Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:221

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
15/826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Randvoorwaarden. Verhindering controle. Geen belang meer bij beoordeling randvoorwaardekorting indien besluit bedrijfstoeslag af te wijzen in stand blijft. Overschrijding redelijke termijn. Deels aan verweerder en deels aan het College toe te rekenen. Geen door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/826

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. ing. A.E. Noordhuis),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag voor het jaar 2014 op grond van de regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) alsnog afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder op grond van de Regeling een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op de aan appellant voor het jaar 2014 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 15 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellant en verweerder in de gelegenheid te stellen hun standpunten nader schriftelijk toe te lichten.

Bij brieven van 24 juni 2016 en 13 juli 2016 heeft appellant nadere reacties ingediend.

Bij brief van 29 juli 2016 heeft verweerder hierop gereageerd.

Nadat partijen hiertoe toestemming hadden gegeven, heeft het College het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Appellant is landbouwer en heeft bij zijn Gecombineerde opgave, gedateerd
10 mei 2014, uitbetaling van bedrijfstoeslag aangevraagd voor het jaar 2014. Hij heeft daartoe onder andere perceel 4 opgegeven, ook bekend als gemeentecode [gemeente 1] , kadastrale sectie […] .

1.2

Op 7 april 2014 heeft een toezichthouder van het waterschap [naam 2] waargenomen dat van twee percelen in de gemeente [gemeente 2] , allebei kadastraal bekend onder gemeentecode [gemeente 1] , kadastrale sectie […] , een gedeelte van het sloottalud was doodgespoten. Naar aanleiding hiervan heeft deze toezichthouder samen met een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nader onderzoek verricht. Van de bevindingen hebben zij een boeterapport gedateerd 22 mei 2014 opgesteld, waarbij [naam 3] en [naam 4] ( [naam 4] ) als overtreders zijn aangemerkt.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag voor het jaar 2014 alsnog afgewezen, omdat appellant heeft geweigerd inzage te verlenen in de spuitregistratie. Daarmee heeft hij geen medewerking verleend aan een bedrijfscontrole.

1.4

Bij het primaire besluit II heeft verweerder een korting van 3% toegepast op alle subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid die appellant heeft aangevraagd in 2014 vanwege het niet juist naleven van de voorwaarde dat gewasbeschermingsmiddelen op de juiste manier en volgens de voorschriften worden gebruikt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten I en II gehandhaafd.

3. Het College stelt voorop dat het primaire besluit II en het bestreden besluit zijn genomen na 1 januari 2015. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 16 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:90, blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit II en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

4. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het boeterapport niet volledig aan hem is overgelegd, waardoor hij in zijn verdediging is geschaad. Het College stelt vast dat het volledige rapport in de beroepsfase alsnog aan appellant is verstrekt. Appellant is hierna in de gelegenheid gesteld om op het rapport te reageren. Daarmee is voldaan aan het verdedigingsbelang van appellant. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Appellant heeft verder betoogd dat verweerder met het primaire besluit II het primaire besluit I met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingetrokken en een nieuw besluit heeft genomen. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat een volledige weigering van de uitkering van de toeslagrechten en een korting daarop van 3% niet naast elkaar kunnen bestaan.

