Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:244

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
16/522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/205 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/522

16000

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

De Linge Pluimvee B.V., te Nijkerk, appellante

(gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om herziening van zijn besluit van 27 maart 2015 over een ontheffing op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante was verder aanwezig [naam] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante exploiteert een pluimveehouderij in [plaats] , waarvoor zij jaarlijks de nodige pluimveerechten huurt (lease). Op 27 januari 2015 heeft appellante ten behoeve van een uitbreiding van één van haar stallen een aanvraag om ontheffing voor pluimveerechten ingediend. Bij besluit van 27 maart 2015 heeft verweerder die aanvraag afgewezen, omdat appellante ten tijde van de aanvraag niet over pluimveerechten beschikte. Bij besluit van 26 mei 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

2.1

Bij brief van 25 november 2015 heeft appellante aan verweerder verzocht om de door haar aangevraagde ontheffing alsnog te verlenen. Zij voert aan dat verweerder ten aanzien van andere pluimveehouders die met een vergelijkbare problematiek kampten en wel beroep hadden ingesteld, zijn primaire besluiten heeft herzien en tot het oordeel is gekomen dat de ontheffingsaanvraag ten onrechte was afgewezen omdat de betreffende bedrijven reeds sinds meerdere jaren bestaan en telkens pluimveerechten leasen.

2.2

Verweerder heeft het verzoek van appellante afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij gewezen op het onherroepelijke karakter van het besluit op bezwaar van 26 mei 2015. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan alleen bij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden terugkomen op een dergelijk besluit.

3.1

Appellante voert aan dat in deze zaak een uitzondering op de formele rechtskracht moet worden aanvaard, omdat zij uit de verklaringen en gedragingen van verweerder begrijpt en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag begrijpen dat verweerder de onrechtmatigheid van het besluit waarvan zij om herziening heeft gevraagd, erkent. Gelet op deze uitzondering staat de rechtszekerheid er niet aan in de weg dat de ontheffingsaanvraag van appellante door verweerder opnieuw in behandeling wordt genomen. Het aspect of sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden kan daarom ook geen rol spelen.

3.2

Verweerder heeft betwist dat hij de onrechtmatigheid heeft erkend. Hij ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen op het besluit van 26 mei 2015.

4.1

Het College overweegt als volgt. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden (eerste lid), alsook dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking (tweede lid).

4.2

Bij uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecliSearch?id=ECLI:NL:RVS:2016:3131)) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Het College volgt deze jurisprudentie (zie de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190).

4.3

Dit betekent dat uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Voor het - nieuwe - toetsingskader is van belang welke keuze verweerder in het voorliggende geval maakt. Bij brief van 6 februari 2017 heeft het College verweerder verzocht ter zitting hierover een nader standpunt in te nemen.

4.4

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij in zaken als deze de keuze maakt dat als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, hij de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijst. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat de hoeveelheid pluimveerechten waarvoor een ontheffing wordt verleend vanwege het fosfaatplafond aan een jaarlijks maximum is gebonden. Voor het jaar 2015 is al voor die hoeveelheid ontheffing verleend. De ontheffing voor de pluimveerechten waarop appellante aanspraak wil maken, is nadat het besluit van 26 mei 2015 onherroepelijk is geworden, al vergeven.

4.5

Het College stelt vast dat verweerder betwist dat hij de onrechtmatigheid van het beluit van 26 mei 2015 heeft erkend. Het College is van oordeel dat het feit dat verweerder in andere zaken in de beroepsfase een andere uitleg aan artikel 114, derde lid, van de Uitvoeringsregeling heeft gegeven, niet een dergelijke erkenning inhoudt.

Het College stelt voorts vast dat verweerder in overeenstemming met zijn bestuurspraktijk in deze zaak toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Aan de orde is daarmee of verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Een gewijzigd inzicht over de toepassing van een wettelijke regeling is niet als zodanig aan te merken. Dat betekent dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Ten slotte ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van verweerder om artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toe te passen evident onredelijk is.

5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, mr. H. Bolt en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. O.C. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. O.C. Bos