachtigde: mr. M.R. het Lam),

en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigde: mr. L.H.J. Dabekaussen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: TenneT TSO B.V. (TenneT)

(gemachtigde: mr. A.A. Kleinhout).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2016 heeft ACM een beslissing genomen op de aanvraag tot geschilbeslechting van USG. ACM heeft de klacht van USG, gericht tegen TenneT, ongegrond verklaard.

USG heeft hiertegen beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017.

Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. USG heeft gesteld dat TenneT over de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2014 ten onrechte aansluit- en transporttarieven bij USG in rekening heeft gebracht. ACM heeft deze klacht ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat TenneT niet in strijd met artikel 23, in samenhang gelezen met artikel 28, en artikel 24, in samenhang gelezen met artikel 29 van de Elektriciteitswet, heeft gehandeld door in genoemde periode bij USG aansluit- en transporttarieven in rekening te brengen.

2.1

Het College is van oordeel dat onderhavige zaak op alle relevante punten overeenkomt met het geschil dat is beoordeeld in de uitspraak van 1 december 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:350). Naast het feit dat in beide zaken onderwerp van geschil is of de netbeheerder aansluit- en transportkosten bij USG in rekening had mogen brengen, staat voorts vast dat de feitelijke situatie van aansluitingen van USG (drie 150 kV-verbindingen) op het openbare net van TenneT dezelfde is als de feitelijke situatie van aansluitingen op het openbare net van Enexis destijds. Het toepasselijke nationale en internationale recht is eveneens hetzelfde met dien verstande dat over de periode die thans in geschil is de Tweede Elektriciteitsrichtlijn (richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG) en de Derde Elektriciteitsrichtlijn (richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG) gelden.

2.2

Bij genoemde uitspraak heeft het College (onder meer) overwogen dat niet in geschil is dat USG in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2008 via de verbindingen tussen haar net en het openbare net van Enexis van elektriciteit is voorzien, en dat evenmin in geschil is dat dit in die periode de enige locatie was waar het net van USG met het openbare net was verbonden. In de onderhavige casus zijn deze punten ook niet in geschil.

Het College heeft in meergenoemde uitspraak geoordeeld dat Enexis USG via de verbindingen toegang heeft verleend tot haar netwerk als bedoeld in de Eerste en Tweede Elektriciteitsrichtlijn en dat dit dus tegen redelijke prijzen en niet-discriminerende tarieven diende te geschieden. Het College concludeert dat ACM terecht de klacht van USG, dat Enexis ten onrechte aansluit- en transporttarieven in rekening heeft gebracht, ongegrond heeft verklaard.

2.3

De gronden die USG in het beroepschrift naar voren heeft gebracht komen, zoals USG zelf ook stelt, overeen met de gronden die beoordeeld zijn bij de uitspraak van 1 december 2016. Dat thans de Tweede en de Derde Elektriciteitsrichtlijn van toepassing zijn, maakt voor de beoordeling geen verschil. Kortheidshalve verwijst het College voor beoordeling van deze gronden naar genoemde uitspraak. De gronden treffen ook ditmaal geen doel.

2.4

Ter zitting heeft USG aangevoerd dat het College bij de uitspraak van 1 december 2016 ten onrechte heeft geoordeeld dat rechtstreeks werkende richtlijnbepalingen verplichtingen aan derden (USG) kunnen opleggen. Voorts heeft USG betoogd dat horizontale werking van rechtstreeks werkende richtlijnbepalingen volgens het Europese recht niet mogelijk is.

2.5

Het College is van oordeel dat de onder 2.4 genoemde standpunten van USG berusten op een onjuiste lezing van meergenoemde uitspraak. Het College heeft immers bij die uitspraak geen rechtstreekse werking van bedoelde bepalingen van de richtlijnen aangenomen. Het College heeft met de conclusie dat ACM de klacht van USG terecht ongegrond heeft verklaard, geconstateerd dat de nationale bepalingen die de grondslag vormen voor het in rekening brengen van aansluit- en transporttarieven in overeenstemming zijn met de Europese regelgeving.

2.6

Tot slot heeft USG ter zitting eveneens tevergeefs een beroep gedaan op het discriminatieverbod. In meergenoemde uitspraak heeft het College reeds geoordeeld dat de situatie aan de orde in de – in die uitspraak geciteerde – Dobbestroom-jurisprudentie waar USG zich op beroept, wezenlijk verschilt met de situatie die in onderhavige zaak voorligt.

3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.W.L. Koopmans en
mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.M. Beishuizen