Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:266

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
15/841
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 21 a Msw.

Dient het jongvee dat door een ander wordt opgefokt te worden betrokken bij de berekening van de melkveefosfaatreferentie. Invulling van het begrip houderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/841

16600

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. E.D.M. Knegt)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de melkveefosfaatreferentie (MVFR) van appellante vastgesteld op 1.380 kg fosfaat.

Bij besluit van 24 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante is voorts verschenen [naam 1] . Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen nadere stukken aan verweerder te overleggen en om partijen in de gelegenheid te stellen om nader overleg te voeren.

Bij brief van 22 november 2016 heeft verweerder het College medegedeeld dat de nadere stukken en het overleg niet tot een ander standpunt hebben geleid.

Bij brief van 8 december 2016 heeft appellante gereageerd.

Partijen hebben nadien schriftelijk kenbaar gemaakt dat het College zonder nadere zitting uitspraak kan doen. Het College heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met onder andere melkvee. Een deel van het jongvee van appellante werd tot eind 2013 op een andere locatie opgefokt. Daartoe heeft appellante met de opfokker op 23 april 2007 een overeenkomst gesloten. Daarin staat het volgende vermeld:

“Opfokker fokt jongvee op voor Melkveehouder vanaf een leeftijd van ± 10 – 21 dagen tot 4 á 6 weken vóór het afkalven.

Doelstelling is een pink op te fokken die op en goed gewicht afkalft op ongeveer 24 maanden leeftijd

De dieren blijven economisch eigendom van de melkveehouder, die de dieren dus ook financiert

Overige kosten zijn voor opfokker, die naar aanwijzing van melkveehouder en […] zo goed mogelijk de opfok op zich neemt. De kosten die hieronder vallen zijn: Vervoer van en naar melkveehouder, huisvesting, verzekering, melkpoeder, kracht- en ruwvoer, dierenartskosten (o.a. entingen en ontwormingskosten), KI en overige bijkomende kosten.

Stierkeuze wordt bepaald door melkveehouder. Hierbij zullen goede, vooral niet te dure fokstieren van CR Delta of KI Kampen worden ingezet. Indien na 2 inseminatie het dier terug komt, kan natuurlijke dekking of een goed bevruchtende stier van de KI worden overwogen.

Opfokker ontvangt hiervoor een vergoeding van € 1,43/ dier per dag. (….) De vergoeding geldt over de eerste 760 dagen opfok. Tussen 760 en 800 dagen wordt geen vergoeding in rekening gebracht. Melkveehouder zal het dier uiterlijk binnen 800 dagen terug krijgen

Melkveehouder behoudt zich het recht voor om jaarlijks maximaal 10% van de vaarzen uit te selecteren, deze neemt de opfokker dan over voor € 160,=. Deze dieren worden dan het economisch eigendom van opfokker. Over dit dier wordt uiteraard geen opfokvergoeding betaald.

Indien een dier uit valt betaalt opfokker aan melkveehouder een vergoeding van € 160,=

Opfokker heeft het recht een kalf te weigeren als die te klein is of niet goed genoeg bevonden wordt.”

Tussen de locatie van appellante en de locatie waar het jongvee wordt opgefokt bestaat een veterinaire eenheid. De locaties hebben elk een Uniek Bedrijfsnummer (UBN).

1.2

Appellante heeft in 2013 een nieuwe stal laten bouwen. Eind 2013 heeft zij al het jongvee teruggehaald. Sindsdien staat er geen jongvee van appellante meer bij de opfokker.

1.3

Verweerder heeft appellante op 13 december 2014 per brief een vooraankondiging MVFR gestuurd en haar daarmee op de hoogte gesteld van het voornemen om begin 2015 een MVFR vast te stellen bestaande uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 gehouden melkvee minus de fosfaatruimte in 2013. Verweerder heeft in verband daarmee appellante verzocht vóór 1 februari 2015 wijzigingen door te geven met betrekking tot de bij verweerder bekende referentiegegevens van het gemiddeld aantal gehouden melkvee (melk- en kalfkoeien en jongvee) in 2013 en de oppervlakte grond die bij het bedrijf in gebruik was in 2013. Appellante heeft een zienswijze ingediend. Daarin heeft zij erop gewezen dat een deel van het jongvee is opgefokt bij derden. Dit jongvee, 37 stuks jonger dan een jaar en 47 stuks ouder dan een jaar, dient volgens appellante te worden meegerekend bij de bepaling van de MVFR. Verweerder heeft bij het primaire besluit de MVFR van appellante vastgesteld op 1.380 kg fosfaat. Daarbij heeft verweerder geen rekening gehouden met het jongvee dat elders is ondergebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond verklaard.

