Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:26

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
15/194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht. Kern van de klacht is dat betrokkene volgens appellant op grond van de hem verstrekte informatie aanstonds tot een bepaalde conclusie had moeten komen. Die stelling is niet houdbaar. Een accountant heeft behalve het belang van zijn opdrachtgever ook het algemeen belang te dienen. Dat betrokkene op basis van de verstrekte informatie tot stelliger conclusies had kunnen komen, zonder in strijd te komen met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid is niet komen vast te staan. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/194

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 2 februari 2015, gegeven op een klacht, op 16 juni 2014 door appellant ingediend tegen [betrokkene] RA (betrokkene)

(gemachtigde: mr. T. Welschen).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 2 februari 2015, met nummer 14/1422 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:10).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016.

Appellant is verschenen. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. Voor een weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding verder van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt voorts verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd.

1.2

Appellant is advocaat te [plaats] en voert namens verschillende partijen (collectieve) acties tegen Spaarbeleg / Aegon Garantiefonds (Garantiefonds) inzake certificaten in een beleggingsfonds (“Sprintplan”). Namens deze partijen heeft appellant het standpunt ingenomen dat het Garantiefonds niet in obligaties heeft belegd, maar in opties. Belegging in opties vergt een veel geringer kapitaalbeslag dan de aankoop van obligaties. Voor een optieovereenkomst hoeft namelijk slechts een optiepremie van 3 tot 5% per jaar te worden betaald. Appellant is van mening dat aan consumenten die Sprintplan-certificaten hebben aangekocht ten onrechte grote bedragen zijn geleend, welke benodigd zouden zijn voor de aanschaf van obligaties door het Garantiefonds, terwijl het in werkelijkheid slechts optieovereenkomsten heeft gesloten.

1.3

In mei 2011 heeft appellant opdracht gegeven aan (de onderneming van) betrokkene om een onderzoek in te stellen, dat in twee fasen zou plaatsvinden. De opdracht is in de opdrachtbevestiging van 11 mei 2011 als volgt geformuleerd:

“1. Wordt de informatie welke is verstrekt door Aegon in de Conclusie van Antwoord in de rolzitting van 15 oktober 2008, dat “circa 80% van de belegging in het Garantiefonds wordt gedaan in obligaties” onderbouwd in de desbetreffende jaarverslagen en jaarrekeningen?;

2. Wordt de informatie welke is verstrekt door Aegon in de Conclusie van Antwoord in de rolzitting van 15 oktober 2008, dat “circa 80% van de belegging in het Garantiefonds wordt gedaan in obligaties” onderbouwd in de desbetreffende Prospectus en in de Specifieke bepalingen voor Portefeuille April 00/05?;

3. Zijn er aanwijzingen dat Aegon mogelijk niet zorgvuldig heeft gehandeld met het via het Sprintplan ingelegde vermogen.”

1.4

Het onderzoek is verricht aan de hand van door appellant aan betrokkene ter beschikking gestelde stukken, te weten:

- enkele pagina’s van de conclusies van antwoord van Aegon van de rolzittingen van 15 oktober 2008 en 8 december 2010;

- de prospectus van het Spaarbeleg Sprintplan;

- specifieke bepalingen voor Portefeuille September 99/04 van het Spaarbeleg Garantiefonds;

- specifieke bepalingen voor Portefeuille April 00/05 van het Aegon Garantiefonds;

- de financiële bijsluiter van het Sprintplan;

- delen van de jaarrekeningen Spaarbeleg Garantiefonds 1998-2009;

- jaarverslag 2005 Aegon Bank NV;

- van Tros Radar afkomstige informatie met betrekking tot het Spaarbeleg Sprintplan;

- jaarverslagen Aegon Garantiefonds 1998 tot en met 2009.

Voor de tweede fase van het onderzoek is tevens gebruik gemaakt van:

- diverse correspondentie tussen klager en [naam 2] ;

- informatie met een citaat van de advocate van Aegon Bank inzake synthetische obligaties.

1.5

Op 24 juni 2011 heeft betrokkene het rapport met de bevindingen van de eerste fase uitgebracht. De conclusie hiervan luidt:

“(…) Recapitulerend kan gesteld worden dat het vermogen van het Garantiefonds wordt belegd in OTC-opties en (met een eerste vermelding in het Jaarverslag 2003) zero-coupon bonds. Uit de onderzochte informatie/documenten valt niet af te leiden of het vermogen van het garantiefonds geheel of gedeeltelijk wordt belegd en in welke specifieke financiële instrumenten met welke omvang er in die specifieke financiële instrumenten wordt belegd.

Op grond van de in het onderzoek betrokken informatie (…) kan worden geconcludeerd dat het (…) namens AEGON Bank N.V. in de conclusies van Antwoord (…) vermelde dat

“Dit komt doordat circa 80% van de belegging in het Garantiefonds wordt gedaan in obligaties,..” niet kan worden afgeleid uit / kan worden onderbouwd door de in het onderzoek betrokken informatie/documenten.”

De genoemde financiële instrumenten zijn in dit rapport als volgt omschreven:

“Obligatie: Een waardepapier met een vaste nominale waarde en een opbrengst die ieder jaar gelijk is. De waarde kan afhankelijk van de rentestand gedurende de looptijd afwijken van de nominale waarde. Periodiek wordt op een (reguliere) obligatie interest (rente) uitbetaald. Een investeerder in een reguliere obligatie ontvangt inkomen (interest) uit de couponbetalingen, welke gewoonlijk halfjaarlijks plaatsvinden. De investeerder ontvangt ook de hoofdsom of nominale waarde van de investering wanneer de obligatie afloopt.

Optie: Een optie is een recht of plicht tot koop of verkoop van aandelen, obligaties, goud of valuta tegen een van te voren vastgestelde prijs, gedurende een bepaalde looptijd.

OTC-optie: Over-the-counter (OTC) of transacties buiten de beurs is de handel in financiële instrumenten, zoals aandelen, obligaties, grondstoffen of derivaten rechtstreeks tussen twee partijen. (…)

Zero-coupon bond: Een nul-coupon obligatie, zero coupon bond of bullet is een obligatie zonder coupons en betalen geen interest uit. De uitgifteprijs van een nul-coupon obligatie is om die reden veel lager dan de waarde van de obligatie op de einddatum (c.q. vervaldatum).

De houder van een nul-coupon obligatie heeft het recht om één enkele uitbetaling te ontvangen. Dit is gewoonlijk een vooraf gespecificeerde som geld op nadere gespecificeerde tijd in de toekomst. Het toekomstige tijdstip valt gewoonlijk samen met de einddatum van de obligatie.
Soms zijn nul-coupon obligaties geïndexeerd voor inflatie zodat de aan de obligatiehouder uitgekeerde vergoeding dusdanig is berekend om dezelfde koopkracht van de vergoeding te behouden in plaats van een vooraf vastgesteld vast bedrag. Het merendeel van de nul-coupon obligaties betaalt een vastgesteld bedrag, de zogenaamde nominale uitkering. (…)”

1.6

Op 11 augustus 2011 heeft betrokkene op verzoek van appellant gerapporteerd dat in aanvulling op de rapportage van 24 juni 2011 kan worden vermeld:

“dat op basis van de enkele inhoud van de jaarverslagen van het AEGON Garantiefonds betreffende de jaren 1998 tot en met 2007 het AEGON Garantiefonds niet heeft belegd in ‘echte’ obligaties, waarbij onder een ‘echte’ obligatie moet worden begrepen een obligatie zoals die in de rapportage van 24 juni 2011 (…) is omschreven, (…).

1.7

Op 31 januari 2012 heeft [naam 3] een rapport uitgebracht. In dat rapport is onder meer aangegeven dat uit de jaarverslagen niet volledig duidelijk wordt waarin en voor welke omvang er is belegd en dat dit alleen maar duidelijk kan worden indien er nader onderzoek kan plaatsvinden bij AEGON, het Garantiefonds en daarbij betrokken andere AEGON bedrijven.

1.8

Betrokkene heeft op 15 februari 2012 het rapport met de bevindingen van de tweede fase uitgebracht. De conclusie hiervan luidt:

“Uit de ter beschikking gestelde informatie kan niet de aard en omvang van de beleggingen van het AEGON Garantiefonds eenduidig worden bepaald. De jaarrekeningen van het AEGON Garantiefonds geven niet de daarvoor benodigde informatie. In combinatie met de overige documenten en informatie, zoals de Prospectus, de Specifieke Bepalingen, de Financiële bijsluiter, de uitingen van de advocaat van AEGON in de Conclusies van Antwoord en de email van 20 december 2012 wordt de onduidelijkheid alleen maar groter.

