Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:248

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
15/834
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen. Daglichtvoorzieningen in stal voor pluimvee (instapeis).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/312 met annotatie van J.E. van den Brink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/834

5102

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. K. van Driel),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. W.L.C. Rijk en K.L.D. van Driel).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante verleende subsidie in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, paragraaf Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen (de Regeling), op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 21 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Voor appellante is haar vennoot [naam 2] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft op 30 maart 2014 subsidie op grond van de Regeling gevraagd voor de verbouw van een bestaande (gangbare) stal voor vleeskuikens tot een scharrelstal (verleningsaanvraag). In haar aanvraag heeft zij vermeld dat de investeringen onder meer zien op overdekte of niet-overdekte uitloop en voorzieningen die daglicht toelaten. Appellante heeft een offerte van de firma Tulderhof bijgevoegd voor verduisterbare dakramen

(€ 4.165,86) en elektrische uitloopschuiven (€ 3.326,05). De investering in de verduisterbare dakramen is als volgt toegelicht: “Daglicht met verduisterbare vensters; daglicht platen zijn reeds gerealiseerd t.o.v. normstal, echter verduisterbare vensters zijn wenselijk indien er onverhoopt overdag geladen moet worden, of indien direct instralend daglicht te scherp is.”.

1.2

Bij besluit van 30 juli 2014 (verleningsbeschikking) heeft verweerder appellante

€ 61.605,- aan subsidie verleend, onder andere voor ramen en uitloopschuiven van Tulderhof, onder meer met de voorwaarde: “De startdatum van uw investeringen is 01-08-2014 en de einddatum is 01-02-2015. (…) Vanaf de datum van deze brief mag u beginnen met de uitvoering van uw investeringen.” In het bij het besluit gevoegde Berekeningsformulier is de offerte van Tulderhof in zijn geheel opgenomen onder de subsidiabele post “welzijn/gezondheid”. In het eveneens bij het besluit gevoegde scoreformulier is opgenomen dat in de categorie milieu punten zijn toegekend voor investeringen in daglichtvoorzieningen.

1.3

Appellante heeft op 27 februari 2015 verzocht om vaststelling en betaling van de subsidie en daarbij € 4.377,02 opgegeven voor de investering in uitloopschuiven (betalingsverzoek). De investering in de verduisterbare dakramen is niet in het betalingsverzoek opgenomen.

1.4

Op 17 maart 2015 is het bedrijf van appellante bezocht voor een controle in het kader van de subsidievaststelling. Daarbij is onder andere gebleken dat appellante de verduisterbare ramen reeds voor de verleningsaanvraag had aangeschaft.

1.5

Verweerder heeft de subsidie vervolgens op nihil vastgesteld en het betalingsverzoek afgewezen, omdat appellante de verduisterbare ramen voor de verleningsbeschikking heeft aangeschaft en zodoende niet heeft voldaan aan de instapeis van de Regeling dat minimaal dient te worden geïnvesteerd in een overdekte of niet-overdekte uitloop en voorzieningen in de stal (of houderijsysteem) die het daglicht toelaten.

2.1

Appellante voert aan dat zij door verweerder ten onrechte niet is gehoord.

2.2

Het College ziet deze beroepsgrond niet slagen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht kon verweerder namelijk van het horen van appellante afzien indien zij heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Verweerder heeft een telefoonnotitie overgelegd waaruit blijkt dat appellante in een op 21 augustus 2015 gevoerd telefoongesprek op een daartoe strekkende vraag heeft geantwoord dat zij afziet van een hoorzitting. Appellante heeft de inhoud van de telefoonnotitie niet betwist en het College heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de telefoonnotitie te twijfelen.

3.1

Appellante betoogt dat de Regeling een investering in voorzieningen die daglicht toelaten in de stal of het houderijsysteem (daglichtvoorzieningen) niet als instapeis stelt.

3.2.1

Het College begrijpt het bestreden besluit aldus dat de subsidie op nihil is gesteld omdat appellante de investering in daglichtvoorzieningen (de verduisterbare ramen) heeft gerealiseerd voor de datum van de verleningsbeschikking (30 juli 2014). De Regeling biedt echter geen wettelijke grondslag voor dat besluit.

3.2.2

Op grond van artikel 31, tweede lid, van de Regeling komt de landbouwer alleen voor steun in aanmerking voor activiteiten die zijn verricht op of na de beslissing, bedoeld in artikel 34, derde lid. Aanvankelijk verwees artikel 34, derde lid, van de Regeling naar de uiterste beslistermijn, maar per 1 januari 2014 is het voorschrift aangaande de uiterste beslistermijn verplaatst naar artikel 34, zesde lid, van de Regeling zonder dat artikel 31, tweede lid, van de Regeling is aangepast. De verwijzing naar artikel 34, derde lid in artikel 31, tweede lid, van de Regeling is voor de subsidieverlening daarmee niet langer van betekenis en dat heeft tot gevolg dat de subsidie niet op nihil kan worden gesteld om de enkele reden dat appellante de verduisterbare ramen al had gerealiseerd voor de datum van de verleningsbeschikking. Het College is van oordeel dat het appellante, op het moment dat zij haar aanvraag deed, ook niet duidelijk behoefde te zijn dat de verwijzing naar de beslissing als bedoeld in artikel 34, derde lid, in artikel 31, tweede lid, zo moest worden gelezen dat wordt verwezen naar de beslissing als bedoeld in artikel 34, zesde lid.

3.3

Deze beroepsgrond slaagt en daarmee kan het College de overige beroepsgronden onbesproken laten.

4. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen.

5.1

Het College overweegt als volgt over de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5.2

Verweerder heeft zich erop beroepen dat het bestreden besluit naar zijn inhoud juist is. Primair heeft hij erop gewezen dat de communautaire regelgeving de toekenning van steun achteraf niet toelaat voor activiteiten die reeds zijn ondernomen en subsidiair dat volgens de verleningsbeschikking appellante pas vanaf 30 juli 2014 investeringen mocht verrichten.

5.3

Op grond van artikel 68, eerste en zesde lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009) kunnen de lidstaten specifieke steun verlenen aan de landbouwers als deze in overeenstemming is met andere communautaire maatregelen en beleidslijnen. Op grond van de punten 15 en 16 van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (de richtsnoeren) wordt steun die achteraf wordt toegekend voor activiteiten die de begunstigde reeds heeft verricht beschouwd als een niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare vorm van exploitatiesteun die louter is bedoeld om de begunstigde van een financiële last te bevrijden. De in artikel 68 van Verordening 73/2009 en punt 15 en 16 van de richtsnoeren neergelegde voorschriften zijn, gezien hun bewoordingen, enkel gericht tot de lidstaten en er vloeien geen rechtstreeks tot particulieren gerichte verplichtingen uit voort. Verweerder kan genoemde Unieregelgeving dan ook niet tegenwerpen aan appellante.

5.4

Omdat appellante voor de kosten van de verduisterbare dakramen geen vaststelling en betaling heeft verzocht, is het toekennen van subsidie voor de kosten van de voorzieningen waarvoor appellante subsidie is verleend en die zij na 1 augustus 2014 heeft gerealiseerd niet een niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare vorm van exploitatiesteun die louter is bedoeld om de begunstigde van een financiële last te bevrijden.

6.1

De verleningsbeschikking is onherroepelijk en dit betekent dat het College in zijn beoordeling ervan moet uitgaan dat het aanvangsmoment en de looptijd van het project en het moment waarop appellante mag investeren zijn te beschouwen als voorwaarden waaronder verweerder de subsidie heeft verleend.

6.2

Het College stelt voorop dat appellante de investering in de verduisterbare dakramen niet heeft opgegeven in haar betalingsverzoek, de overige voorzieningen waarvoor subsidie is verleend en vaststelling en betaling is verzocht, na 1 augustus 2014 heeft gerealiseerd en, gelet op het primaire besluit, de andere controlebevindingen niet van invloed zijn op de subsidieaanvraag. Het College begrijpt de verleningsaanvraag aldus dat de stal van appellante reeds was voorzien van licht doorlatende dakplaten en dat de verduisterbare dakramen ten opzichte van de bestaande situatie niet zouden leiden tot extra daglicht. Verweerder heeft de subsidie, zonder appellante nadere uitleg te vragen over de aanschaf van de verduisterbare dakramen, verleend. Gezien de verleningsbeschikking is de subsidie niet verleend onder de voorwaarde van investering in daglichtvoorzieningen. De conclusie is dat er geen grond is om appellante in het geheel niet voor subsidie in aanmerking te laten komen. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij nog zal moeten onderzoeken in hoeverre appellante de voorzieningen waarvoor de subsidie is verleend, heeft uitgevoerd in overeenstemming met de subsidievoorwaarden. Nog niet alle relevante feiten zijn (dus) bekend en daarmee is het voor het College thans niet mogelijk om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder zodoende opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

8. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten, in het bijzonder kosten verbonden aan de inschakeling van een deskundige, is het College niet gebleken.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. H.L. van der Beek en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

w.g. R.C. Stam w.g. M.J. Boon