Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:290

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/973
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlaging subsidie in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun, onderdeel investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen (de Regeling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/973

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2017 in de zaak tussen

commanditaire vennootschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)


en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooijman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van appellante in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun, onderdeel Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen, (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 6 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de subsidie van appellante vastgesteld op € 200.008,67.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend ter onderbouwing van de gemaakte kosten en uren voor het project.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016, waarbij appellante is vertegenwoordigd door haar vennoten en haar gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellante is een melkveebedrijf. De vennoten van appellante hebben tevens de vennootschap onder firma [naam 2] (loonbedrijf).

1.2

Appellante heeft op 31 maart 2014 ten behoeve van de bouw van een integraal duurzame stal voor melkvee op grond van de Regeling subsidie aangevraagd.

1.3

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft verweerder de aanvraag van appellante gedeeltelijk goedgekeurd en aan appellante een subsidie verleend van maximaal € 244.376, -. De startdatum van de investeringen is bepaald op 31 juli 2014 en de einddatum op 28 februari 2015. Als subsidievoorwaarde is bepaald dat appellante een administratie dient bij te houden. De gemaakte kosten dienen eenvoudig inzichtelijk te zijn. In het bij dit besluit gevoegde berekeningsformulier staan bij twee subsidiabele posten als omschrijving ‘Wijsman, buitenuitloop’ met als subtotaal € 8.000,- en ‘Greutink staltechniek, montage kosten’ met als subtotaal € 35.000,-.

1.4

Appellante heeft op 10 januari 2015 een wijzigingsverzoek ingediend. Het verzoek betreft een wijziging in het investeringsplan in die zin dat thans het loonbedrijf de buitenloop en de montage van de stalinrichting zal uitvoeren. Appellante heeft hierbij een offerte gevoegd van het loonbedrijf van 20 september 2014 waarop de prijzen voor de buitenloop van € 8.000,- en de montagekosten van stalinrichting van € 35.000,- staan vermeld.

1.5

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft verweerder dit wijzigingsverzoek goedgekeurd. Hierbij is ten aanzien van de buitenuitloop bepaald dat deze door het loonbedrijf wordt gerealiseerd, dat de kosten zijn onderbouwd in de offerte van 20 september 2014 en dat eventuele winstopslag in de offerte niet subsidiabel is, en ten aanzien van de stalinrichting dat deze wordt gemonteerd door het loonbedrijf, dat de kosten hiervan zijn onderbouwd in de offerte van 20 september 2014 en dat eventuele winstopslag in de offerte niet subsidiabel is.

1.6

Op 27 februari 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om vaststelling van de subsidie. Daarbij heeft appellante onder meer twee facturen overgelegd van het loonbedrijf. De ene factuur heeft betrekking op de buitenloop en vermeldt een bedrag van € 8.000,- exclusief BTW en de andere factuur heeft betrekking op de montagekosten van de stalinrichting en vermeldt een bedrag van € 35.000,- exclusief BTW.

1.7

Op 28 april 2015 heeft een controle plaatsgevonden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In het hiervan opgemaakte rapport van 7 mei 2015 staat het volgende vermeld:

“(…)
Er zijn door RVO dossierspecifieke vragen gesteld ten aanzien van de kosten gemaakt door [naam 3] . Gecontroleerd dient te worden of er sprake is van winstopslag en of de montagekosten (uren) reëel zijn.
Als basis voor de offerte en facturering voor de montagewerkzaamheden van de stalinrichting door [naam 3] is de offerte van Greuting gebruikt. Hierin werd voor de montage €35.000,-- begroot. [naam 3] heeft ter onderbouwing van de in rekening gebrachte kosten (€35.000,--) voor de montagewerkzaamheden werkbonnen (urenregistratie); facturen van derden voor het inhuren van benodigde machines en inhuren van arbeidskrachten van derden overlegd. Hierbij werd vastgesteld dat er een manco in de administratie is. Er ontbreken o.a. urenregistraties van de door [naam 3] voor de montagewerkzaamheden beschikbaar gestelde manuren. Volgens Dhr. [naam 4] is wegens de druk (halen van einddatum) en de hectiek niet alle uren door de medewerkers op de daarvoor bestemde formulieren vastgelegd.
Als basis voor de offerte en facturering voor de buitenuitloop door [naam 3] is de offerte van Wijsman gebruikt. Hierin werd voor de buitenuitloop €8.000,-- begroot. [naam 3] heeft ter onderbouwing van de in rekening gebrachte kosten (8.000,--) voor aanlegwerkzaamheden; facturen van derden voor inhuren benodigde machines en aanvoer zand overlegd. Er ontbreken urenregistraties van de door [naam 3] voor de aanlegwerkzaamheden beschikbaar gestelde manuren. Volgens Dhr. [naam 4] is wegens de druk (halen van de einddatum) en de hectiek niet alle uren door de medewerkers op de daarvoor bestemde formulieren vastgelegd.
(…)”

1.8

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie van appellante vastgesteld op
€ 198.178,19. Verweerder heeft uiteengezet dat de kosten voor de buitenloop en de montagekosten voor de rundveestal niet subsidiabel zijn, omdat de volledige administratieve onderbouwing van de kosten daarvoor ontbreekt. De werkelijke kosten van het loonbedrijf voor deze investeringen zijn daardoor niet te controleren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de subsidie van appellante vastgesteld op
€ 200.008,67. Verweerder heeft wat betreft de kosten voor de buitenloop en de montagekosten voor de rundveestal voor door derden verrichte werkzaamheden alsnog subsidie vastgesteld. De kosten van de door het loonbedrijf uitgevoerde werkzaamheden acht verweerder echter niet subsidiabel, omdat de vereiste urenregistraties ontbreken en onduidelijk blijft in hoeverre deze werkzaamheden daadwerkelijk in opdracht van het loonbedrijf zijn verricht.

3. De Regeling is per 1 januari 2015 ingetrokken en vervangen door de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Op grond van artikel 5.1 van die laatstgenoemde regeling blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Verweerder heeft de Regeling terecht toegepast.

4. De beroepsgrond van appellante dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het rapport van de NVWA, mist feitelijk grondslag en faalt reeds om die reden. De NVWA had het rapport al aan de toenmalige gemachtigde van appellante toegezonden, zodat appellante daarvan kennis heeft kunnen nemen. Dat het rapport niet per post naar appellante is toegezonden en appellante het rapport niet via het klantportaal mijn.rvo.nl heeft ontvangen doet hieraan niet af.

5.1

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de kosten van het loonbedrijf voor de verrichte montagewerkzaamheden van de rundveestel en voor de aanleg van een buitenloop ten onrechte niet zijn gehonoreerd. Daartoe voert appellante aan dat zij reeds in het wijzigingsverzoek te kennen heeft gegeven dat bepaalde werkzaamheden door het loonbedrijf zouden worden uitgevoerd. Verweerder is hiermee akkoord gegaan. Verweerder had bij twijfel aan de hoogte van de geoffreerde bedragen en de verwevenheid van beide bedrijven dit moeten afdoen in het kader van het besluit op het wijzigingsverzoek en niet achteraf in het vaststellingsbesluit. Appellante wordt door deze handelwijze voor een voldongen feit geplaatst.

5.2

Deze beroepsgrond faalt evenzeer. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 37, tweede en derde lid, van de Regeling terecht vooropgesteld dat de aanvraag om vaststelling van de subsidie in ieder geval vergezeld gaat van de documenten waaruit blijkt dat de landbouwer het investeringsplan heeft gerealiseerd en wat daarvoor de gemaakte kosten zijn en dat daarbij ten genoegen van verweerder gebleken moet zijn dat de landbouwer heeft voldaan aan alle voorwaarden die bij de steunverlening zijn gesteld. Het College stelt vast dat appellante ter zitting heeft bevestigd dat er geen (sluitende) urenregistratie is ten aanzien van de verrichte montagewerkzaamheden van de rundveestal en de werkzaamheden voor de aanleg van een buitenloop. Voorts is het College met verweerder van oordeel dat appellante erop bedacht had moeten zijn dat zij wat betreft de door het loonbedrijf bij haar in rekening gebrachte kosten voor de buitenloop en de montagekosten voor de rundveestal, niet enkel kon volstaan met de facturen van het loonbedrijf, maar dat deze ook onderbouwd dienden te worden. In dit verband is van belang dat verweerder bij besluit van
24 februari 2015 weliswaar heeft goedgekeurd dat - kort gezegd - de werkzaamheden door het loonbedrijf worden uitgevoerd, maar dat verweerder daarin tevens heeft bepaald dat eventuele winstopslag in de offerte niet subsidiabel is. Gezien de personele verwevenheid van appellante met het loonbedrijf en in aanmerking genomen dat de door het loonbedrijf geoffreerde bedragen exact overeenkomen met de bedragen die door de derde partijen waren geoffreerd en waarin een winstopslag aanwezig is - nu die derde partijen de opdracht wel met winst mogen uitvoeren - en waarop verweerder de subsidieverlening ook heeft gebaseerd, diende voor verweerder dus controleerbaar te zijn wat de daadwerkelijke kosten waren en of er al dan niet sprake was van winstopslag. Appellante heeft die facturen wat betreft de kosten van de door het loonbedrijf uitgevoerde werkzaamheden niet onderbouwd, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet kan controleren wat de daadwerkelijke kosten waren en of er al dan niet sprake was van winstopslag. Voor zover appellante zich beroept op het feit dat twee facturen van Berentsen en Driessen wel zijn goedgekeurd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze facturen, anders dan die van het loonbedrijf, inzicht verschaffen in de daadwerkelijk gemaakte montagewerkzaamheden. De door appellante in beroep overgelegde stukken ter onderbouwing van de gemaakte kosten en uren voor het project doen daaraan niet af, reeds omdat appellante gelet op het bepaalde in artikel 4.2, tweede lid, van de Awb en artikel 37 van de Regeling gehouden was deze stukken uiterlijk in de besluitvormingsfase te overleggen. Tot slot bestaat geen grond voor het oordeel dat het appellante niet kan worden aangerekend dat het loonbedrijf een onvolledige urenregistratie voerde, nu sprake is van een personele verwevenheid tussen appellante en het loonbedrijf en appellante als indiener van de aanvraag zelf verantwoordelijk blijft voor de volledige administratieve onderbouwing van de kosten.

5.3

Verweerder heeft de facturen wat betreft de kosten van de door het loonbedrijf uitgevoerde werkzaamheden terecht niet gehonoreerd.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. H. Bolt en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2017.

w.g. R.W.L. Koopmans De griffier is verhinderd te ondertekenen.