3.1

Op grond van artikel 1, aanhef, van de Meststoffenwet (Msw) wordt verstaan onder:

“(…)

i. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden;

(…)

ff. produceren van dierlijke meststoffen: produceren van dierlijke meststoffen door het op een bedrijf houden of anderszins aanwezig hebben van dieren;

(…)”.

3.2

Op grond van artikel 21a, eerste lid, van de Msw verleent Onze Minister aan een landbouwer die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een melkveefosfaatreferentie, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De melkveefosfaatreferentie vermeldt het bedrijf waarvoor de melkveefosfaatreferentie wordt afgegeven.

4.1

Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of verweerder terecht het jongvee dat tot eind 2013 elders was ondergebracht niet heeft meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van de MVFR. Volgens appellante was zij houder van deze dieren. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat zij eigenaar bleef van het jongvee en dat zij daarover ook de zeggenschap had. Verder bestond tussen de locatie van appellante en de locatie waar het jongvee werd gehouden een veterinaire eenheid. In zijn aanvullende standpunt heeft verweerder ten onrechte slechts betrokken dat appellante geen huurder was van de stal waar het jongvee was ondergebracht.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante geen houder is van het jongvee dat bij de opfokker was ondergebracht. Hij baseert zich voor de uitleg van het begrip “houderschap” op het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1055. Verweerder acht in dit geval van doorslaggevend belang dat appellante geen huurder was van de stal waar het jongvee was ondergebracht. Het feit dat sprake was van een veterinaire eenheid en dat appellante eigenaar was van het jongvee, leidt volgens verweerder niet tot een ander oordeel.

4.3

Het College overweegt dat het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad is gebaseerd op regelgeving die ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet meer van toepassing was. De onder 3.1 vermelde begripsomschrijving van “bedrijf” is in de Msw opgenomen met de Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) (Stb. 2005, nr. 481). Daarbij is de beoordeling van de feitelijke situatie van belang. Dat blijkt ook uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2004 – 2005, 29930, nr. 3). Daarin staat bijvoorbeeld dat landbouwgrond (indien aanwezig) tezamen met de gebouwen één feitelijke eenheid moet vormen (p. 105). Ook voor de vraag welke productie-eenheden als een zodanige eenheid moeten worden gezien dat gesproken kan worden van één-en-hetzelfde bedrijf, is de beoordeling van de feitelijke omstandigheden van groot belang (p. 105-106). Het vee behoort tot de productie-eenheden van het landbouwbedrijf. Daarmee dient de vraag wie de houder is van het vee en daarmee tot welk bedrijf het vee behoort, ook te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie.

4.4

Voor de beantwoording van de vraag of appellante in 2013 feitelijk houder was van het jongvee, dient naar alle feiten en omstandigheden van het geval te worden gekeken. Het College neemt in aanmerking dat de opfokker de eigenaar was van de stal en dat appellante deze niet huurde. De opfokker ontving voor de eerste 760 dagen opfok een bedrag per dier per dag. Hij was verantwoordelijk voor en droeg de kosten van de dagelijkse verzorging van en de medische zorg voor het jongvee, waaronder de kosten voor diervoeders, huisvesting, medicijnen, KI en transportkosten. De opfokker diende zorg te dragen voor de noodzakelijke verzekeringen. De opfokker ontving geen vergoeding voor opfok tussen 760 en 800 dagen. Ook was de opfokker gehouden om door appellante jaarlijks uit te selecteren vaarzen over te nemen voor een bedrag van € 160,-. Voor deze dieren was appellante geen opfokvergoeding verschuldigd. Verder was de opfokker gehouden aan appellante een vergoeding van € 160,- te betalen als een dier uitviel. De opfokker was gerechtigd om een kalf te weigeren dat hij te klein of niet goed genoeg vond.

Anderzijds neemt het College in aanmerking dat appellante de bouw van een nieuwe stal in 2012 in gang heeft gezet met het doel daar het jongvee te huisvesten. Na het gereedkomen van de nieuwe stal eind 2013 heeft appellante tussen 19 oktober 2013 en 5 november 2013 al het jongvee teruggehaald van de opfoklocatie en verricht appellante de opfok van haar jongvee zelf. Tussen de locatie van appellante en de locatie waar het jongvee werd opgefokt bestond een veterinaire eenheid. Toen het jongvee bij de opfokker stond, financierde appellante de dieren en bleef zij eigenaar. Appellante kon de opfokker aanwijzingen geven met betrekking tot de stierkeuze en zij was bevoegd jaarlijks 10% van de vaarzen te selecteren. Appellante heeft ter zitting verklaard in de praktijk ook aanwijzingen te hebben gegeven over de leverancier van (kracht)voer en de te geven medicatie.

In het licht van al deze omstandigheden, waarbij de feiten en omstandigheden die de door verweerder voorgestane interpretatie onderschrijven zwaarwegender zijn dan de feiten en omstandigheden die tegen deze interpretatie en voor die van appellante pleiten, mede in onderling verband en samenhang gezien, is het College van oordeel dat de betrokken productie-eenheden (bedrijfslocatie appellante respectievelijk de opfoklocatie) niet als een zodanige eenheid moeten worden gezien dat gesproken kan worden van één-en-hetzelfde bedrijf. Het College hecht daarbij gewicht aan het feit dat appellante geen zeggenschap had over de stal waar het jongvee was gehuisvest. Uit de overeenkomst blijkt niet dat appellante, zoals zij in beroep stelt, het exclusieve recht had op deze stal. Ook anderszins heeft zij dat niet onderbouwd. Verder hecht het College er gewicht aan dat, gelet op de feiten dat de opfokker na 760 dagen geen vergoeding meer kreeg voor de opfok, hij € 160,- moest betalen als een dier zou uitvallen, de opfokker verplicht was door appellante geselecteerde kalveren over te nemen voor € 160,- met verval van het recht op opfokvergoeding en diende zorg te dragen voor de noodzakelijke verzekeringen, niet appellante maar de opfokker feitelijk het economisch risico van de opfok van het jongvee droeg. Het enkele feit dat in de overeenkomst van 23 april 2007 staat dat appellante economisch eigenaar van de dieren blijft kan daar niet aan afdoen. Appellante kan in 2013 niet als de houder van het jongvee in de zin van artikel 21a, eerste lid, van de Msw worden aangemerkt. In zoverre slaagt het beroep niet.

5. Appellante is subsidiair van mening dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last als omschreven in de uitspraak van het College van 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:150) en wil dat aan haar op grond van artikel 38 van de Msw ontheffing wordt verleend. Zij wijst in dat verband op de bouw van de nieuwe stal in 2013. Het College stelt vast dat verweerder hierop niet is ingegaan. Uit de door appellante genoemde uitspraak van het College van 15 juni 2016 onder 5.6.3 volgt dat verweerder het bestreden besluit in zoverre niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd.

6. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College kan gelet op de nodige nadere beoordeling door verweerder van de door appellante verstrekte informatie in het licht van de inmiddels in werking getreden regelgeving op grond van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij in deze zaak niet tot finale geschilbeslechting overgaan. Verweerder zal dan ook worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient bij het nemen van het nieuwe besluit hetgeen is overwogen onder 5.7 en 5.8 van bovengenoemde uitspraak van het College van 15 juni 2016 in acht te nemen. Het College zal voor het nemen van een nieuw besluit een termijn stellen van acht weken na verzending van deze uitspraak.

7. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zienswijze met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, mr. J.A.M. van den Berk en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

w.g. H.B. van Gijn de griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen