Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:261

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
16/672
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid bezwaar; registratiesysteem voor de verzending; batch

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/672

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen

V.O.F. Landbouw en Fruitteeltbedrijf [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniƫls).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toekenning van betalingsrechten afgewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een reactie op het verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarop bij brief gereageerd, gevolgd door de indiening van een nader stuk.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen [naam 2] . Aan de kant van verweerder is tevens verschenen mr. J.F. Janmaat, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het te laat is ingediend. Appellante heeft betoogd dat zij het primaire besluit niet heeft ontvangen.

2. De termijn om bezwaar te maken vangt aan met ingang van de dag na de dag waarop het primaire besluit door toezending aan appellante is bekendgemaakt, zo volgt uit de artikelen 6:8 en 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College hanteert als uitgangspunt, evenals de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:2777 en ECLI:NL:RVS:2013:238) dat, ingeval de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden.

3. Op grond van de schermafdrukken van het registratiesysteem die verweerder heeft overgelegd, is aannemelijk dat het primaire besluit op 29 februari 2016 aan appellante is toegezonden, naar het adres van appellante. Het besluit, met documentnummer 18853607, maakt blijkens de schermafdrukken deel uit van een batch met batchnummer dat eindigt op '20160301nn1081_0'. Die batch ziet op 1081 brieven met als inhoud 'GLB_afwijsbrief', met dagtekening 1 maart 2016. In het systeem is geregistreerd dat de batch is verzonden op 29 februari 2016. Daarmee wijkt de situatie die hier aan de orde is, af van de situatie die aan de orde was in de uitspraak van 27 mei 2016 van het College waarnaar appellante heeft verwezen (ECLI:NL:CBB:2016:160). In dat geval was juist niet in het registratiesysteem vermeld dat het besluit was toegezonden en op welke datum.

4. Nu verweerder de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van appellante om het vermoeden te ontzenuwen dat het primaire besluit op dat adres is ontvangen. Appellante heeft ter zitting betoogd dat het financiƫle belang voor haar groot was en dat zij direct bezwaar zou hebben gemaakt als zij het primaire besluit zou hebben ontvangen. Hierin kan echter onvoldoende aanleiding worden gevonden om te oordelen dat de ontvangst van het primaire besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het moet er daarom voor worden gehouden dat appellante het besluit kort na 29 februari 2016 heeft ontvangen.

5. Nu het primaire besluit op 29 februari 2016 aan appellante is toegezonden, is de bezwaartermijn op 1 maart 2016 aangevangen. Vastgesteld moet worden dat het bezwaar niet binnen zes weken na aanvang van de bezwaartermijn is ontvangen. Appellante heeft dus te laat bezwaar gemaakt. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geoordeeld.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele