Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:263

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
16/1020 en 17/344
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB; toekenning betalingsrechten; betekenis pachtovereenkomst; natuurbeheertype; onverbindend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/1020 en 17/344

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaken tussen

Maatschap Boerderij De Wappert, te Lienden, appellante

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 30 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I (zaaknummer 16/1020) en tegen het bestreden besluit II (zaaknummer 17/344).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 12 april 2017 heeft verweerder geantwoord op schriftelijke vragen van het College en twee stukken overgelegd. Ten aanzien van één van die stukken heeft verweerder, met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 14 april 2017 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd geacht. Het stuk is teruggezonden aan verweerder. Verweerder heeft medegedeeld dat het stuk niet alsnog zal worden overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de zijde van verweerder zijn ook verschenen mr. C. Cromheecke, ir. J.A.F. van de Wijnboom en M. Rademaker.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder ten onrechte voor een perceel van het landbouwbedrijf van appellante geen betalingsrechten heeft toegewezen en uitbetaald. Het perceel is in de Gecombineerde Opgave, waarbij appellante de toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten heeft aangevraagd, aangeduid als perceel 39.

2. Reden voor de uitsluiting van perceel 39 is dat het perceel op de beheertypenkaart van het toepasselijke provinciale natuurbeheerplan is aangeduid met natuurbeheertype 'Rivier- en moeraslandschap' (N01.03). Dit natuurbeheertype is opgenomen in bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling. Op grond van artikel 32, derde lid, onder b, van de Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) in samenhang met artikel 2.10, tweede lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling zijn gronden met dit natuurbeheertype aangewezen als areaal dat overwegend voor niet landbouwactiviteiten wordt gebruikt.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van genoemde bepaling van de Uitvoeringsregeling perceel 39 niet kan worden aangemerkt als een subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder a, van de Verordening 1307/2013.

4. Appellante heeft zich allereerst beroepen op de inhoud van de pachtovereenkomst die de Staat der Nederlanden voor het perceel heeft gesloten met de gebiedscoöperatie waarvan appellante lid is. In artikel 18 van de pachtovereenkomst is vermeld dat op de bij de pachtovereenkomst uitgegeven grond betalingsrechten rusten.

4.1

Het College volgt niet het betoog van appellante dat door deze bepaling in de pachtovereenkomst de bevoegdheid ontbreekt om het perceel van steun uit te sluiten, reeds omdat de pachtovereenkomst – daargelaten of en zo ja, welk recht appellante daaraan in dit verband kan ontlenen – is gesloten nadat de Uitvoeringsregeling op 11 december 2014 is gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2014, 36127) en nadat deze op 1 januari 2015 in werking is getreden. De pachtovereenkomst is dan ook geen reden, anders dan appellante heeft betoogd, om de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te laten.

5. Het College heeft bij uitspraak van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) geoordeeld dat artikel 2.10, tweede lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling onverbindend is. Voor de motivering wordt verwezen naar die uitspraak. Dit betekent dat verweerder de afwijzing van betalingsrechten voor perceel 8 en de uitbetaling ervan ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 2.10, tweede lid onder a, van de Uitvoeringsregeling. In zoverre zijn het bestreden besluit I en het daarop gebaseerde bestreden besluit II onvoldoende zorgvuldig voorbereid en kunnen zij niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

6. Appellante heeft ten aanzien van bestreden besluit II betoogd dat verweerder een dwangsom moet betalen, omdat verweerder niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist. Met verweerder stelt het College vast dat appellante de schriftelijke ingebrekestelling heeft ingediend voordat de termijn voor het geven van het besluit op de aanvraag was verstreken. Gelet hierop is verweerder geen dwangsom aan appellante verschuldigd. In het betoog van appellante hierover ziet het College geen ruimte om af te wijken van artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

7. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. Het College vernietigt het bestreden besluit I en het bestreden besluit II wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal opnieuw op de bezwaren van appellante moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift in zaaknummer 16/1020, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift in zaak 17/344, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,-- (zaaknummer 16/1020) en het betaalde griffierecht van € 333,- (zaaknummer 17/344) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele