Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:296

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
14/304
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling LNV, onderdeel innovatieprojecten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/304

27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. W. Dijkstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. W.L.C. Rijk en K.L.D. van Driel),

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante verleende subsidie op grond van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Innovatieprojecten (de Regeling), vastgesteld op € 137.232,--. Tevens vordert verweerder in dit besluit het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de reeds betaalde voorschotten terug.

Bij besluit van 11 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016, waarbij appellante is vertegenwoordigd door haar vennoot [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Zij heeft op grond van de Regeling subsidie aangevraagd ten behoeve van de nieuwbouw van een innovatieve vloer in de stal. Onderdeel van het project is de ontwikkeling van een mestrobot door [naam 3] B.V. ( [naam 3] ).

1.2

Bij besluit van 30 september 2008 heeft verweerder deze aanvraag goedgekeurd en een subsidie verleend van maximaal € 210.845,--. De startdatum van het project is bepaald op
1 oktober 2008 en de einddatum is 31 mei 2009.

1.3

Op verzoek van appellante heeft verweerder de einddatum van het project een aantal malen uitgesteld, laatstelijk - bij besluit van 22 december 2011 - is deze bepaald op
29 september 2011.

1.4

Op 24 februari 2012 heeft appellante verzocht om vaststelling van haar subsidie. Daarbij heeft zij onder meer een op 20 januari 2012 door [naam 3] aan appellante verzonden factuur overgelegd.

1.5

Op 21 en 22 mei 2013 vond een controle plaats door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Volgens het hiervan opgemaakte rapport (rapport 1) is geconstateerd dat de factuur JF120430 van 20 januari 2012 ter hoogte van € 42.604,96 na de einddatum van het project, te weten 29 september 2011, is opgemaakt door [naam 3] . Volgens dit rapport ontbrak een specificatie van deze factuur met betrekking tot de opbouw van de gemaakte kosten. Tevens is niet vastgesteld dat de kosten zijn gemaakt vóór de einddatum 29 september 2011. De factuur is op 30 januari 2012 betaald. De uiterste datum van betaling voor dit project is
29 januari 2012.

1.6

Bij brief van 19 augustus 2013 heeft appellante een specificatie overgelegd van de door [naam 3] bij factuur van 20 januari 2012 gefactureerde kosten.

1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 137.232,--. De genoemde factuur van [naam 3] komt volgens verweerder niet voor subsidie in aanmerking.

1.8

In de bezwaarfase heeft appellante een verklaring van [naam 3] overgelegd van
3 maart 2014. [naam 3] verklaart hierin dat de factuur van 20 januari 2012 betrekking heeft op door haar vóór 1 oktober 2011 uitgevoerde ontwikkelingswerkzaamheden van de mestrobot en de daarbij gebruikte materialen.

1.9

In het rapport van 25 maart 2014 (rapport 2) heeft de NVWA vermeld dat [naam 3] haar verklaring dat de gedeclareerde kosten in de factuur van 20 januari 2012 door haar vóór de einddatum van het project zijn gemaakt, niet met bewijsstukken heeft onderbouwd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de factuur van [naam 3] van 20 januari 2012 niet subsidiabel kan worden gesteld omdat hij niet heeft kunnen vaststellen dat de kosten van deze factuur zijn gemaakt in de projectperiode. Weliswaar heeft appellante in de bezwaarprocedure een verklaring van leverancier [naam 3] overgelegd, maar volgens de rapporten van de NVWA wordt deze verklaring niet onderbouwd door bewijsstukken.

In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende uiteengezet. In de bewuste verklaring stelt [naam 3] dat er niet eerder een factuur is opgesteld en verzonden omdat er nog geen werkend systeem was. Verder stelt [naam 3] dat het project een aanzienlijke vertraging heeft opgelopen omdat er geen werkend model was en dat nog de nodige werkzaamheden zijn verricht ná afloop van de projectperiode. Verweerder leidt hieruit af dat er op de factuurdatum nog steeds geen werkzaam model aanwezig was. De facturering heeft enkel plaatsgevonden op dringend verzoek van appellante. Dit maakt het voor verweerder onaannemelijk dat de subsidiabele activiteiten waarop deze factuur ziet zijn afgerond voor 29 september 2011. Verweerder heeft ter zitting van het College verder gesteld dat ook de betrokken accountant heeft verklaard dat de werkzaamheden van [naam 3] niet zouden zijn uitgevoerd voor de einddatum. Verweerder heeft ter zitting voorts toegelicht dat hij – anders dan hij heeft gesteld in het bestreden besluit – niet op grond van artikel 4:46, tweede lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar op grond van artikel 4:46, tweede lid, onder a, van de Awb de subsidie lager mocht vaststellen. Dat de factuur niet binnen de vaststellingstermijn is betaald is geen afwijzingsgrond.

3.1

Op grond van artikel 6:2, tweede lid, onder c, van de Regeling Europese EZ-subsidies blijft het recht zoals het gold voor 1 januari 2016 van toepassing op subsidies die voor die datum zijn vastgesteld op grond van de Regeling LNV (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&g=2017-06-08&z=2017-06-08)-subsidies.

3.2

Op grond van artikel 2:29, eerste lid, onder b, van de Regeling zoals dat luidde ten tijde en voor zover hier van belang, is één van de verplichtingen van de subsidieontvanger het uitvoeren van het project binnen drie jaar na de datum waarop de beschikking tot subsidieverlening is gegeven.

3.3

Artikel 4:46, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde ten tijde van belang dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.
Op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4. Appellante betoogt dat de factuur van [naam 3] van 20 januari 2012 betrekking heeft op werkzaamheden die zijn verricht gedurende de projectperiode, zodat verweerder hiervoor ten onrechte subsidie heeft geweigerd. Zij verwijst naar de door haar overgelegde specificatie waarmee is aangetoond dat de kosten met betrekking tot deze factuur zijn gemaakt voor
29 september 2011. Tevens verwijst zij naar de verklaring van [naam 3] .

Appellante stelt verder dat verweerder bij de heroverweging buiten de grondslag van het bezwaarschrift is getreden, door in het bestreden besluit de afwijzing van betaling voor de factuur te motiveren met de stelling dat de werkzaamheden niet binnen de projectperiode zouden zijn verricht. Verweerder is volgens appellante bovendien uitgegaan van een onjuiste einddatum van de projectperiode. Dit is 30 september 2011 en niet 29 september 2011. Appellante mocht binnen vier maanden na de projectperiode de laatste betalingen verrichten en de einddeclaratie indienen. De betaling van de factuur van [naam 3] op 30 januari 2012 heeft dan ook tijdig plaatsgevonden.

5. Het College stelt vast dat het geschil zich toespitst op de beantwoording van de vraag of de door [naam 3] bij factuur van 20 januari 2012 gedeclareerde werkzaamheden betrekking hebben op door haar vóór de einddatum van het project uitgevoerde werkzaamheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze factuur ziet op werkzaamheden die buiten de projectperiode zijn verricht en daarom niet subsidiabel zijn, omdat hij, zoals ook verwoord in het rapport 1 van de NVWA, niet heeft kunnen vaststellen dat de kosten zijn gemaakt vóór de einddatum van het project. Het College deelt dit standpunt niet. Appellante heeft een specificatie van de factuur en een verklaring van [naam 3] overgelegd. Wat betreft die specificatie stelt het College vast dat daarop onder meer wordt verwezen naar een deelfactuur van TNO met factuurdatum
13 september 2011, die daaraan als bijlage 2 is bijgevoegd. Wat betreft die verklaring moet worden vastgesteld dat [naam 3] hierin zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat de factuur werkzaamheden aan de mestrobot met opzuigsysteem betreft en dat deze werkzaamheden vóór 1 oktober 2011 zijn verricht. Verweerder heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Dat die verklaring niet met bewijsstukken is onderbouwd, zoals verwoord in het NVWA rapport 2, is daartoe onvoldoende. Bovendien stroken de overgelegde specificatie en de verklaring van [naam 3] met elkaar. Dat - zoals verweerder stelt - [naam 3] na de projectperiode verder heeft gewerkt aan de ontwikkeling van een mestrobot doet aan het voorgaande niet af. Indien verweerder zou menen dat aan de verklaring van [naam 3] moet worden getwijfeld, zou het hier op zijn weg hebben gelegen om nader onderzoek te doen, hetgeen verweerder heeft nagelaten. Verweerders stelling dat de accountant in de controleverklaring zou hebben verklaard dat de werkzaamheden niet zouden zijn uitgevoerd voor de einddatum kan zijn besluit evenmin onderbouwen, omdat de accountant over de betreffende factuur slechts heeft opgemerkt dat deze te laat is betaald. De accountant verklaart niet dat de werkzaamheden van [naam 3] na de einddatum zouden zijn uitgevoerd.

Het bestreden besluit is dus niet deugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Awb. De overige beroepsgronden van appellante behoeven geen verdere bespreking.

7. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de subsidie vast te stellen op € 158.534,48

(dat wil zeggen het reeds vastgestelde subsidiebedrag van € 137.232,-- vermeerderd met de helft van het bedrag van € 42.604,96 zoals vermeld op de factuur van [naam 3] van
20 januari 2012) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Het College overweegt hiertoe dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat de door [naam 3] bij factuur van 20 januari 2012 gedeclareerde werkzaamheden betrekking hebben op door haar vóór 1 oktober 2011 ten behoeve van appellante uitgevoerde werkzaamheden en dat dit bedrag aldus voor subsidie in aanmerking komt. Het bedrag van de bij deze uitspraak vast te stellen subsidie blijft lager dan het bedrag aan betaalde voorschotten. Hiervan uitgaande is het bedrag dat nog resteert voor terugvordering € 9.465,52.

8.1

Het College stelt vervolgens - ambtshalve - vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt voor 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan drie jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar duren. Dit, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 2 december 2013. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 13 juli 2017 de hiervoor bedoelde termijn van drie jaar met iets meer dan zeven maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

8.2

Uitgaande van een tarief van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante recht heeft op € 1.000,-- schadevergoeding.

8.3

Het College stelt tot slot vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar minder dan een jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan twee jaar heeft geduurd.

8.4

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.12) de minister van Veiligheid en Justitie veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,-- aan appellante.

9. Het College veroordeelt verweerder tot slot in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat de subsidie van appellante wordt vastgesteld op € 158.534,48;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,-- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-- te betalen aan appellante;

- veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H. Bolt, en mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. W.M.J.A. Duret