Op vragen zoals:

• In welke financiële producten heeft het AEGON Garantiefonds gespecificeerd belegd?

• Tot welke omvang is er in de diverse financiële producten specifiek belegd?

• Welke resultaten zijn er met de diverse financiële producten specifiek behaald?

• Welk deel van het ingelegde vermogen is belegd?

Kan op grond van de beschikbare informatie geen antwoord gegeven worden.

De eerste onderzoeksvraag of er aanwijzingen zijn dat het AEGON Garantiefonds mogelijk niet zorgvuldig heeft gehandeld met het via het Sprintplan ingelegde vermogen kan niet bevestigend worden beantwoord. Anderzijds kan evenmin bevestigend worden beantwoord dat het AEGON Garantiefonds zorgvuldig heeft gehandeld met het via het Sprintplan ingelegde vermogen. De ter beschikking staande informatie is onvoldoende om hierover een uitspraak te kunnen doen.

De tweede onderzoeksvraag of het Aegon Garantiefonds in de jaren 1997-2007 heeft belegd in echte aandelen kan niet met zekerheid worden beantwoord. Dit mede vanwege het al eerder genoemde gebrek aan duidelijkheid ten aanzien van aard en omvang van de beleggingen van het AEGON garantiefonds. Echter kan wel worden gesteld dat uit de ter beschikking staande informatie niet is gebleken dat er wel in echte aandelen/obligaties is belegd. Sterker nog er zijn meerdere aanwijzingen aanwezig dat er kennelijk niet is belegd in echte aandelen/ obligaties.

Er kan maar op één manier duidelijkheid worden verkregen op de gestelde vragen en dat is door het instellen van een nader onderzoek in de administraties van het Garantiefonds en de andere daarbij betrokken AEGON vennootschappen.”

1.9

Voorafgaand aan het uitbrengen van laatstgenoemd rapport is er nog discussie geweest tussen appellant en betrokkene over de vragen a) of de jaarrekening 2002 een getrouw beeld geeft en b) of de jaarrekening 2002 voldoet aan de wettelijke verplichtingen, waaronder het getrouw weergeven van de samenstelling en de mutaties van de (onderliggende) beleggingen. Betrokkene heeft daarbij aangegeven dat op die vragen pas antwoord kan worden gegeven na het instellen van een nader onderzoek in de administraties van het Garantiefonds en zich op het standpunt gesteld dat er een deugdelijke grondslag ontbreekt om te komen tot de (door appellant gewenste) conclusie dat die jaarrekening geen getrouw beeld geeft en niet aan de wettelijke eisen voldoet.

1.10

Appellant heeft voorts aan [naam 4] RA ( [naam 4] ) verzocht om de jaarverslagen van Spaarbeleg Garantiefonds 1998 en de jaarverslagen van AEGON Garantiefonds 1999-2009 te analyseren. [naam 4] heeft in zijn rapport van 29 maart 2012 geconcludeerd dat de jaarrekeningen van Spaarbeleg Garantiefonds 1998 en AEGON Garantiefonds 1999-2005 niet voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in titel 9, boek 2 BW en dat bij die jaarrekeningen ten onrechte goedkeurende accountantsverklaringen zijn afgegeven. Voorts heeft [naam 4] gesteld dat uit de jaarverslagen 1998-2009 niet (expliciet) blijkt dat wordt belegd in obligaties en andere beleggingen, niet zijnde derivaten (OTC opties). De processtukken en financiële bijsluiter Sprintplan zijn volgens hem daarmee inconsistent.

1.11

In een nader rapport van 29 juni 2013 heeft [naam 4] zich op het standpunt gesteld dat uit de inhoud van de jaarrekeningen van het Garantiefonds zonneklaar blijkt dat het Garantiefonds in de jaren 1997-2009 enkel heeft belegd in opties en niet in (zero-coupon) obligaties en dat zijn deskundig oordeel is dat geen enkele deskundig handelende registeraccountant in redelijkheid kon en mocht concluderen en rapporteren dat het Garantiefonds heeft belegd in obligaties, meer in het bijzonder (zero coupon) obligaties. Volgens [naam 4] zijn betrokkene en [naam 3] ernstig tekort geschoten in de uitvoering van de aan hen verstrekte opdrachten. Dit brengt hem tot de conclusie dat betrokkene en [naam 3] ofwel niet voldoende deskundig waren en dat – met weigering van de opdracht – aan de opdrachtgever hadden moeten laten weten, ofwel om hen moverende redenen willens en wetens onjuist hebben gerapporteerd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met de wet, de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels en het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Daaraan liggen de volgende verwijten ten grondslag:

I. Betrokkene heeft in strijd met de opdracht in zijn rapport geen zekerheid verschaft, geen duidelijke en heldere conclusies verwoord en voor de wel gegeven conclusie geen deugdelijke grondslag gegeven, terwijl betrokkene ermee bekend was dat zijn rapport zou worden gebruikt in een civiele procedure. Betrokkene had, aldus appellant, als zijn conclusie moeten geven dat uit de jaarrekeningen blijkt dat enkel is belegd in opties, zodat niet is belegd in obligaties, laat staan voor 80% van het vermogen.

II. Betrokkene heeft, ondanks de afzonderlijke formulering van twee vragen in zijn rapportage van 24 juni 2011, die twee vragen gezamenlijk beantwoord en daardoor verwarring veroorzaakt.

III. Betrokkene heeft zijn rapportages zodanig (onjuist, vaag en tegenstrijdig) ingericht, dat daardoor de rechterlijke objectieve waarheidsvinding is belemmerd. Volgens appellant blijkt uit de jaarrekeningen zonneklaar dat door het fonds alleen is belegd in opties en niet in obligaties, terwijl betrokkene daarover in zijn rapportages verwarring zaait, misleidend is en stelt dat wel in obligaties is belegd.

IV. Betrokkene en de door hem ingeschakelde hulppersoon [naam 3] hebben tezamen en in vereniging en in bewuste en nauwe samenwerking willens en wetens rapporten opgesteld, met een vals, althans vergaand onjuist, althans vergaand misleidend antwoord op de onderzoeksvraag van 11 mei 2011. In hun rapporten is immers steeds gesteld dat belegd is in obligaties, terwijl zij wisten en begrepen dat in de jaarrekeningen alleen waren vermeld beleggingen in opties en geen beleggingen in obligaties of andere vastrentende waarden.

V. Betrokkene heeft zijn rapportages onnodig lang gemaakt en zodoende onnodig uren geschreven en gedeclareerd, teneinde een stortvloed aan niet-heldere, inconsistente, niet relevante informatie te geven waardoor de lezer wordt misleid.

VI. Betrokkene heeft in de civiele procedure opzettelijk in strijd met de waarheid de stellingen betrokken dat a) hij geen antwoord kon geven op de vraag of nu wel of niet in obligaties was belegd, b) een onderzoek in de boeken van Sprintplan nodig was voor het beantwoorden van die vraag, c) voor de conclusie dat het fonds nimmer heeft belegd in obligaties geen deugdelijke grondslag kon worden gevonden en dat de jaarrekeningen een te smalle basis vormden om zodanige conclusie te rapporteren en d) hij op grond van de jaarrekeningen kon en mocht concluderen dat het fonds heeft belegd in obligaties.

VII. Betrokkene en [naam 3] hebben willens en wetens hun werkzaamheden niet conform de opdrachten verricht en appellant misleid door in hun rapporten op te nemen dat het fonds in obligaties heeft belegd, terwijl dat niet zo is. Zij hadden enkel op basis van de jaarrekeningen al moeten concluderen dat het fonds nimmer heeft belegd in obligaties en dat de jaarrekeningen niet voldeden aan de wettelijke en andere vereisten en ten onrechte waren goedgekeurd door de accountant.

VIII. Betrokkene en [naam 3] zijn willens en wetens hun verplichtingen tegenover appellant niet nagekomen. Zij hebben opzettelijk in hun rapportages woorden en teksten uit documenten weggelaten en in strijd met de werkelijkheid daarin wel opgenomen dat (ook) is belegd in (zero coupon) obligaties.

Naar aanleiding van het verweerschrift van betrokkene van 11 juli 2014 heeft appellant zijn

klacht bij brief van 18 juli 2014 aangevuld met een negende klachtonderdeel:

IX. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift van 11 juli 2014 willens en wetens onware feiten, onware omstandigheden en onware stellingen doen opnemen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte en zonder deugdelijke onderbouwing de klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard. Appellant heeft voorts gesteld dat de accountantskamer ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat hij in voor cliënten gevoerde procedures heeft aangevoerd dat het Garantiefonds niet in “echte” obligaties heeft belegd, terwijl appellant in die procedures heeft aangevoerd dat “niet in obligaties is belegd”. Appellant heeft het hogerberoepschrift voorts onder de kop “aanvulling der feiten” uitgewerkt in 140 onderdelen. Naar ook betrokkene blijkens nrs. 55 tot en met 82 van diens reactie op het hogerberoepschrift heeft begrepen, zijn daaruit de volgende grieven te destilleren:

A. Betrokkene en [naam 3] hebben in de door hen in opdracht van appellant opgestelde rapporten willens en wetens onjuiste informatie opgenomen, gerapporteerd dat een algemeen beeld naar voren komt dat waarschijnlijk is belegd in obligaties en geconcludeerd dat het Garantiefonds heeft belegd in obligaties. Dit deden zij met het kennelijke doel om appellant en anderen die van die rapporten kennis zouden nemen te misleiden en te bedriegen. Tevens is aldus sprake van oplichting van appellant.

B. Betrokkene heeft willens en wetens in strijd met de waarheid onjuistheden in zijn rapporten opgenomen en relevante tekstonderdelen weggelaten.

C. Betrokkene heeft onjuistheden die door [naam 3] in zijn rapport zijn opgenomen niet gecorrigeerd en heeft willens en wetens bewerkstelligd dat [naam 3] zijn uit de met appellant gesloten opdracht voortvloeiende verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen.

D. Het door betrokkene voor de accountantskamer opgestelde verweerschrift bevat een aantal onjuistheden.

4. Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat de kern van de in hoger beroep gehandhaafde klacht is dat betrokkene volgens appellant op grond van de verstrekte informatie aanstonds tot de conclusie had moeten komen dat het Garantiefonds niet in obligaties, maar slechts in opties heeft belegd.
Ter zitting heeft appellant benadrukt dat het rapport van 15 februari 2012 tegenstrijdigheden bevat. Betrokkene heeft volgens appellant ten onrechte gerapporteerd dat het Garantiefonds heeft belegd in obligaties, terwijl in de conclusie is vermeld dat op de vraag in welke financiële producten is belegd geen antwoord kan worden gegeven. Uit de jaarrekeningen blijkt volgens appellant duidelijk dat er slechts is belegd in opties, maar betrokkene rapporteert aan de hand van de jaarrekeningen toch dat er is belegd in obligaties.

5. Betrokkene heeft in reactie op dit betoog verklaard dat hij in hoofdstuk 6 van het rapport van 15 februari 2012 zijn bevindingen heeft opgenomen, namelijk een verslag van wat er in de jaarverslagen en overige stukken is vermeld. Daaruit komt een beeld naar voren dat het Garantiefonds heeft belegd in opties en in zero-coupon obligaties. Zero-coupon obligaties zijn geen “echte” obligaties, zij voldoen namelijk niet aan de in het rapport gegeven omschrijving van een (reguliere) obligatie. In hoofdstuk 7 is de conclusie opgenomen. Daarin is vermeld dat uit de ter beschikking staande informatie niet is gebleken dat er in echte aandelen/obligaties is belegd en dat er meerdere aanwijzingen zijn dat er niet is belegd in echte aandelen/obligaties. Betrokkene heeft in dit verband gewezen op het verschil tussen weergeven wat er in jaarverslagen is vermeld en het als accountant trekken van objectieve conclusies.

6. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat de stelling dat betrokkene op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken aanstonds tot de conclusie had moeten komen dat niet in obligaties was belegd, niet houdbaar is. Zoals de accountantskamer met juistheid heeft overwogen heeft een accountant behalve het belang van zijn opdrachtgever ook het algemeen belang te dienen. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijke verkeer aan een accountantsrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemene belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, betekent dit dat de accountant ervoor dient te zorgen dat zijn rapportage deze waarheidsvinding niet belemmert, doordat deze te eenzijdig is toegespitst op het standpunt/belang van de opdrachtgever.

Het College is voorts van oordeel dat de accountant tot de door hem geformuleerde conclusies heeft kunnen komen. Dat betrokkene op basis van de voorhanden zijnde informatie tot stelliger conclusies had kunnen komen, zonder in strijd te komen met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid, is niet komen vast te staan. Daaraan doet de conclusie van [naam 4] in diens rapport van 29 juni 2013 niet af. Die conclusie gaat immers ervan uit dat betrokkene zou hebben gerapporteerd en geconcludeerd dat het Garantiefonds heeft belegd in obligaties, meer in het bijzonder in zero-coupon obligaties. Het College is echter van oordeel dat betrokkene in zijn rapporten niet heeft gerapporteerd of geconcludeerd dat het Garantiefonds in obligaties heeft belegd. Betrokkene heeft in de conclusie van het rapport van 15 februari 2012 juist het vermoeden uitgesproken dat het Garantiefonds niet heeft belegd in obligaties. Betrokkene heeft zich naar het oordeel van het College op het standpunt kunnen stellen dat slechts na het onderzoeken van de administratie van het Garantiefonds en de andere bij de beleggingen betrokken vennootschappen meer duidelijkheid kan worden gegeven. De vergaande verwijten dat betrokkene zich schuldig zou hebben gemaakt aan misleiding, bedrog en oplichting heeft appellant niet aan de hand van concrete voorbeelden toegelicht en deze treffen daarom geen doel.

7. Uit het voorgaande volgt reeds dat grief A faalt.

8. Grief B betreft het opzettelijk weglaten van relevante informatie en het vermelden van onjuistheden in de rapporten van 24 juni 2011 en 15 februari 2012. Appellant heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat betrokkene ten onrechte heeft gerapporteerd en/of geconcludeerd dat het Garantiefonds jaarlijks heeft belegd in obligaties/bonds. Gelet op hetgeen hiervoor in overweging 6 is overwogen, faalt deze grief in zoverre.

Appellant verwijt betrokkene voorts dat hij ten onrechte een stuk tekst uit het prospectus 1999 onder het kopje “Fiscale aspecten” in de rapporten heeft weggelaten. Appellant heeft echter niet onderbouwd waarom het weglaten van de door hem bedoelde passage tot de conclusie zou dienen te leiden dat betrokkene in strijd met de door hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld. Om die reden faalt deze grief ook voor het overige.

9. Ten aanzien van grief C overweegt het College dat betrokkene niet verantwoordelijk is voor de inhoud van het door [naam 3] uitgebrachte rapport. Daaraan doet niet af dat betrokkene appellant met [naam 3] in contact heeft gebracht en in het rapport als opdrachtgever is vermeld. [naam 3] heeft immers op eigen titel gerapporteerd. De grief slaagt niet.

10. Grief D ziet op de ongegrondverklaring van klachtonderdeel IX. Appellant heeft hierin de volgens hem meest in het oog springende onwaarheden van betrokkene in diens voor de accountantskamer uitgebrachte verweerschrift opgesomd:

“18. [naam 5] heeft [naam 1] vanaf het begin voorgehouden (…) dat onderzoek op basis van alleen de jaarrekeningen een te smalle basis zou vormen voor een deugdelijk onderzoek en de daaruit te trekken conclusies.”;

“104. Door [naam 5] / [betrokkene] is nergens in de rapporten vermeld dat er is belegd in obligaties.”;

“114. [naam 5] / [betrokkene] heeft overigens nergens in zijn rapporten gesteld dat er blijkens de jaarrekeningen steeds of nagenoeg steeds is belegd in obligaties.”; en

“179. (…) Dit zijn niet de conclusies van [naam 5] .”.

Het College is, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de geciteerde uitlatingen van betrokkene (aperte) onjuistheden betreffen waardoor het doel van tuchtrechtspraak op oneigenlijke wijze zou kunnen worden gefrustreerd. Het betreft stellingen die betrokkene in de tuchtprocedure heeft kunnen innemen. Appellant heeft de stelling van betrokkene, dat hij hem vanaf het begin heeft voorgehouden dat onderzoek op basis van alleen de jaarrekeningen te beperkt zou zijn, uitdrukkelijk betwist. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat die stelling van betrokkene in strijd met de waarheid is gedaan, zelfs niet in de situatie dat betrokkene niet kan bewijzen dat hij de betreffende uitlating heeft gedaan.

Op de overige door betrokkene in het verweerschrift betrokken stellingen, dat in de rapporten niet is vermeld dat er is belegd in obligaties, is hiervoor in overweging 6 reeds ingegaan. Ook deze grief faalt derhalve.

11. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

12.
De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.L. Verbeek en mr. C.C.W. Lange,
in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken