Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:288

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wijze berekenen van de melkveefosfaatreferentie

Artikel 21a Meststoffenwet

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Meststoffenwet 21a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/208 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/424

16600

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de melkveefosfaatreferentie (hierna: MVFR) van appellant vastgesteld op 34 kg fosfaat.

Bij besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen en verweerder in de gelegenheid te stellen om naar aanleiding hiervan te bepalen of hij het bestreden besluit al dan niet zal handhaven.

Bij besluit van 2 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en de MVFR vastgesteld op 377 kg fosfaat.

Appellant heeft bij brief van 15 maart 2017 medegedeeld dat hij zijn beroep handhaaft.

Bij brief van 25 april 2017 heeft verweerder een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het College heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.1

Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf met melk- en vleesvee. Hij houdt onder meer Belgische blauwe koeien. Verweerder heeft bij het primaire besluit deze koeien niet meegeteld bij de berekening van de MVFR.

1.2

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij de Belgische blauwe koeien melkt, zodat deze meegeteld dienen te worden bij de berekening van de MVFR.

2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Belgische blauwe koeien staan geregistreerd onder diercategorie 120 (zoogkoeien). De mestproductie telt daarom niet mee. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de MVFR voor appellant opnieuw berekend naar aanleiding van de door appellant overgelegde CRV-Veesaldokaart 2013. Verweerder acht aannemelijk dat de Belgische blauwe koeien vallen onder diercategorie 100 (melk- en kalfkoeien), zodat deze koeien en de daarvan afkomstige melk meegeteld dienen te worden bij de berekening van de MVFR.

3.1

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder kk, van de Meststoffenwet (Msw) wordt verstaan onder melkvee:

1. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleeshouderij tot 1 jaar en

3. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

3.2

Op grond van artikel 21a, eerste lid, van de Msw verleent Onze Minister aan een landbouwer die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een melkveefosfaatreferentie, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De melkveefosfaatreferentie vermeldt het bedrijf waarvoor de melkveefosfaatreferentie wordt afgegeven. Op grond van het tweede lid van artikel 21a wordt de melkveefosfaatreferentie berekend door de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013 op het bedrijf te verminderen met de fosfaatruimte van dat bedrijf in 2013.

4. Het College stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen en daarmee kennelijk het bestreden besluit I heeft ingetrokken. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van appellant van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit. Niet gebleken is dat appellant belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I. Het beroep gericht tegen dit besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.1

Appellant heeft aangevoerd dat met het bestreden besluit II niet volledig aan zijn bezwaar tegemoet is gekomen. Hij vindt dat ten onrechte alleen voor het melkvee een referentiehoeveelheid is toegekend. Verder acht hij het onjuist dat de fosfaatproductie per koe bij de berekening van de MVFR afwijkt van die welke bij het fosfaatreductieplan wordt gehanteerd.

5.2

Het College overweegt dat in artikel 21a, tweede lid, in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder kk, van de Msw is bepaald welk (melk)vee meeteelt bij de berekening van de MVFR. Voor het meetellen van ander vee biedt de Msw geen ruimte. Verder staat in het tweede lid van artikel 21a van de Msw dat dient te worden gerekend met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013. Dat in een andere regeling een ander uitgangspunt zou zijn gehanteerd, doet hieraan niet af. Verweerder heeft verklaard dat hij aan de hand van de door appellant gehouden aantallen koeien de MVFR heeft berekend overeenkomstig de Msw. Appellant heeft dit niet betwist. Het beroep tegen het bestreden besluit II is dan ook ongegrond.

6. Aangezien verweerder zijn oorspronkelijke beslissing op bezwaar, waartegen het beroep zich richtte, heeft herzien, acht het College het aangewezen om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht vergoedt. De proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 445,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

w.g. H.L. van der Beek de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen