Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:294

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
17/967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

beslissing betaling geldsom op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan. Verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/967

16009

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, de staatssecretaris

(gemachtigden: mr. P.P. Huurnink, mr. B.J. Drijber, M. Sonnema en A.H. Spriensma).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017, als gewijzigd op 17 juni 2017, (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover hier van belang, op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan verzoeker een geldsom opgelegd van € 17.952,- (de geldsom).

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een situatie, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

2. Voor zover de voorzieningenrechter een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het primaire besluit is sprake van een voorlopig oordeel, dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening zou aanleiding kunnen zijn indien ernstig betwijfeld moet worden dat de door de staatssecretaris te nemen beslissing op het bezwaar in een bodemprocedure in stand zal blijven. De thans voorliggende feiten en omstandigheden geven daarvoor onvoldoende aanleiding.

4.1

Verzoeker heeft aangevoerd dat het besluit onbevoegd is genomen omdat niet de staatssecretaris, maar enkel de minister bevoegd is een geldsom op te leggen op grond van artikel 4 van de Regeling, de aard van de bevoegdheid (het opleggen van een forse geldsom) zich verzet tegen mandaatverlening en niet is toegestaan aan medewerkers van het zuivelbedrijf, omdat de bevoegdheid buiten de sfeer van hun normale bevoegdheid valt.

4.2

Deze gronden zullen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de door de staatssecretaris op het bezwaar te nemen besluit niet aantasten. In artikel 46, tweede lid, van de Grondwet is namelijk bepaald dat een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister optreedt. Voor zover er aan de mandaatverlening aan de aan de staatssecretaris niet-ondergeschikte medewerkers van het zuivelbedrijf al een gebrek zou kleven, kan de staatssecretaris dit gebrek bij het te nemen besluit op bezwaar (eenvoudig) herstellen.

5.1

De grond dat artikel 13 van de Landbouwwet niet als wettelijke grondslag kan dienen voor de Regeling slaagt evenmin.

5.2

De regeling beoogt immers de derogatie voor Nederland te behouden en heeft tot doel het aan de Nederlandse melkveehouders toegestane melkproductieniveau te verzekeren. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de Regeling daarom worden aangemerkt als een maatregel die de voortbrenging en de afzet bevordert van voortbrengselen van de landbouw, in de zin van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Landbouwwet en vormt dat daarmee een toereikende wettelijke grondslag voor het opleggen van de geldsom.

6.1

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat de inhouding van de geldsom op het maandelijkse melkgeld niet is toegestaan. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat artikel 4:86 van de Awb dwingt een termijn voor de betaling te gunnen. Een wettelijke grondslag voor de verrekening ontbreekt.

6.2

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het primaire besluit aan de vereisten die artikel 4:86 van de Awb aan de vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling stelt. Het besluit stelt immers vast dat verzoeker de geldsom is verschuldigd en dat deze, conform artikel 8, eerste lid, van de Regeling, uiterlijk in de tweede maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd wordt ingewonnen. Voor zover de verrekening zelf in dit geval al moet worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling en niet als een feitelijke handeling, biedt artikel 8, tweede lid, van de Regeling daarvoor voldoende grondslag.

7.1

Verzoeker stelt verder dat hij voor de peildatum (2 juli 2015) onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan ten behoeve van de uitbreiding van zijn bedrijf, waardoor hij zou moeten worden beschouwd als een knelgeval. Hij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar het vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:4638), waarin de kort gedingrechter ten aanzien van een aantal melkveehouders de Regeling buiten toepassing heeft verklaard.

7.2

Ook daarin ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het primaire besluit te schorsen. De staatssecretaris heeft ter zitting uiteen gezet dat hij voor ondernemers die in gelijke omstandigheden verkeren als de eisers in het vonnis van 4 mei 2017, de betalingsverplichtingen voorlopig opschort (in afwachting van de uitkomst van het tegen dat vonnis ingediende hoger beroep). De staatssecretaris heeft verzoeker de gelegenheid geboden om nader te onderbouwen dat hij in vergelijkbare omstandigheden verkeert als de eisers in het vonnis van 4 mei 2017. Tevens heeft de staatssecretaris verzoeker de gelegenheid gegeven om te onderbouwen dat de verrekening van de geldsom hem in ernstige financiële problemen brengt. Verzoeker wil de uitkomst van die beoordeling(en) echter niet afwachten en wil nu een uitspraak op zijn verzoek.

7.3

Uit de thans ter beschikking staande gegevens blijkt onvoldoende duidelijk wanneer en welke investeringsverplichtingen verzoeker is aangegaan. Mocht blijken dat verzoeker een knelgeval is, dan kan de staatssecretaris daaraan in de beslissing op bezwaar zo nodig gevolgen verbinden. Het is de voorzieningenrechter voorts, bij gebreke aan concrete en verifieerbare gegevens daarover, niet gebleken van dusdanige liquiditeitsproblemen die, alle betrokken belangen afwegende, aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.

w.g. R.C. Stam w.g. A.G.J. van Ouwerkerk