Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:286

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
17/66 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. Teruggave financiële discipline.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/66, 17/68, 17/69, 17/78, 17/83, 17/121 en 17/122

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2017 in de zaken tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant sub 1

Maatschap [naam 2] , [naam 3] en [naam 4], te [plaats 2] , appellante sub 2

Maatschap [naam 5] en [naam 6], te [plaats 3] , appellante sub 3

Maatschap [naam 7] en [naam 8], te [plaats 4] , appellante sub 4

[naam 9] (handelsonderneming [naam 10] ), te [plaats 5] , appellante sub 5

Maatschap [naam 11], te [plaats 6] , appellante sub 6

Gebr. [naam 12], te [plaats 7] , appellanten sub 7

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 september 2016 (in de zaken van appellanten sub 2, sub 4, en sub 5), 29 september 2016 (in de zaak van appellante sub 7) en 4 oktober 2016 (in de zaken van appellanten sub 1, sub 3 en sub 6) (de primaire besluiten) heeft verweerder voor de betreffende appellanten de teruggave financiële discipline over 2015 vastgesteld.

Appellanten hebben tegen deze besluiten ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 december 2016 (in de zaak van appellante sub 2),
15 december 2016 (in de zaak van appellanten sub 7), 16 december 2016 (in de zaak van appellante sub 6), 19 december 2016 (in de zaken van appellanten sub 4 en sub 5) en
20 december 2016 (in de zaken van appellanten sub 1 en sub 3) (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten ieder afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van appellant sub 1 is geregistreerd onder zaaknummer 17/66, het beroep van appellante sub 2 onder zaaknummer 17/68, het beroep van appellante sub 3 onder zaaknummer 17/69, het beroep van appellante sub 4 onder zaaknummer 17/78, het beroep van appellant sub 5 onder zaaknummer 17/83, het beroep van appellante sub 6 onder zaaknummer 17/121 en het beroep van appellanten sub 7 onder zaaknummer 17/122.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017, waar partijen bij hun gemachtigden zijn verschenen. De beroepen zijn gevoegd behandeld.

Overwegingen

1. Steun in het kader van het Gemeenschappelijk landbouw beleid (GLB) wordt gekort om geld te reserveren voor een crisisfonds voor de landbouwsector (de financiële discipline) (zie de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van 17 december 2013). De reserve wordt aangelegd door GLB-steun te verlagen. Hiervoor stelt de Europese Commissie een korting vast op alle GLB-steun hoger dan € 2.000,- (zie voor het kalenderjaar 2014 artikel 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1227/2014). In het begrotingsjaar 2015 is geen beroep gedaan op deze reserve. Om die reden kan de financiële discipline worden teruggegeven aan de eindontvangers die in het begrotingsjaar 2016 onderworpen zijn aan financiële discipline (zie punt 19 en artikel 26, vijfde lid, van Verordening 1306/2013). De beschikbare bedragen staan in de bijlage van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2094 van 19 november 2015. Nederland heeft het teruggave percentage berekend op 1,44%. Dit percentage is niet in geschil. De teruggave financiële discipline over 2015 dient plaats te vinden vóór 16 oktober 2016 (zie artikel 2 van Uitvoeringsverordening 2015/2094) .

2. Verweerder heeft de teruggave financiële discipline bij de primaire besluiten vastgesteld op 1,44 % van het bedrag aan rechtstreekse betalingen boven de € 2.000,- dat appellanten over het premiejaar 2015 hebben ontvangen. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.

3. De teruggave financiële discipline is aldus gebaseerd op het besluit tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen 2015. Het besluit tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen 2015 is weer gebaseerd op het besluit tot toewijzing van betalingenrechten. Verweerder heeft ten aanzien van appellanten betalingsrechten toegewezen en rechtstreekse betalingen 2015 uitbetaald. Appellanten hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Deze besluiten en de daartegen gemaakte bezwaren dateren van vóór de primaire besluiten. Vervolgens heeft verweerder beslist op de bezwaren tegen de besluiten tot toewijzing van de betalingenrechten. Deze besluiten dateren van vóór de bestreden besluiten. De door verweerder genomen beslissingen op de bezwaren tegen de besluiten tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen dateren van ná de bestreden besluiten.

4. Appellanten hebben – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Met het nemen van het besluit tot teruggave van de financiële discipline had verweerder moeten wachten totdat de procedure over de rechtstreekse betalingen over het premiejaar 2015 was afgehandeld. Appellanten wijzen erop dat een positieve bijstelling van de subsidiabele oppervlakte binnen de nog te nemen beslissing op bezwaar over de uitbetaling van de betalingsrechten 2015 gevolgen heeft voor de berekening van de teruggave financiële discipline, nu dit een percentage is van het totaal aan uitbetaling van de betalingsrechten over 2015. De primaire besluiten en de bestreden besluiten zijn prematuur tot stand gekomen. Daarbij vragen appellanten zich af waarom niet eerst het door hun ingediende bezwaarschrift tegen het besluit tot uitbetaling van de betalingsrechten over 2015 wordt afgewikkeld alvorens het bezwaarschrift tegen het primaire besluit af te wikkelen. De bestreden besluiten geven dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en die besluiten ontberen tevens een deugdelijke motivering.

5. Het College stelt met partijen vast dat een wijziging van het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen 2015 wordt uitbetaald gevolgen heeft voor de berekening van de teruggave financiële discipline, nu die teruggave een percentage is van dat bedrag. Dit betekent echter niet dat verweerder gehouden was te wachten met het nemen van het besluit tot teruggave van de financiële discipline totdat de procedure over de rechtstreekse betalingen over het premiejaar 2015 was afgehandeld. Verweerder heeft in dit verband erop gewezen dat de teruggave financiële discipline over 2015 dient plaats te vinden vóór 16 oktober 2016. Dat appellanten bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit tot uitbetaling van de betalingsrechten 2015 (en het besluit tot toewijzing van de betalingsrechten), vormde voor verweerder voorts geen beletsel om het besluit tot teruggave van de financiële discipline te nemen op basis van het besluit tot uitbetaling van de betalingsrechten 2015, reeds omdat het bezwaar de werking van dat besluit (en het besluit tot toewijzing van de betalingsrechten) gelet op artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht niet opschort (vergelijk de uitspraak van het College van
24 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:453, r.o. 3.6). Ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel nopen niet tot die conclusie. In dit verband is van belang dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft uiteengezet dat, zoals ook al in de primaire besluiten en bestreden besluiten staat vermeld, in het geval het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen 2015 wordt uitbetaald wordt gewijzigd, bijvoorbeeld omdat daartegen bezwaar is gemaakt, verweerder ook een nieuwe beslissing over de teruggave van de financiële discipline zal nemen. Voor de conclusie dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen zijn of niet deugdelijk zijn gemotiveerd bestaat geen grond.

6. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret