Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:174

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
17/284
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

handelsregisterwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/284

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

De Groenen, te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2], te [plaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster geweigerd een opgave van een bestuurswisseling van De Groenen (hierna: verzoekster) in het handelsregister in te schrijven.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerster heeft een reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [naam 2] is ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Verzoekster is een vereniging die zich ingevolge artikel 3 van haar statuten ten doel stelt om maatschappelijk en politiek vorm te geven aan haar uitgangspunten door onder meer deel te nemen aan verkiezingen voor vertegenwoordigende en regelgevende organen.

2.2

In het handelsregister staan thans [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] ( [naam 2] ) geregistreerd als bestuurders van verzoekster.

2.3

Op 21 januari 2017 heeft [naam 1] opgaven ingediend van de schorsing en uittreding van [naam 2] als bestuurder van verzoekster per 17 december 2016 respectievelijk
21 januari 2017 alsmede de inschrijving van [naam 3] ( [naam 3] ) als bestuurder van verzoekster per 21 januari 2017.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerster geweigerd voornoemde opgaven in het handelsregister in te schrijven. Verweerster heeft daaraan onder meer ten grondslag gelegd dat er gerede twijfel bestaat of aan de algemene ledenvergadering (alv) van 21 januari 2017 in Amsterdam, waarin tot het ontslag van [naam 2] en de benoeming van [naam 3] is besloten, een rechtsgeldig besluit van het bestuur tot bijeenroeping ten grondslag ligt, omdat uit de stukken blijkt dat [naam 1] zelfstandig heeft besloten tot het bijeenroepen van deze vergadering, terwijl op grond van de statuten en de wet het bestuur besluit tot bijeenroeping van de vergadering. Daarnaast heeft verweerster in aanmerking genomen dat op 21 januari 2017 ook in Utrecht een alv heeft plaatsgevonden, waarbij andere personen aanwezig waren dan bij de vergadering in Amsterdam. Het feit dat op dezelfde dag door verzoekster op twee verschillende locaties ledenvergaderingen zijn gehouden met verschillende agenda’s en besluiten, leidt volgens verweerster eveneens tot gerede twijfel aangaande de besluitvorming in beide vergaderingen en over de vraag of in een van beide vergaderingen rechtsgeldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. Verweerster adviseert beide partijen hun zaak aan de civiele rechter voor te leggen, aangezien de civiele rechter, anders dan de Kamer, de enige instantie is die civielrechtelijke feiten inclusief de gevolgen daarvan kan vaststellen.

4. Verzoekster stelt in bezwaar - samengevat weergegeven - dat de alv van
21 januari 2017 door het bestuur is bijeengeroepen. Daartoe voert zij aan dat [naam 1] op
22 december 2016 op verzoek van een aantal leden en na overleg in de congreswerkgroep de alv per e-mail van 7 januari 2017 en per brief heeft bijeengeroepen. Omdat [naam 2] sinds 17 december 2016 was geschorst was [naam 1] op dat moment het enige in functie zijnde bestuurslid. Uit de eigen verklaring van [naam 2] in zijn verslag van de vergadering van
21 januari 2017 te Utrecht blijkt dat de bijeenroeping van de alv mede op zijn verzoek plaatsvond. Ook al zou [naam 2] niet (rechtsgeldig) zijn geschorst, dan is de alv volgens verzoekster rechtsgeldig bijeengeroepen, omdat op 7 januari 2017 14 dagen waren verstreken na het verzoek van vijf leden, die samen meer dan 10 procent van het aantal stemmen kunnen uitbrengen.

5. 1 Ten aanzien van het spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij vanwege de onenigheid tussen de thans ingeschreven bestuurders geen opdrachten kan geven aan de drukker en verzender van het partijorgaan, niet kan beschikken over haar bankrekening en haar stemrecht op de Council van de Europese Groene Partij van 31 maart 2017 niet kan uitoefenen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorziening.

5.2

Met betrekking tot de vraag of in onderhavige kwestie grond bestaat voor gerede twijfel over de juistheid van de opgaven overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb) kan de Kamer weigeren om tot inschrijving over te gaan indien zij gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave. Ingevolge artikel 2:41, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het bijeenroepen van de algemene vergadering voorbehouden aan het bestuur. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de statuten van verzoekster roept het partijbestuur ten minste een keer per jaar een congres (lees: alv) bijeen door een oproep in het partijorgaan. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de statuten regelt het huishoudelijke reglement de wijze waarop leden een congres bijeen kunnen roepen en de wijze waarop zij stemmen. Ingevolge artikel 3 van het huishoudelijk reglement roept het partijbestuur op verzoek van een tiende van het aantal leden een congres bijeen binnen vier weken na ontvangst van het verzoek. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] bij brief van 7 januari 2017 een alv heeft bijeengeroepen op 21 januari 2017 om 13.00 te Amsterdam. Op die alv, waarvan in geschil is of deze als een (geldige) alv geldt, is [naam 3] benoemd als bestuurder en is [naam 2] per direct ontslagen als bestuurder. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] zelfstandig de op 21 januari 2017 gehouden alv heeft bijeengeroepen, terwijl deze bevoegdheid volgens de wet en de statuten aan het bestuur is toegekend. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat [naam 2] en een aantal leden op diezelfde dag en tijdstip op een andere locatie zonder aanwezigheid van [naam 1] een alv hebben gehouden en op die vergadering besluiten zijn genomen. Onder deze omstandigheden heeft verweerster zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de opgaven van 21 januari 2017 van [naam 1] , als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb. Verweerster heeft naar voorlopig oordeel daarom op goede gronden geweigerd deze opgaven in het handelsregister in te schrijven. De omstandigheid dat het besluit van de alv van 21 januari 2017 tot het ontslag van [naam 2] op de alv van 4 maart 2017 te Amsterdam is bevestigd, maakt dat niet anders, aangezien voorshands eveneens gerede twijfel bestaat over de vraag of de op 4 maart 2017 genomen besluiten rechtsgeldig zijn.

6. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor de verwachting dat het primaire besluit niet in stand zal blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, in aanwezigheid van mr.
A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. A. El Markai