Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:251

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
16/361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

artikel 2 onder h verordening 72/2009

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/361

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),

en

de Staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) opnieuw vastgesteld.

Bij het besluit van 17 april 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de teveel betaalde bedrijfstoeslag voor het jaar 2011 verrekend met de bedrijfstoeslag voor het jaar 2014.

Bij brief van 14 maart 2016 heeft appellante verweerder in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig beslissen op haar bezwaren tegen de primaire besluiten.

Bij besluit van 25 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft de dwangsom niet toegekend.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is voor appellante [naam 2] verschenen en voor verweerder [naam 3] . Het College heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te brengen en appellante om daarop te reageren.

Bij brief van 8 februari 2017 heeft verweerder nadere stukken ingediend met een nadere toelichting.

Bij brief van 24 februari 2017 heeft appellante hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 22 mei 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is voor appellante [naam 2] verschenen en voor verweerder [naam 3] . Het College heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten over het jaar 2011 en daartoe in de Gecombineerde Opgave (GO) 13 percelen met een totale oppervlakte van 11,84 ha opgegeven voor blijvend grasland (gewascode 265).

1.2

Bij besluit van 15 december 2011 heeft verweerder de bedrijfstoeslag over het jaar 2012 vastgesteld op € 45.787,57. Bij die vaststelling heeft verweerder 10 ha in aanmerking genomen omdat het aantal toeslagrechten 10 bedraagt.

1.3

Op 18 maart 2013 hebben inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) fysieke controles uitgevoerd ten aanzien van meerdere landbouwbedrijven waaronder dat van appellante, teneinde de oppervlakte van percelen vast te stellen. Daarvan is een Rapport fysieke controles (Vervolgcontroles BRP) Verzamelaanvraag/BRT 2012 opgemaakt (Rapport 2012). Op 26 augustus 2013 en 29 augustus 2013 hebben inspecteurs van de NVWA fysieke controles uitgevoerd bij appellante teneinde de oppervlakte van de opgegeven percelen vast te stellen. Hiervan is een Rapport fysieke controle (vervolg teledetectie 2013) Verzamelaanvraag/BTR 2013 (Rapport 2013) opgesteld.

1.4

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante over het jaar 2011 gewijzigd en vastgesteld op € 24.705,59. Bij die vaststelling heeft verweerder een oppervlakte van 8,45 ha in aanmerking genomen. Tevens heeft verweerder een sanctiekorting van tweemaal de afgekeurde oppervlakte (2 x 1,55 ha) toegepast wegens het feit dat het verschil tussen de aangevraagde oppervlakte en de goedgekeurde oppervlakte meer dan 3% bedraagt. Het teveel betaalde bedrag is vastgesteld op € 21.081,98. Bij het primaire besluit II heeft verweerder dit bedrag verrekend met de bedrijfstoeslag voor 2014.

2. Het College stelt voorop dat de primaire besluiten zijn genomen na 1 januari 2015. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 16 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:90, blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Uit dit oordeel volgt dat verweerder de primaire besluiten en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

3. Voor zover appellante een beroep heeft willen doen op verjaring slaagt dat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:160 niet. Ten tijde van het nemen van het primaire besluit I was vanaf het moment van de GO immers nog geen vier jaar verstreken.

4.1

Appellante kan zich niet verenigen met het feit dat verweerder de percelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 11 en 19 kleiner heeft vastgesteld dan door haar opgegeven. Zij heeft per perceel gemotiveerd waarom het niet in aanmerking nemen van (een deel van) de percelen niet juist is. Daarbij heeft zij ook bezwaar gemaakt tegen het hanteren van luchtfoto’s uit andere kalenderjaren dan 2011 en het hanteren van de Rapporten 2012 en 2013, voor zover het gaat om de aanwezigheid van paden, ruigten en hekken die niet te zien zijn op de luchtfoto’s van 2011 en volgens haar toen ook niet aanwezig waren.

4.2

Verweerder heeft luchtfoto’s overgelegd uit de kalenderjaren 2011 tot en met 2015. Daarnaast heeft hij de Rapporten 2012 en 2013 overgelegd, die zijn opgemaakt in 2013. Verweerder heeft deze stukken bij zijn beoordeling betrokken. Het College stelt met verweerder vast dat de basis voor de beoordeling de situatie in 2011 is. Het materiaal uit andere kalenderjaren kan slechts dienen ter bevestiging of verduidelijking van die situatie. Bij het beoordelen van de percelen hanteert het College dat als uitgangspunt.

De percelen 1 en 2:

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van subsidiabele landbouwgrond. Verweerder heeft een deel van de percelen afgekeurd omdat het een pad is en delen naast het pad zodanig verstruikt en verruigd zijn dat er geen sprake is van subsidiabele landbouwgronden. Het College overweegt dat in Rapport 2013 staat dat het blijvend grasland (code 265) betreft en dus landbouwgrond is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder h, van Verordening 73/2009. De luchtfoto’s over 2011 zijn onvoldoende duidelijk om tot een ander oordeel te komen. De oppervlakte moet echter, om subsidiabel te zijn, ook deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54). Appellante heeft betwist dat de percelen worden gebruikt als natuurpad. Zij worden met een kleinere maaier gemaaid. Het College stelt vast dat op de overgelegde luchtfoto’s van 2011 niet is te zien dat er een pad loopt. Ook op de luchtfoto’s van 2012 is dat niet zichtbaar. Het betreft weliswaar smalle percelen, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat het om een pad gaat. In Rapport 2012 is te zien dat er grasstroken lopen langs percelen die als bouwland worden gebruikt. Daaruit volgt echter niet dat het ook daadwerkelijk wandelpaden betreft. In Rapport 2013 wordt in algemene zin gesproken over de aanwezigheid van wandelpaden, maar niet blijkt waar die precies liggen. Bovendien zijn de onderzoeken uitgevoerd in 2013 en niet in 2011. Daarmee is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat de percelen worden gebruikt als natuurpad. In zoverre is het besluit dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

De percelen 4 en 5

6.1

Verweerder heeft de percelen 4 en 5 deels afgekeurd omdat de betreffende delen niet worden gebruik voor landbouwdoeleinden, maar voor recreatieve doeleinden (gazon). Perceel 4 is daarnaast ook in gebruik ten behoeve van bouwwerkzaamheden. Appellante heeft dit betwist.

6.2

Het geschil betreft het afgekeurde gedeelte van de percelen 4 en 5 aan de noordzijde nabij het huis. Het College stelt vast dat het afgekeurde deel van perceel 4 blijkens de luchtfoto van 2011 deels kaal is en dat er dus geen gras is te zien. Appellante heeft gesteld dat gras is ingezaaid, maar heeft dit verder niet onderbouwd. Het betreft daarom geen landbouwgrond, zodat verweerder terecht dit deel van het perceel heeft afgekeurd. Het overige afgekeurde deel van dit perceel en het afgekeurde deel van perceel 5 zijn groen. Op de luchtfoto’s is geen verschil in kleur te zien tussen het afgekeurde en de niet afgekeurde delen van deze percelen. Een verschil is ook niet te zien op de door appellante overgelegde foto’s of de bij Rapport 2012 gevoegde foto’s. Tussen het afgekeurde en goedgekeurde deel van de percelen 4 en 5 bevindt zich alleen op een deel van de begrenzing een heg. In die heg bevinden zich openingen. In Rapport 2013 is de geconstateerde oppervlakte vrijwel gelijk aan de opgegeven oppervlakte, zodat het noordelijke deel van de percelen 4 en 5 toen kennelijk niet als gazon is aangemerkt. In de GO is verder te zien dat appellante een deel van haar grond dat direct grenst aan de woning niet heeft opgegeven als landbouwgrond. Gelet op het vorenstaande acht het College niet aannemelijk dat de afgekeurde delen van perceel 4 en 5 die liggen nabij de woning als gazon wordt gebruikt. Het besluit is daarom op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

De percelen 6, 10 en 19

7.1

Het geschil ten aanzien van de percelen 6 en 10 betreft de begrenzing. Verweerder heeft de grenzen van percelen 6 en 10 dichter langs de bomenrij gelegd. Ten aanzien van perceel 6 is ook in geschil dat verweerder een strook rondom de vijver heeft uitgesloten.

7.2

Het College stelt vast dat in Rapport 2013 een deel van perceel 10 is aangemerkt als perceel 19, maar dat dit perceel blijkens de stukken bij de GO als onderdeel van perceel 10 is opgegeven en door verweerder ook als zodanig is beoordeeld. Verweerder heeft de grenzen van de percelen 6 en 10 naar aanleiding van het beroep van appellante en de behandeling ter zitting van 23 januari 2017 aangepast. De goedgekeurde oppervlakte van beide percelen is daarmee vergroot ten opzichte van de oppervlakte zoals deze bij het primaire besluit I is vastgesteld. Ter zitting van 22 mei 2017 heeft verweerder verklaard dat de grenzen zoals weergegeven op de luchtfoto’s die zijn overgelegd bij brief van 8 februari 2017 de juiste zijn. Ter zitting van 22 mei 2017 heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich nog steeds niet kan verenigen met de grens zoals deze is getrokken tussen perceel 6 en 10, de zuidgrens van perceel 6 (punt 4 op de luchtfoto van perceel 6), de zuidgrens van perceel 10 (de grens tussen punt 1 en 4 en de grens tussen punt 3 en 4 op de luchtfoto van perceel 10) en de grens bij punt 2 op de luchtfoto van perceel 10.

7.3

Het College acht gezien de luchtfoto’s over de verschillende jaren aannemelijk dat verweerder de grens bij punt 4 van perceel 6 niet bij de bomenrij heeft gelegd (zie met name luchtfoto 6-Z-15). Gelet ook op de overgelegde foto’s is niet aannemelijk dat er ter plaatse een “knik” zit in de begrenzing tussen de bomen en de landbouwgrond. Het College ziet op de luchtfoto’s uit 2014 en 2015 op de door verweerder gehanteerde begrenzing wel paaltjes die duiden op een afrastering. Deze paaltjes zijn echter niet te zien op de luchtfoto’s van 2012 en 2011, zodat niet om die reden dit deel van het perceel kon worden afgekeurd.

7.4

Wat betreft de grens tussen perceel 6 en 10 overweegt het College als volgt. Op de luchtfoto’s uit 2011 is te zien dat de kleur en structuur van het gewas op een strook grond lopend van oost naar west direct onder de vijver afwijkend is. Op luchtfoto’s van andere jaren is dit ook te zien. Naar het oordeel van het College is aannemelijk dat dit geen gras, maar verruiging is. Ook op het noordelijkste deel van de grens tussen de percelen 6 en 10 die loopt van noord naar zuid is deze afwijking te zien. Dit deel van de percelen 6 en 10 heeft verweerder dan ook terecht afgekeurd. Het zuidelijke deel van de noord-zuid grens vertoont op de luchtfoto van 2011 geen afwijkingen, zodat niet aannemelijk is dat het perceel daar geen gras is. Aannemelijk is daarom dat in zoverre wel sprake is van subsidiabele landbouwgrond.

7.5

Niet in geschil is dat appellante bij de GO voor perceel 10 tussen de punten 1 en 4 en 4 en 3 teveel grond heeft opgegeven. Aan de orde is of verweerder een te groot deel daarvan heeft afgekeurd. Het College stelt vast dat op de luchtfoto van het jaar 2015 (foto 10-ZO-15) te zien is dat er tussen de punten 1 en 4 paaltjes staan die duiden op een afrastering. Verweerder heeft de grens van het perceel gelegd op deze afrastering. Achter deze grens ligt een strook gras en daarachter staan bomen. Op de overgelegde luchtfoto’s van 2011 is de afrastering echter niet te zien, evenmin als een ophoging van het gras, die eventueel zou kunnen duiden op een afrastering. Op grond van de overgelegde stukken is dan ook niet aannemelijk geworden dat er ook in 2011 al een hek stond. Ook de grens tussen de punten 3 en 4 van perceel 10 is niet op de boomgrens gelegd (zie luchtfoto 10-ZW-13), terwijl evenmin blijkt dat daar in 2011 een afrastering stond. Tenslotte heeft verweerder ook de grens bij de meest zuidwestelijke punt van perceel 10, bij punt 3, niet op de boomgrens gelegd (zie met name luchtfoto 10-ZW-12). Ook hier blijkt niet van een afrastering in 2011. Ten slotte is ook niet aannemelijk geworden dat ter plaatse in 2011 een pad liep. Het College verwijst voor de motivering naar overweging 5.

7.6

Wat betreft de grens bij punt 2 heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat vanwege het feit dat de bomen enigszins hoger staan en overhangen, niet is te zien op de luchtfoto’s waar de grens ligt. Het College overweegt dat uit de door appellante overgelegde foto’s blijkt dat er ter plaatse takken overhangen. Uit de luchtfoto’s van de wintersituatie (10‑midden-13 en 10-Midden-15) blijkt echter niet dat verweerder de grens verkeerd heeft gelegd en dat de grens die appellante heeft opgegeven de juiste is.

7.7.

Uit 7.2 tot en met 7.5 volgt dat het bestreden besluit wat betreft de percelen 6 en 10 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en daarmee ook niet draagkrachtig is gemotiveerd.

Perceel 11

8. Verweerder heeft het perceel afgekeurd omdat er bomen staan en het als gazon wordt gebruikt. Het is daarom geen landbouwgrond. Appellante betwist dat het gazon betreft. Het gras wordt gemaaid. Bovendien staan de bomen op geruime afstand van elkaar, zodat zij geen belemmering vormen voor de landbouwkundige activiteiten. Het College is gezien de luchtfoto’s van 2011 in samenhang met de foto’s van het perceel (productie 9 bij het verweerschrift) van oordeel dat geen sprake is van een gazon. Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand tussen de bomen in 2011 zodanig groot was (meer dan 10 meter) dat de bomen geen belemmering vormen voor het landbouwkundig gebruik. Verweerder heeft het perceel daarom ten onrechte afgekeurd. Ook in zoverre is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

Het besluit tot verrekening

9. Nu het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van de bedrijfstoeslag niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en daarmee onvoldoende is gemotiveerd, is het bestreden besluit ook wat betreft de verrekening onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College ziet geen mogelijkheid om finaal te beslissen in deze zaak. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het College zal daarvoor een termijn stellen van acht weken. Nu verweerder eerst dient te bepalen wat de oppervlakte van de betreffende percelen is, komt het College niet toe aan de bespreking van de beroepsgrond gericht tegen de korting.

11. Uit artikel 8:74 van de Awb volgt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht dient te vergoeden.

12. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. X.M. Born