Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:278

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
16/975 en 16/1122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; uitgaan van gecombineerde opgave; 2%-regel; aansluiten bij grenzen van gewasperceel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/975 en 16/1122

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaken tussen

[naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 23 april 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van die betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor 2015 ook op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 16 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard, en het primaire besluit I gedeeltelijk herroepen. Daarbij heeft verweerder voor 2015 opnieuw betalingsrechten toegewezen.

Bij besluit van 25 oktober 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit II gegrond verklaard, het primaire besluit II herroepen en het bedrag van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I (zaaknummer 16/975) en tegen het bestreden besluit II (zaaknummer 16/1122).

Verweerder heeft een verweerschrift in beide zaken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Aan de kant van verweerder is tevens verschenen mr. J.F. Janmaat, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de vaststelling door verweerder van de subsidiabele oppervlakte van percelen van het landbouwbedrijf van appellante. De percelen zijn in de Gecombineerde Opgave 2015, waarbij appellante de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling heeft aangevraagd, aangeduid als percelen 4, 5, 7, 11, 12, 13, 15, 16, 18, 19 en 21.

2. Het College overweegt ten aanzien van de percelen 11 en 13 allereerst dat voor zover appellante heeft beoogd bij het bezwaarschrift de aanvraag in die zin te wijzigen dat verweerder voor deze percelen een grotere oppervlakte zou moeten vaststellen dan appellante in de Gecombineerde opgave heeft aangevraagd, de uiterste datum daarvoor bij het indienen van het bezwaarschrift al ruimschoots was verstreken (vergelijk de uitspraak van
6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68, overweging 7). Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een kennelijke fout, is verweerder terecht uitgegaan van de aanvraag zoals appellante deze bij de Gecombineerde Opgave voor 2015 heeft ingediend. Voorts geldt dat verweerder kan uitgaan van de aanvraag wat betreft de perceelsgrenzen die de landbouwer op de bedrijfskaart bij de Gecombineerde Opgave heeft opgegeven (vergelijk de uitspraak van 23 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:62).

3. Voor de percelen 4, 5, 7, 12, 15, 16, 18 en 19 stelt het College vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen telkens minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop kan het betoog van appellante dat verweerder de oppervlakte voor genoemde percelen verkeerd heeft vastgesteld niet slagen.

4. Over perceel 21 heeft appellante betoogd dat verweerder ten onrechte de oppervlakte niet heeft meegerekend van de taluds langs de sloten rondom het perceel. Het College stelt vast dat de taluds op de luchtfoto's die verweerder heeft overgelegd, anders van kleur en structuur zijn dan de rest van het perceel. Verweerder heeft erop gewezen dat op het perceel snijmais wordt verbouwd en dat op de taluds gras staat. Nu appellante in de Gecombineerde Opgave heeft opgegeven dat perceel 21 wordt gebruikt voor snijmais, is verweerder bij de vaststelling van de oppervlakte terecht uitgegaan van de grens van het gewasperceel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder de perceelsgrens ruimer had moeten trekken. Het betoog van appellante dat verweerder wel de dammen die met gras zijn begroeid heeft meegerekend – abusievelijk, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld – kan er niet toe leiden dat verweerder ten aanzien van de taluds onjuist heeft gehandeld.

5. Uit het voorgaande volgt dat de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte door verweerder in stand blijft en daarmee ook de toewijzing van betalingsrechten waarop het bestreden besluit I ziet. Gelet hierop mocht verweerder de bij dat besluit toegewezen betalingsrechten ten grondslag leggen aan de basisbetaling en de vergroeningsbetaling waarop het bestreden besluit II ziet.

6. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele