Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:243

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
15/854
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV, onderdeel IDSH, artikel 25p Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012, normkosten, KWIN-norm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/854

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3], te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mr. J.J. Borst en J. Pot),


en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. L.C.M. Harteveld-Van den Bosch en K.L. van Driel).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van appellante in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Integraal duurzame stallen en houderijsystemen 2012, (de Regeling) vastgesteld op € 27.676,--.

Bij besluit van 1 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016, waarbij appellante was vertegenwoordigd door [naam 1] , één van haar vennoten, en haar gemachtigden. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft een melkveebedrijf. Zij heeft op 31 augustus 2012 subsidie aangevraagd ten behoeve van de bouw van een integraal duurzame stal voor 124 melkkoeien.

1.2

Het onderdeel Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen van de Regeling betreft een zogenaamde tenderprocedure. Een tendersysteem houdt in dat alle ingediende aanvragen na ommekomst van het aanvraagtijdvak ten opzichte van elkaar inhoudelijk worden vergeleken en vervolgens in een rangorde worden geplaatst, in het licht van het doel van de subsidie. De aanvraag van appellante is door verweerder hoog genoeg gerangschikt om voor subsidie in aanmerking te komen. Op basis van het projectplan heeft verweerder de aanvraag van appellante goedgekeurd bij besluit van 20 december 2012, waarbij een subsidie is verleend van maximaal € 76.206,-- voor de meerkosten voor het realiseren van een duurzame stal. Om de meerkosten te bepalen heeft verweerder de bouwkosten van de aangevraagde stal vergeleken met die voor de bouw van een gangbare stal, de zogenaamde normstal. Verweerder heeft als normstal een ligboxenstal voor 140 koeien met roostervloer en een mestopslag voor zes maanden genomen. De kosten voor deze normstal bedragen € 3.500,-- per dierplaats zodat de normkosten in het voorliggende geval totaal € 434.000,-- (124 x € 3.500,--) bedragen.

1.3

Appellante heeft op 12 maart 2014 een wijzigingsverzoek ingediend. Het verzoek betreft een aanpassing van het investeringsplan waardoor in plaats van een stal voor 124 melkkoeien een stal voor 74 melkkoeien wordt gebouwd. Appellante verzoekt verweerder hierbij uit te gaan van een normbedrag van € 3.500,-- voor de kosten per dierplaats en daarmee € 259.000,-- voor de totale normkosten.

1.4

Verweerder heeft dit wijzigingsverzoek bij besluit van 19 maart 2014 gedeeltelijk goedgekeurd. De door appellante voorgestelde normbedragen keurt verweerder af. Voor een stal van 74 ligplaatsen wordt een norm van € 3.900,-- per dierplaats gehanteerd, zodat de totale normkosten op € 288.600,-- uitkomen. Verweerder heeft bij de beoordeling als normstal een ligboxenstal voor 60 koeien met roostervloer en een mestopslag voor zes maanden genomen.

1.5

Appellante heeft op 27 februari 2015 een tweede wijzigingsverzoek ingediend. Appellante verzoekt verweerder hierbij om de normkosten met € 45.000,-- te verlagen, zodat de meerkosten door eigen arbeid subsidiabel blijven. De kosten voor arbeid door derden zouden volgens offerte € 63.750,-- bedragen, maar appellante heeft de arbeid grotendeels in eigen beheer heeft uitgevoerd. Eerstgenoemde kosten bedragen daardoor slechts € 16.310,--.

1.6

Op 20 maart 2015 heeft appellante verweerder verzocht om vaststelling van de subsidie.

1.7

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie van appellante vastgesteld op
€ 27.676,--. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2. Het College stelt vast dat bovenaan het primaire en het bestreden besluit staat vermeld dat het de aanvraag om vaststelling Investeringen in duurzame stallen en houderijsystemen betreft. Verweerder heeft bij dit besluit ook op het wijzigingsverzoek van appellante van
27 februari 2015 beslist.

3.1

Op grond van artikel 2:40, eerste lid, van de Regeling komen de kosten voor de bouw, verwerving, inrichting of verbetering van onroerende zaken in aanmerking voor subsidie.

Op grond van Bijlage 2, hoofdstuk 4, onder C, van de Regeling komen in afwijking van artikel 2:40, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/2012-08-01/1), in aanmerking voor subsidie de door de aanvrager in verband met de verbetering van het welzijn van landbouwhuisdieren te maken extra kosten, en, voor zover van toepassing, de te maken extra kosten in verband met de verbetering van het milieu of diergezondheid voor investeringen met betrekking tot milieu of diergezondheid die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens wet is voorgeschreven ten opzichte van kosten in gangbare investeringen in stallen of houderijsystemen voor: a. de bouw, inrichting of verbetering van integraal duurzame stallen en houderijsystemen, en b. het noodzakelijke materieel voor de werking van de integraal duurzame stal of het integraal duurzame houderijsysteem.

3.2

Artikel 2:2, eerste lid, onder d, van de Regeling bepaalt dat in aanvulling op artikel 1:15 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/2012-08-01/1), reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger en kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer niet in aanmerking komen voor subsidie op grond van dit hoofdstuk.

3.3

Artikel 25p van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012 definieert extra kosten, bedoeld in Bijlage 2, hoofdstuk 4, onder C, van de Regeling (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&bijlage=2&g=2016-11-29&z=2016-11-29) als de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij (KWIN).

4.1

Appellante stelt dat verweerder ten onrechte de KWIN-norm voor een stal met 60 melkkoeien met een roostervloer en 6 maanden mestopslag, met de bijbehorende norm van € 3.900,-- per dierplaats heeft gehanteerd. Het project van appellante bevat immers een dichte vloer met mestschuif, waarbij de KWIN-norm van € 3.100,-- per dierplaats beter past. In de oorspronkelijke aanvraag is ook altijd gesproken over een stal met een dichte vloer en veel stro in de ligboxen.

4.2

Het College stelt met verweerder vast dat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 19 maart 2014. Daarmee staat het normbedrag van € 3.900,-- per dierplaats vast. Het vaststellingsbesluit is hiermee in overeenstemming. Overigens heeft appellante bij de indiening van haar aanvraag voor subsidie niet als normstal een ligboxenstal met dichte vloer en mestschuif gehanteerd. Uit de aard van het tendersysteem vloeit voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn voor subsidie alle voor de beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd. Ook om die reden kan geen rekening worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging van de berekening van de subsidiabele meerkosten door het wijzigen van de normstal. Deze grond slaagt niet.

5.1

Appellante is verder van mening dat de normkosten voor de stal dienen te worden verlaagd omdat zij de stal deels zelf heeft gebouwd, zodat de kosten voor de normstal in haar geval lager zijn. Indien verweerder vasthoudt aan de normbedragen, wordt de eigen arbeid volledig aan de meerkosten toegerekend, terwijl de eigen arbeid grotendeels de bouw van de normstal betreft. Appellante stelt dat de eigen arbeid naar evenredigheid moet worden toebedeeld aan de norm- en meerkosten. Op deze wijze worden alleen de gemaakte meerkosten (exclusief eigen arbeid) gesubsidieerd en wordt appellante niet ten onrechte subsidie onthouden. Van directe of indirecte subsidie van eigen arbeid is geen sprake volgens appellante. Het bij het bestreden besluit door verweerder afgewezen wijzigingsverzoek van appellante van 27 februari 2015 is op dit standpunt gebaseerd.

5.2

Dit betoog van appellante slaagt niet. Uit bijlage 2, hoofdstuk 4, onder C, van de Regeling en artikel 25p van het Openstellingsbesluit leidt het College af dat de stal als geheel moet worden beoordeeld. De door appellante voorgestelde splitsing van de door eigen arbeid bespaarde kosten over een normstal en duurzame stal past naar het oordeel van het College niet in deze systematiek. Het College leidt dit ook af uit de aard van de voorzieningen die maken dat een stal duurzaam is, zoals meer loopruimte, een bredere ligbox en dergelijke. De arbeidskosten daarvoor zijn niet te splitsen in kosten voor een normale stal en extra kosten voor een duurzame stal. Dat de stal van appellante in werkelijkheid minder heeft gekost dan de normstal, maakt de berekening van de subsidie niet anders. Ook deze grond slaagt niet.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, mr. R.W.L. Koopmans, en mr. H.B. van Gijn in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

w.g. H. Bolt w.g. C.M. Leliveld