Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:254

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
16/857
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Toewijzing betalingsrechten en uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling;

2%-regel; pas in verweerschrift aangevoerd; verweerder moet griffierecht en proceskosten betalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/857

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2017 in de zaak tussen

Melkveehouderij [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniëls, A. Aalmers en mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 26 februari 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van die betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit I herroepen en het aantal toegewezen betalingsrechten verlaagd.

Bij besluit van 15 september 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vennoot [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de oppervlakte van een aantal percelen van het landbouwbedrijf van appellante. Appellante meent dat verweerder de oppervlakte te klein heeft vastgesteld. Daardoor is haar een te laag aantal betalingsrechten toegewezen en had verweerder haar een hoger bedrag aan basis- en vergroeningbetaling moeten toekennen, aldus appellante.

2. Appellante heeft toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van basis- en vergroeningbetaling aangevraagd bij de Gecombineerde opgave voor 2015. In de Gecombineerde opgave zijn de percelen die nu in geding zijn, aangeduid als percelen 1, 2, 5 tot en met 10, 12, 15 tot en met 17, 24, 26 en 30. Voor elk van deze percelen heeft verweerder een kleinere maximale subsidiabele oppervlakte vastgesteld dan appellante in de Gecombineerde opgave heeft aangevraagd.

3. Het College stelt allereerst vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat voor elk van de hiervoor genoemde percelen het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door hem vastgestelde oppervlakte van de percelen.

4. Dat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn op de bezwaren heeft beslist, zoals appellante heeft betoogd, kan er niet toe leiden dat de bestreden besluiten toch onrechtmatig zijn. Tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren had appellante beroep kunnen instellen bij het College of verweerder in gebreke kunnen stellen op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het College ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoedt en verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. In het bestreden besluit I is verweerder uitgebreid ingegaan op de feitelijke situatie van de in dit geding aan de orde zijnde percelen van appellante, waardoor zij in de veronderstelling was dat die feitelijke situatie ook in beroep in volle omvang aan de orde zou komen. In plaats daarvan heeft verweerder zich in het verweerschrift, voor het eerst, erop beroepen dat de verschillen in oppervlaktes voor alle percelen minder dan 2% van het referentieperceel bedragen. Ter zitting heeft appellante bevestigd dat zij geen beroep zou hebben ingesteld, als verweerder deze motivering al in het bestreden besluit I zou hebben gebruikt. Ook heeft appellante gesteld dat zij dan griffierecht en reiskosten zou hebben uitgespaard, wat het College opvat als een verzoek om veroordeling van verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 52,32 voor reiskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 52,32.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.

w.g. H. Bolt w.g. M.B.L. van der Weele