Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:20

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
15/38
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht; ook in hoger beroep heeft appellante onovoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor betrokkene in het kader van de continuïteitsveronderstelling aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar het betalingsbeleid van een dochteronderneming jegens een belangrijke crediteur, dat betrokkene de waardering van een andere dochteronderneming niet had mogen accepteren en dat betrokkene de hoogte van de post 'debiteuren' evenmin had mogen accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 15/38

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 januari 2017 op het hoger beroep van:

Move4U Solutions B.V., te Den Haag, appellante

(gemachtigde: mr. dr. C.B. Schutte),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 december 2014, gegeven op een klacht, op 26 mei 2014 door appellante ingediend tegen [naam 1] RA, betrokkene

(gemachtigden van betrokkene: mrs. S.A.G. Hoogeveen en B. van Zelst).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 december 2014, met nummer 14/1223 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:122).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Appellante heeft bij brief van 4 mei 2016 nadere stukken ingebracht en tevens gereageerd op de reactie van betrokkene.

Het onderzoek ter zitting is op 18 mei 2016 aangevangen.

Appellante is vertegenwoordigd door R.J. Voerman, bijgestaan mr. drs. C.B. Schutte en mr. M.J. Pelinck. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.G. Hoogeveen en mr. B. van Zelst.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de nadere reactie van appellante van 4 mei 2016 en daarop schriftelijk te reageren. Bij brief van 31 augustus 2016 zijn namens betrokkene een nadere reactie en enkele stukken ingebracht. Bij brief van 16 september 2016 is namens appellante een reactie ingebracht op de brief van 31 augustus 2016. Bij faxbericht van 22 september 2016 is namens betrokkene een ontbrekend stuk bij een eerder ingediende productie ingebracht.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 26 september 2016. Appellante is vertegenwoordigd door R.J. Voerman, bijgestaan door mr. dr. C.B. Schutte en mr. M.J. Pelinck. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.G. Hoogeveen en mr. B. van Zelst.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam voor KPMG Accountants N.V. te Den Haag.

1.3

Betrokkene heeft de geconsolideerde jaarrekening 2012 van Tellus Holding B.V. (Tellus Holding) gecontroleerd en bij deze jaarrekening op 29 juli 2013 een goedkeurende verklaring afgegeven. Betrokkene had niet eerder opdrachten uitgevoerd voor Tellus Holding. In de consolidatie waren betrokken de (klein)dochtermaatschappijen, waaronder Tellus B.V. (Tellus) en Domain Services Rotterdam B.V. (DSR). Tellus genereerde inkomsten via zogenaamde ‘leads’/offerteaanvragen ten behoeve van haar klanten in de verhuisbranche, in welk kader een overeenkomst bestond met Google. Deze overeenkomst had ten doel bij specifieke zoekopdrachten de websites van de klanten van Tellus zo hoog mogelijk te doen presenteren. Hiervoor was Tellus een vergoeding aan Google verschuldigd.

1.4

De aandelen in Tellus Holding werden tot 6 augustus 2013 volledig gehouden door Fenna Holding B.V. (Fenna), welke vennootschap tevens de bestuurder van Tellus Holding is. Op 6 augustus 2013 heeft appellante een belang genomen van 10% van de aandelen Tellus Holding tegen een prijs van € 800.000,-.

1.5

In september 2013 heeft Tellus Holding appellante geïnformeerd dat Tellus in financiële moeilijkheden verkeerde, omdat Google onverwacht vervroegd betalingen opeiste van de periodiek verschuldigde bedragen. Op 3 december 2013 is Tellus in staat van faillissement verklaard.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene niet objectief, niet deskundig en niet zorgvuldig heeft gehandeld en aldus de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel A-100.4 onder b en c van de Verordening Gedragscode (RA’s) (VGC) heeft geschonden. Aan deze klacht ligt ten grondslag het verwijt dat betrokkene op onjuiste gronden, althans op grond van een ondeugdelijke controle, een goedkeurende verklaring zonder enige beperking of voorbehoud heeft afgegeven bij de jaarrekening 2012 van Tellus Holding.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft – samengevat – geoordeeld dat niet geconcludeerd kan worden tot een precieze en aannemelijke grondslag voor enig aan betrokkene te maken tuchtrechtelijk verwijt, nu appellante, tegenover het gemotiveerde verweer van betrokkene, geen concrete feitelijkheden heeft aangevoerd dan wel stukken heeft overgelegd waaruit het aan betrokkene verweten gedrag kan worden afgeleid.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Het College stelt voorop dat appellante in haar beroepschrift heeft verzocht om een integrale herbeoordeling van de klacht. Het College heeft de omvang van het geding in hoger beroep ter zitting van 26 september 2016 aan de orde gesteld. Desgevraagd heeft appellante bevestigd dat in hoger beroep drie punten ter beoordeling voorliggen: het betalingsgedrag van Tellus ten opzichte van Google in het kader van de liquiditeitsprognose en de daarop gebaseerde continuïteitsveronderstelling, de waardering van de domeinnamen in DSR en de waarde van de debiteurenportefeuille ultimo 2012. Het College zal zich bij de beoordeling van het hoger beroep beperken tot deze drie punten. Appellante heeft haar verwijten met betrekking tot de waarde van de debiteurenportefeuille medio 2013 in het beroepschrift ingetrokken. Appellante heeft ter zitting van 26 september 2016 desgevraagd bevestigd dat zij deze verwijten niet meer ten grondslag legt aan haar klacht. Dit betekent dat deze verwijten ook geen onderdeel meer uitmaken van het geding in hoger beroep.

Liquiditeitsprognose: betalingsgedrag jegens Google

4.1

Appellante verwijt betrokkene dat hij onvoldoende deugdelijk heeft getoetst of Tellus kon blijven voldoen aan uitstaande vorderingen van Google. Dat dit niet het geval was, blijkt volgens appellante uit het gegeven dat de extra ‘liquiditeitsruimte’ die Tellus zich had verschaft door de late(re) betalingen, niet kon worden opgevangen op het moment dat Google de overschrijding van de betalingstermijn niet langer accepteerde. Het bestuur van Tellus Holding heeft appellante in september 2013 meegedeeld dat liquiditeitsproblemen waren ontstaan doordat Google ging verlangen dat binnen de contractuele termijn van 30 dagen werd betaald, terwijl Tellus steeds op een termijn van 45 dagen betaalde. Het is niet juist dat Google uit het niets aankondigde de betalingstermijn per direct strak te gaan hanteren, zoals betrokkene heeft gesteld. Google had er allerminst mee ingestemd dat Tellus later betaalde dan de contractuele termijn. Tussen Tellus en Google was in 2012 meermaals gesproken over de betalingstermijn en Google had daarbij aangekondigd niet bereid te zijn haar dienstverlening voort te zetten als Tellus haar betalingsgedrag niet zou verbeteren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verklaringen overgelegd van vier voormalige werknemers van Tellus. Het gaat daarbij om een sales director, die vanaf november 2012 als zodanig werkzaam was bij Tellus, een manager operations die vanaf 2010 als zodanig werkzaam was bij Tellus, een manager IT die van november 2012 tot oktober 2013 werkzaam was bij Tellus en een marketing directeur die van 2012 tot februari 2013 werkzaam was bij Tellus.

4.2

Betrokkene voert, evenals in eerste aanleg, het verweer dat hij als onderdeel van de controle de kosten voor de diensten van Google heeft geanalyseerd. Uit die analyse is gebleken dat de overschrijdingen van de betalingstermijn beperkt waren. Het betrof gemiddeld 15 dagen op een betalingstermijn van 30 dagen. De overschrijding ziet op de volledige betaling van de factuur, terwijl de facturen van Google doorlopend in delen werden voldaan. Ook uit de liquiditeitsprognose die Tellus Holding opstelde ten behoeve van de Rabobank volgt dat de facturen van Google ook in 2013 bestendig binnen gemiddeld 45 dagen werden voldaan. Dat Google consistent genoegen nam met deze beperkte overschrijding is daarmee volgens betrokkene een gegeven. Betrokkene heeft daarnaast aangegeven dat hij niet op de hoogte was van enige bezwaren van Google ten aanzien van dit betalingsbeleid van Tellus. Op grond van het controleplan heeft betrokkene destijds niet het beeld gekregen dat de ex-werknemers van Tellus drie jaar na dato in hun verklaringen schetsen. Betrokkene heeft toegelicht dat hij tijdens de controle aanvullende werkzaamheden heeft verricht in het kader van de continuïteitsveronderstelling overeenkomstig NVCOS 570. Deze aanvullende werkzaamheden hebben betrokkene geen aanleiding gegeven tot gerede twijfel over de continuïteitsveronderstelling en daarmee niet tot het in de verklaring opnemen van een onzekerheid van materieel belang. Appellante gaat eraan voorbij dat Google een maand na het tekenen van de goedkeurende verklaring de volledige openstaande schuld ineens opeiste. Dat Tellus tot betaling daartoe niet in staat was, betekent volgens betrokkene niet dat de gemiddeld 15 dagen langere betalingstermijn die Tellus hanteerde voor een deel van de schuld aan Google, cruciaal was voor de financiële positie van Tellus.

4.3

Het College constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat het in 2012 bij Tellus een bestendige praktijk was om de facturen van Google buiten de door Google gestelde betalingstermijn van 30 dagen te betalen. Betrokkene heeft bij zijn aantreden als controlerend accountant van Tellus Holding dit bestendige patroon bij Tellus aangetroffen. Appellante heeft naar het oordeel van het College ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor betrokkene in het kader van de continuïteitsveronderstelling van Tellus Holding aanleiding bestond om verdergaand onderzoek te doen naar een voor Tellus bestendig en door de andere partij – in casu Google – kennelijk geaccepteerd betalingsbeleid. Anders dan appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht – zo begrijpt het College appellante althans – hoefde bij betrokkene het enkele feit dat door Tellus voor het laatste deel van de factuur de betalingstermijn van Google met gemiddeld 15 dagen werd overschreden, gelet op zijn analyse die hiervoor onder 4.2 is omschreven, niet reeds gerede twijfel te ontstaan over de continuïteit van de onderneming. In de verklaringen van de ex-werknemers van Tellus ziet het College evenmin aanleiding voor het oordeel dat van betrokkene desondanks nader onderzoek verwacht had mogen worden naar het betalingsbeleid jegens Google. Appellante heeft ook aan de hand van deze verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat het door betrokkene gehanteerde controleplan ondeugdelijk was of dat betrokkene dit plan niet, niet volledig of niet goed heeft uitgevoerd. De verklaringen zijn daarvoor te weinig concreet, in die zin dat de verklaringen geen bronnen of onderliggende stukken vermelden waaruit de in de verklaringen beschreven situatie blijkt, namelijk dat Google al langere tijd aangaf de overschrijdingen van de betalingstermijn niet (langer) te accepteren. Zo heeft de sales director in zijn verklaring opgenomen dat hij zelf nooit contact heeft gehad met Google en nooit contracten of enige correspondentie met Google heeft gezien. De manager operations en de manager IT beschrijven dat Google de overschrijding van de termijn niet accepteerde, maar zij geven niet concreet aan hoe zij dat wisten en waaruit dat bleek. De marketing director beschrijft dat er in of rond januari 2013 een bespreking plaatsvond met Google en dat inzet van dat gesprek was hoe Tellus haar omzet kon verhogen om de betalingsachterstand aan Google in te lopen. Of van dit gesprek een verslag is gemaakt valt niet uit de verklaring op te maken. In elk geval is van de zijde van appellante geen stuk overgelegd dat de door de ex-werknemers beschreven situatie binnen Tellus ondersteunt en waarvan betrokkene in zijn functie van controlerend accountant redelijkerwijs kennis had moeten hebben. Daarbij komt dat de personen die de verklaringen hebben afgelegd niet in een positie zaten waarin zij gesprekspartners waren van betrokkene als controlerend accountant van Tellus Holding. Anders dan door appellante is gesteld, kan van betrokkene niet worden verwacht dat hij onder andere bij deze personen had ‘rondgevraagd’ naar wat er speelde bij de dochtervennootschap van de vennootschap die hij controleerde. Betrokkene voert onbetwist aan dat hij contact heeft gehad met de relevante gesprekspartner(s) in de onderneming; niet aannemelijk is geworden dat deze personen hem feiten hebben medegedeeld waaruit hij redelijkerwijs moest afleiden dat Google de overschrijding van de betalingstermijn niet langer wenste te gedogen. Zoals hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat het controleplan niet deugdelijk was of niet goed is uitgevoerd. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de accountant bij uitvoering van het controleplan iets relevants in de onderneming niet te weten is gekomen, hem niet worden aangerekend.

De grief faalt.

Waardering van de domeinnamen in DSR

5.1

In het oorspronkelijke klaagschrift en de toelichting ter zitting bij de accountantskamer heeft appellante ten aanzien van de waardering van de domeinnamen in DSR gesteld dat zij twijfelt aan het realiteitsgehalte van de waardering en aan de wijze waarop betrokkene de waardering heeft gecontroleerd. Appellante meent dat de waardering in strijd met de beroepsregels tot stand is gekomen. Het College begrijpt de klacht van appellante zo dat het klachtonderdeel inhoudt dat betrokkene te weinig controlewerkzaamheden heeft verricht om de waardering in de jaarrekening 2012 van de domeinnamen in DSR op € 13 miljoen te accepteren. Voor zover appellante in hoger beroep anders of meer heeft aangevoerd zal het College dit buiten beschouwing laten nu het niet is toegestaan om de klacht in hoger beroep uit te breiden.

5.2

Betrokkene heeft toegelicht dat hij als controlerend accountant voor het boekjaar 2012 is uitgegaan van de waardering van de domeinnamen die in 2011 is gedaan. In verband met een herstructurering heeft Atworx in opdracht van Fenna Holding de domeinnamen getaxeerd. Atworx heeft in dat kader op 20 oktober 2011 een “Verklaring Domeinnaamportfolio” afgegeven. Op verzoek van Fenna Holding heeft Atworx in de “Aanvulling waardeverklaring domeinnnaamportfolio” van 30 december 2011 een toelichting verstrekt op de kenmerken van een ‘topdomeinnaam’ en een onderverdeling gemaakt voor de verschillende soorten domeinnamen. De voorganger van betrokkene, [naam 2] , destijds eveneens werkzaam bij KPMG, heeft de taxatie van Atworx voorgelegd aan KPMG Coporate Finance (CF). In de rapportage van 21 februari 2012 heeft CF geconcludeerd dat de taxatie van Atworx niet onredelijk was, zij het dat de review van CF op een ‘relatively high level’ is gedaan en dat de taxatie van Atworx relatief conservatief lijkt. Betrokkene heeft in het kader van de controle voor het jaar 2012 kennis genomen van voornoemde stukken die in het ‘permanente dossier’ over Tellus Holding bij KMPG aanwezig waren. Betrokkene heeft ook met zijn voorganger gesproken over de taxatie. In de voornoemde stukken en het gesprek met zijn voorganger heeft betrokkene geen aanleiding gezien om voor het boekjaar 2012 uit te gaan van een substantiële waardevermindering (impairment) van de domeinnamen in DSR ten opzichte van het boekjaar 2011.

5.3

Tegenover deze toelichting van betrokkene heeft appellante onvoldoende gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat betrokkene toch nadere werkzaamheden had moeten verrichten ten aanzien van de waardering van de domeinnamen. De afsluitende opmerking van CF in het rapport van 21 februari 2012 dat het de voorkeur verdient dat twee waarderingsmethodes worden gebruikt ter nadere onderbouwing van de uitkomsten van een taxatie, en het advies van CF om, indien dergelijke gegevens beschikbaar zijn, een ‘sanity check’ uit te voeren, zijn op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat betrokkene voor het boekjaar 2012 niet meer mocht afgaan op de waardering voor het boekjaar 2011. De stelling van appellante dat de domeinnamen na het faillissement van Tellus in december 2013 niets meer waard bleken, brengt het College niet tot een ander oordeel. Uit de gebeurtenissen na het faillissement van Tellus kan niet zonder meer worden afgeleid dat betrokkene bij het tekenen van de goedkeurende verklaring op 29 juli 2013, de waardering door Atworx niet meer tot uitgangspunt had mogen nemen.

De grief faalt.

De waarde van de debiteurenportefeuille

6.1

Zoals reeds onder 3 is overwogen heeft appellante zich ten aanzien van de waarde van de debiteurenportefeuille in hoger beroep beperkt tot de waarde van die portefeuille ultimo 2012.

6.2

Voor zover uit de toelichting van appellante ter zitting bij de accountantskamer op het oorspronkelijk klaagschrift moet worden begrepen dat appellante ook toen al heeft aangevoerd dat de waarde van de debiteurenportefeuille per 31 december 2012 niet juist kon zijn, overweegt het College als volgt. Appellante heeft in hoger beroep toegelicht dat de omstandigheid dat een extern kantoor er in de twee maanden voor het faillissement van Tellus niet in is geslaagd om de uitstaande vorderingen te incasseren, op zichzelf al het vermoeden rechtvaardigt dat de in de jaarrekening opgenomen post ‘debiteuren’ ultimo 2012 te hoog is gewaardeerd. Dat de na zes maanden openstaande debiteuren volledig zijn voorzien, had volgens appellante aanleiding moeten geven nader te toetsen wat de minder dan zes maanden openstaande vorderingen waard waren. In dat kader acht appellante het niet geloofwaardig dat de debiteuren die ultimo 2012 minder dan zes maanden openstonden in de eerste zes maanden van 2013 allemaal hebben betaald.

6.3

Betrokkene heeft in reactie op de stellingen van appellante toegelicht dat in 2013 in het kader van de controlewerkzaamheden een afloopcontrole is gedaan. Uit die afloopcontrole is naar voren gekomen dat op het moment van het afgeven van de controleverklaring op 29 juli 2013 alle per 31 december 2012 openstaande vorderingen ofwel waren geïnd ofwel waren voorzien. Betrokkene heeft daaraan toegevoegd dat de reden dat op de debiteurenportefeuille een relatief groot deel werd afgeschreven is gelegen in het businessmodel van Tellus. Dat model bestond erin dat via de website verkregen leads naar potentiële klanten bij verhuisbedrijven werden uitgezet. Deze bedrijven betaalden voor de lead. Het ging daarbij om relatief kleine bedragen waarvan het incasseren niet altijd economisch rationeel was. Daardoor ontstond een relatief hoge debiteurenpost, waarop navenant werd voorzien, aldus betrokkene.

6.4

Gelet op deze toelichting van betrokkene heeft appellante naar het oordeel van het College ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene de post ‘debiteuren’ zoals die in de jaarrekening 2012 is opgenomen niet heeft mogen accepteren.

De grief faalt.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.W.L. Koopmans en mr. L.S. Frakes, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.T. Plouvier