5.2

Het College volgt dit standpunt niet. De primaire besluiten I en II hebben betrekking op verschillende onderwerpen, namelijk het niet meewerken aan een controle en het niet naleven van een randvoorwaarde. Op geen enkele wijze blijkt uit het primaire besluit II dat verweerder daarmee heeft beoogd het primaire besluit I in te trekken, te wijzigen of te vervangen. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting ook bevestigd dat hij het primaire besluit I niet heeft ingetrokken. Ook als de twee besluiten niet naast elkaar zouden kunnen bestaan, betekent dat niet dat verweerder geacht moet worden om die reden toepassing te hebben gegeven aan artikel 6:19 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Appellant heeft voorts betwist dat hij een controle heeft verhinderd. Niet hij maar de grondgebruiker heeft het betreffende perceel bespoten. Hij is daarvoor niet verantwoordelijk. Hem kan ook bij een gebrek aan wetenschap niet worden verweten dat hij geen inlichtingen heeft verstrekt. Bovendien was van aanvang af sprake van een strafrechtelijk onderzoek en niet van een bestuursrechtelijke controle. Dit onderzoek was gericht tegen [naam 4] . Toen appellant weigerde medewerking te verlenen, keerden de ambtenaren zich tegen appellant en vorderden zij gegevens. Deze vordering is in strijd met artikel 5:13 van de Awb, omdat alleen de actuele grondgebruiker de betreffende gegevens kon verstrekken. Appellant beschikte niet over een spuitregistratie voor 2014, omdat hij nog geen percelen had gespoten. Ook in zijn financiële administratie is daarover niets te vinden. Appellant stelt ten slotte dat het boeterapport niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van de GLB-subsidieaanvragen van appellant voor het jaar 2014. Appellant voert hiertoe aan dat het boeterapport dat wordt gebruikt door verweerder is gericht tegen een ander dan appellant en ook als zodanig is bedoeld. Het opmaken op ambtseed/belofte heeft dan ook alleen betrekking op de feiten die gebruikt worden tegen degene tot wie het boeterapport is gericht. In dat verband voert appellant aan dat zich in het dossier geen controlerapport bevindt.

6.2

Op grond van artikel 26, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers (Verordening 1122/2009) worden de betrokken steunaanvragen afgewezen, indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiging de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert.

6.3

In het boeterapport is onder andere het volgende vermeld:

“(…)
Ik toezichthouder [naam verbalisant 1], ambtenaar van het waterschap [naam 2] en [naam verbalisant 2], ambtenaar van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna NVWA) beide als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene Wet Bestuursrecht en belast met toezicht ingevolge artikel 82, lid 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, (…) wordt het volgende verklaard.

(…)

Op maandag 07 april 2014, omstreeks 14.45 uur, reed ik, verbalisant [naam verbalisant 1] over de [adres] te [plaats] , althans binnen de gemeente [gemeente 2] . Ik zag daar een perceel bouwland, naar later bleek kadastraal bekend onder gemeentecode [gemeente 1] , kadastrale sectie […] , waarvan een gedeelte sloottalud was doodgespoten.

(…) Op moment dat ik mijn parkeerde aan de zuidzijde van genoemd bouwlandperceel, zag ik dat aan de zuidzijde van onderhavig perceel bouwland, ook het sloottalud aan deze zijde, was doodgespoten. (…)

Nadat ik, verbalisant [naam verbalisant 1] de volgende ochtend het ArcGIS systeem had geraadpleegd, zag ik dat [appellant] wonende aan de [adres appellant] eigenaar was van beide in dit proces-verbaal genoemde, percelen bouwland.

(…).

Op woensdag 16 april 2014 omstreeks 17:50 uur ging ik, verbalisant [naam verbalisant 1] vergezeld van de heer [naam verbalisant 2] van de NVWA naar het adres [adres van appellant], gemeente [gemeente 2] . De heer [naam van appellant] belde aan en de heer [naam gemachtigde appellant] deed open. De heer [naam verbalisant] en ik legitimeerden ons als toezichthouders van respectievelijk de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en het waterschap [naam 2] . De heer [naam appellant] gaf aan niet te willen meewerken inzake het onderzoek naar de taludbespuiting. Voorts weigerde [naam appellant] ons, verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2], inzage te verlenen inzake de gevraagde spuitregistratie en de financiële boekhouding op aanraden van [naam gemachtigde appellant]. Voorts heb, verbalisant [naam verbalisant 2], als toezichthouder i.h.k.v. het Algemene Wet Bestuursrecht, [naam appellant] inzage gevorderd in de spuitregistratie over het teeltseizoen 2014 en de financiële boekhouding over de boekjaren 2013 en 2014. Echter gaf [naam appellant] hieraan geen gehoor. Vervolgens heeft, verbalisant [naam verbalisant 2], tot 3 keer toe aan [naam appellant], inzage gevorderd inzake eerder genoemde administratieve bescheiden. Hierop gaf [naam appellant] wederom geen gehoor.

Vervolgens hebben wij, verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2], ons aan [naam appellant] gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaar. Voorts heeft, verbalisant [naam verbalisant 2], als buitengewoon opsporingsambtenaar, [naam appellant], nogmaals gevorderd inzage te verlenen in de financiële boekhouding over de boekjaren 2013 en 2014 en in de spuitregistratie over het teeltseizoen 2014. Wederom werd door [naam appellant] aan deze vordering niet voldaan. Voorts heeft, verbalisant [naam verbalisant 2], verdachte [naam appellant] proces-verbaal aangezegd inzake artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (…). Bovendien heeft verbalisant [naam verbalisant 2], verdachte [naam appellant] gevraagd of hij een verklaring wenste af te leggen. Verdachte [naam appellant] gaf ons, verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2], te kennen geen verklaring te willen afleggen. Bovendien gaf verdachte [naam appellant] ons te kennen geen verdere medewerking te willen verlenen.

(…)

Later bleek uit onderzoek dat de genoemde percelen gespoten zijn door de heer [naam 4] .

(...)”

6.4

Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder het boeterapport niet aan zijn besluiten ten grondslag mocht leggen, omdat het betrekking heeft op een derde. In het rapport hebben de verbalisanten hun bevindingen gerapporteerd en daarbij steeds vermeld welke verbalisant waarvoor verantwoordelijk is. De vermelding onderaan het rapport dat het boeterapport naar waarheid is opgemaakt, moet zo worden begrepen dat naar waarheid is opgemaakt waarvoor de verbalisant verantwoordelijk is. Het College ziet niet in dat deze bevindingen ten aanzien van appellant een andere betekenis hebben, enkel omdat zij in een boeterapport staan dat is opgemaakt tegen een ander.

6.5

Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat van meet af aan sprake is geweest van een strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 4] . Uit het boeterapport blijkt dat de controleurs op het moment dat zij bij appellant kwamen, nog niet wisten wie de betreffende taluds had bespoten. De reden dat zij hun onderzoek zijn gestart bij appellant, is dat hij de eigenaar is van het perceel. Blijkens het rapport heeft het onderzoek pas op het moment dat appellant medewerking weigerde en de controleurs zich als buitengewoon opsporingsambtenaar hebben gelegitimeerd, een strafrechtelijk karakter gekregen en wel tegen appellant. Het feit dat in het boeterapport steeds “verbalisant” wordt gebruikt, maakt dit niet anders. De controleurs hebben dit rapport immers naderhand als verbalisanten opgesteld.

6.6

Naar het oordeel van het College hebben de controleurs met hun vorderingen niet in strijd met artikel 5:13 van de Awb gehandeld. Appellant is de eigenaar van het perceel en daarmee de eerst aangewezen persoon om de betreffende informatie over de bespuiting te verstrekken. Indien hij toen niet de grondgebruiker was, dan had het op zijn weg gelegen om daarover opheldering te verschaffen. Nu hij dit niet heeft gedaan, kan de controleurs niet worden verweten dat zij bij hem gegevens hebben opgevraagd.

6.7

Aan de orde is vervolgens de vraag of het boeterapport voldoende grondslag biedt voor het oordeel dat appellant een controle heeft verhinderd als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van Verordening 1122/2009. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Uit het boeterapport blijkt dat controleurs toezichthouders zijn, belast met toezicht op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen. Niet in geding is dat een randvoorwaarde voor het verlenen van bedrijfstoeslag is dat gewasbeschermingsmiddelen op de juiste manier worden toegepast. Naar het oordeel van het College is het onderzoek dat verbalisant 1 eerst alleen en later met verbalisant 2 heeft uitgevoerd, dan ook, in ieder geval mede, een controle als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van Verordening 1122/2009. Appellant heeft deze controle verhinderd. Hij heeft immers niet alle maatregelen genomen die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem hadden kunnen worden verlangd om te waarborgen dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden kon worden uitgevoerd. Zo had hij duidelijk kunnen maken dat niet hij maar een ander het perceel in gebruik had, zodat hij om die reden geen gegevens kon verstrekken over de bespuiting. Appellant heeft echter geweigerd informatie te verstrekken en heeft vervolgens ook de gevraagde stukken, zonder enige nadere informatie, niet overgelegd. Het feit dat hij destijds niet de gebruiker, maar als eigenaar van het perceel, maakt niet dat dit hem niet kan worden verweten. In dat verband wijst het College erop dat appellant het perceel in zijn Gecombineerde opgave 2014 heeft opgegeven.

6.8

Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag voor het jaar 2014 bij het primaire besluit I terecht heeft afgewezen, omdat appellant de bedrijfscontrole heeft verhinderd.

8. Het College is van oordeel dat appellant geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van zijn beroep voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het primaire besluit II. De randvoorwaardekorting voor het jaar 2014 kan immers niet meer worden geëffectueerd, nu het besluit om de bedrijfstoeslag over 2014 alsnog af te wijzen in stand blijft. Niet gebleken is dat appellant anderszins nog een belang heeft bij een oordeel van het College over het bestreden besluit op dit punt. Voor zover verweerder in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen over het overtreden van de randvoorwaarde dat gewasbeschermingsmiddelen op de juiste manier en volgens de voorschriften moeten worden gebruikt en dat standpunt aan nieuwe besluitvorming ten grondslag legt, kan appellant daartegen alsdan een rechtsmiddel aanwenden.

9. De conclusie is dat het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond is verklaard niet-ontvankelijk is en dat het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond is verklaard ongegrond is.

10.1

Het College stelt vervolgens – ambtshalve – vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift van appellant tegen het primaire besluit 1 is door verweerder ontvangen op 22 januari 2015. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 7 juni 2017 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim vier maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

10.2

Uitgaande van een tarief van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellant recht heeft op € 500,-- schadevergoeding.

10.3

Het College stelt tot slot vast dat de overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en het College, nu de behandeling van het bezwaar bijna 8 maanden in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep net iets meer dan 20 maanden heeft geduurd. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken (zie genoemd arrest van de HR van 19 februari 2016, r.o. 3.11.1).

10.4

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.12) verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,-- aan appellante en de minister van Veiligheid en Justitie tot betaling van een bedrag van € 250,-- aan appellante.

11. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Meer in het bijzonder overweegt het College hiertoe als volgt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Appellant heeft in zijn brief van 24 juni 2016 aangevoerd dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter onderbouwing waarvan hij heeft gewezen op het bestaan van een Stichting beheer derdengelden van het juridisch adviesbureau van zijn gemachtigde en een aantal uitspraken, waarin de gemachtigde van appellant heeft opgetreden en meer in het bijzonder op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij is opgetreden voor appellant en waarvoor proceskosten zijn toegekend. Verweerder heeft in zijn brief van 29 juli 2016 onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 30 oktober 2014 (ECLI:NL:2014:414) uiteengezet dat de gemachtigde van appellant tevens de partner is van appellant en dat om die reden geen sprake kan zijn van een proceskostenvergoeding. Het College heeft in die uitspraak onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van
7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2474) – kort gezegd – overwogen dat moet worden aangenomen dat de verleende rechtsbijstand niet beroepsmatig is verleend aangezien de gemachtigde van de betreffende appellant en de betreffende appellant een gezamenlijke huishouding voerden. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat hetgeen appellant in zijn brief van 24 juni 2016 heeft aangevoerd, onvoldoende, want te algemeen is om het vermoeden te weerleggen dat de door de gemachtigde van appellant in deze zaak verleende rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond is verklaard;

- veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 250,-- te betalen;

- draagt de minister van Veiligheid en Justitie op de helft van het totaal betaalde griffierecht van € 167,-- aan appellant te vergoeden, dus € 83,50;

- veroordeelt verweerder om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 250,-- te betalen;

- draagt verweerder op de helft van het totaal betaalde griffierecht van € 167,-- aan appellant te vergoeden, dus € 83,50;

- wijst af hetgeen appellant meer of anders heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.B. van Gijn en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret