Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:17

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
15/723
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Reikwijdte. Handelen in de uitoefening van het beroep. Conflict werkgever-werknemer over niet gemelde acquisitiewerkzaamheden. Integriteit, in diskrediet brengen accountantsberoep, professioneel gedrag. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/723

20150


Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. drs. A.J.F. Gonesh),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 3 augustus 2015, gegeven op een klacht, op 19 november 2014 tegen appellant ingediend door

[naam 2] B.V. ( [naam 2] ), te Haarlem.

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
3 augustus 2015, met nummer 14/2909 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:83).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.N.P. Nijkamp. Van de zijde van [naam 2] is tevens verschenen [naam 3] , managing partner bij [naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant was van april 2012 tot november 2014 bij [naam 2] werkzaam als director. In die functie was hij onder meer belast met consultancy en sales & marketing ten behoeve van [naam 4] B.V. en [naam 5] B.V., beide zustermaatschappijen van [naam 2] . In zijn arbeidsovereenkomst was bepaald dat hij zonder schriftelijke toestemming van zijn werkgever geen werkzaamheden voor derden zal verrichten gelijk of naar aard gelijk aan de voor de werkgever te verrichten werkzaamheden en zich zal onthouden van zaken doen voor eigen rekening.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld doordat:

1. hij heeft willen verheimelijken dat hij in privé een factuur heeft gestuurd ten bedrage van $ 21.000,- voor werkzaamheden die hij voor [naam 6] N.V. ( [naam 6] ) heeft verricht.

2. hij buiten medeweten van [naam 2] een bijdrage heeft geleverd aan een Masterclass Public Control op Sint Maarten.

3. hij met “een ander” een voorstel heeft gedaan aan het Algemeen Pensioenfonds Sint Maarten om voor bedrijven op Sint Maarten een workshop te organiseren, inhoudende het opstarten van een internal audit project, zonder dat [naam 2] hiervan op de hoogte was gesteld, met de kennelijke bedoeling deze opdracht “voor zichzelf” te houden.

4. hij zich op 4 september 2014 ziek heeft gemeld en een dag na zijn ziekmelding heeft deelgenomen aan een symposium van de Erasmus School of Accounting & Assurance.

5. hij op de dag dat hij zich ziek heeft gemeld via een videoverbinding een presentatie heeft gehouden op een conferentie voor Centrale Banken in de Caraïbische regio, welke presentatie was georganiseerd door de Centrale Bank van Suriname.

6. de Centrale Bank van Suriname voor de bijdrage aan voornoemde conferentie, namens betrokkene een donatie van SRD 1.500,- heeft gedaan aan een stichting. Dit bedrag had aan [naam 2] moeten toekomen, dan wel uitsluitend met haar goedkeuring als donatie uitgekeerd kunnen worden.

7. in het cv van appellant ten behoeve van diens presentatie ten onrechte is vermeld dat hij partner bij [naam 5] B.V. is.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen 1 tot en met 6, in voege als in die uitspraak weergegeven, gegrond verklaard en klachtonderdeel 7 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de accountantskamer heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit, dat van hem vergde dat hij in zijn beroepsmatige en zakelijke betrekkingen eerlijk en oprecht optrad. Met dit handelen heeft appellant volgens de accountantskamer tevens het accountantsberoep in diskrediet gebracht, waaruit volgt dat hij ook het fundamentele beginsel van professioneel gedrag niet in acht heeft genomen. De accountantskamer heeft appellant de maatregel van berisping opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

De eerste grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat de verweten gedragingen onder het bereik van het tuchtrecht vallen. Appellant stelt dat de tegen hem ingediende klacht in de kern de relatie tussen een werknemer en zijn werkgever betreft. Volgens appellant vallen de gedragingen waarover [naam 2] klaagt niet onder het toepassingsbereik van het accountantstuchtrecht, omdat daarbij geen algemeen belang betrokken was: er was geen sprake van de uitoefening van werkzaamheden die tot de kern van de werkzaamheden van accountants behoren en de uitvoering van de ‘andere’ werkzaamheden heeft niet op een zodanige wijze plaatsgevonden dat daardoor de eer en goede naam van de beroepsgroep wordt aangetast. Appellant stelt dat uit de positieve waardering voor de door hem op 4 september 2014 gegeven presentatie tijdens de “XVII Annual Conference of HR Managers of Central Banks in the Caribbean Region” blijkt dat in het onderhavige geval tegen de achtergrond van het doel en de strekking van het accountantstuchtrecht de eer en de goede naam van de beroepsgroep niet in het geding is geweest en de verweten gedragingen buiten het tuchtrecht vallen.

3.2

Het College overweegt dat voor zover appellant voor zijn stelling dat voor de toepassing van het accountantstuchtrecht gedragingen ten aanzien van werkzaamheden die tot de kern van de werkzaamheden van accountants behoren, moeten worden onderscheiden van gedragingen ten aanzien van werkzaamheden die daar niet toe behoren, steun meent te kunnen vinden in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel inzake de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, blz. 1-3), dit wetsvoorstel met de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2006-2007, 30 397, nr. 12) is aangepast in die zin dat alle klachten over het beroepsmatig handelen van accountants direct aan de accountantskamer kunnen worden voorgelegd. De regeling van de toegang tot de tuchtprocedure bij de accountantskamer is daarbij veranderd in die zin dat bij de accountantskamer klachten kunnen worden ingediend over ieder handelen of nalaten dat plaatsvindt in de beroepsmatige sfeer (zie ook de uitspraak van het College van 8 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:460). In artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants was ter zake – voor zover hier van belang – bepaald dat de registeraccountant “bij het beroepsmatig handelen” aan tuchtrechtspraak was onderworpen. Bij de inwerkingtreding van de Wet op het accountantsberoep op 1 januari 2013 – waarbij de Wet op de Registeraccountants is ingetrokken – is de werkingssfeer van het tuchtrecht bovendien in die zin aangepast dat daaronder naast beroepsmatige gedragingen ook andere gedragingen vallen, mits die andere gedragingen te allen tijde van invloed zijn op de uitoefening van het beroep (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 025, nr. 3, blz. 27 en 28). In artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep is – voor zover hier van belang – bepaald dat de accountant “ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep” aan tuchtrechtspraak is onderworpen.

Naar het oordeel van het College zien de gedragingen waarop de aan appellant gemaakte verwijten betrekking hebben, op beroepsmatig handelen van appellant in de hiervoor bedoelde zin. Deze gedragingen vallen mitsdien binnen de reikwijdte van zowel artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants als artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep. Duidelijk is dat appellant de activiteiten, die op het vlak liggen van (de verwerving van) opdrachten op het terrein van (public) governance, audit en control en in het kader waarvan hij zich klachtwaardig zou hebben gedragen, als registeraccountant heeft ondernomen.

Met het argument dat de eer en de goede naam van de beroepsgroep niet in het geding is geweest, omdat degenen waarvoor hij werkzaam is geweest tevreden waren over zijn prestaties, gaat appellant voorbij aan het verwijt dat hem wordt gemaakt, te weten, kort gezegd, dat hij in zijn beroepsmatige en zakelijke betrekkingen niet eerlijk en oprecht is opgetreden doordat hij in weerwil van hetgeen hij met zijn werkgever was overeengekomen buiten medeweten van die werkgever werkzaamheden voor derden heeft verricht en/of zaken voor eigen rekening heeft gedaan. De wijze waarop appellant zijn werkzaamheden voor derden heeft uitgevoerd, is hier niet aan de orde.

De eerste grief slaagt niet.

4.1

De tweede grief van appellant stelt aan de orde dat de accountantskamer in overweging 4.5.2 van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel, te weten dat appellant heeft willen verheimelijken dat hij in privé een factuur heeft gestuurd ten bedrage van $ 21.000,- voor werkzaamheden die hij voor [naam 6] heeft verricht, onder het bereik valt van artikel A-150.1 van de Verordening gedragscode (RA’s) (VGC). Naar de mening van appellant ziet deze bepaling primair op de verhouding tussen accountant en cliënt en niet op de interne verhouding tussen een werknemer en zijn werkgever.

4.2

Het College stelt vast dat de accountantskamer in overweging 4.5.2 van de bestreden uitspraak, waartegen appellant stelt op te komen, naar aanleiding van het verweer van appellant dat gezien de toelichting op artikel 1 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) slechts geklaagd kan worden over werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het accountantsberoep, heeft geconstateerd dat appellant ervan uit lijkt te gaan dat alle klachtonderdelen aan de VGBA moeten worden getoetst. Dit verweer gaat volgens de accountantskamer echter niet op voor klachtonderdeel 1, omdat dit klachtonderdeel ziet op handelen van appellant in 2013 en dus vóór de inwerkingtreding van de VGBA. De accountantskamer overweegt vervolgens dat gezien het in klachtonderdeel 1 geformuleerde verwijt het handelen van appellant getoetst zal moet worden aan artikel
A-110.1 van de VGC en mogelijk artikel A-150.1 van de VGC. Met deze overweging heeft de accountantskamer geen inhoudelijk oordeel gegeven over de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de in klachtonderdeel 1 aan de orde gestelde gedraging, maar slechts het toetsingskader weergegeven.

Voor zover appellant in dit verband stelt dat de artikelen A110.1 en A-150.1 van de VGC primair zien op de verhouding tussen accountant en cliënt en niet op de interne verhouding tussen een werknemer en zijn werkgever verwijst het College naar hetgeen hiervoor in overweging 3.2 van deze uitspraak is overwogen.

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer – in de overwegingen 4.6.3 en 4.6.4 van de bestreden uitspraak – klachtonderdeel 1, dat het verwijt inhoudt dat appellant heeft willen verheimelijken dat hij op 24 mei 2013 op persoonlijke titel een factuur ter hoogte van $ 21.000 aan [naam 6] heeft gezonden voor het opstellen van een automatiseringsplan, terecht gegrond verklaard. Vaststaat dat appellant bedoelde factuur in privé heeft gezonden en dat hij op 14 juli 2013 aan de managing director van [naam 7] in Suriname heeft geschreven dat zijn werkgever onkundig is, en wat hem betreft blijft, van zijn activiteiten voor [naam 6] . Voor zover appellant meent dat de gefactureerde werkzaamheden niet binnen de activiteiten van [naam 2] vielen, hetgeen [naam 2] overigens bestrijdt, overweegt het College dat dit niet verklaart waarom appellant zijn werkzaamheden voor [naam 6] buiten het zicht van [naam 2] heeft willen houden, zeker gelet op zijn stelling dat het verrichten voor [naam 6] van bedoelde werkzaamheden moet worden bezien in het licht van het kweken van goodwill met het oog op toekomstige opdrachten voor [naam 2] . Voor zover appellant heeft gesteld dat hij meende er beter aan te doen om, zolang een conflict tussen [naam 2] en [naam 7] in Suriname over een betalingsachterstand niet was opgelost, eventuele in samenwerking met [naam 7] in Suriname tot stand te brengen opdrachten voorlopig niet intern te melden, ziet het College niet in dat een dergelijk geschil – waaromtrent [naam 2] ter zitting van het College overigens heeft gesteld dat partijen steeds ‘on speaking terms’ zijn gebleven – eraan in de weg zou staan zijn werkgever van mogelijke projecten in samenwerking met [naam 7] in Suriname op de hoogte te stellen. Het College onderschrijft dan ook het oordeel van de accountantskamer dat appellant met dit handelen in strijd heeft gehandeld met het door hem op grond van de VGC in acht te nemen fundamentele beginsel van integriteit en dat hij met dit handelen tevens het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht en aldus het fundamentele beginsel van professioneel gedrag heeft geschonden.

Ook de tweede grief slaagt niet.

5.1

De derde grief van appellant houdt in dat de bestreden uitspraak op een onjuiste, onvolledige of ontoereikende vaststelling van de feiten stoelt. Naar de mening van appellant is bij de beoordeling van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van zijn handelen onvoldoende acht geslagen op de context waarbinnen dat handelen heeft plaatsgevonden. Hij wijst erop dat hij bij [naam 2] onder meer belast was met acquisitie en sales, hetgeen [naam 2] niet betwist, en in die hoedanigheid deelnam aan seminars en conferenties. Binnen [naam 2] is het volgens appellant gebruikelijk dat regelmatig bijdragen worden geleverd aan conferenties en seminars om een visie te presenteren en de organisatie te profileren. Dit wordt bevestigd in zowel de door [naam 8] , partner van [naam 7] N.V. te Suriname, opgestelde verklaring van 12 november 2015 als in het document van 6 mei 2013, met als projectnaam “Gezamenlijke projectuitvoering” en onderwerp “Afspraken offreren en facturatie”, dat door [naam 8] en appellant is opgesteld voor en/of namens [naam 7] (in Suriname) en [naam 5] B.V. Appellant stelt dat het na een conferentie of seminar ook gebruikelijk is dat deelnemers worden benaderd met voorstellen. Hij wijst er in dit verband op dat zijn inkomen blijkens de arbeidsovereenkomst deels bestond uit een percentage van de door hem binnengebrachte omzet. Hiervoor benaderde appellant partijen en nam hij soms risico’s om opdrachten binnen te halen. Het niet opnemen van dit feit leidt naar de mening van appellant tot het ten onrechte in een negatief daglicht stellen van zijn acquisitieactiviteiten en tot een onjuiste, onvolledige of ontoereikende vaststelling van de in dit geding van belang zijnde feiten. Volgens appellant kan uit het vorenstaande niet anders volgen dan dat alle handelingen naar hun aard en gezien de context waarin zij plaats hebben gevonden niet de eer en goede naam van het accountantsberoep en/of het algemeen belang in het geding hebben gebracht.

Voorts heeft appellant in zijn vierde grief gesteld dat de accountantskamer een onjuiste gevolgtrekking heeft verbonden aan het feit dat hij [naam 2] onkundig heeft gelaten van de activiteiten die hij ondernam om klanten voor haar te werven. Uit het feit dat hij niet heeft gesteld dat het hem was toegestaan [naam 2] omtrent deze activiteiten geheel onkundig te laten, concludeert de accountantskamer dat appellant zijn deelname aan de masterclass, het voorstel aan het Algemeen Pensioenfonds, de presentatie op de conferentie en zijn afspraak met de Centrale Bank van Suriname om in verband met deze presentatie een goed doel te sponsoren in ieder geval aan [naam 2] had moeten melden. Voorts onderschrijft de accountantskamer de opvatting van [naam 2] dat de overgelegde e-mailberichten bepaald niet de indruk wekken dat appellant bij het verrichten van deze activiteiten alleen het belang van [naam 2] voor ogen heeft gehad. Dit rechtvaardigt volgens de accountantskamer het oordeel dat appellant waar het gaat om de hem in de klachtonderdelen 2 tot en met 6 verweten gedragingen in zijn relatie tot zijn werkgever niet eerlijk en oprecht is opgetreden en aldus in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Appellant stelt dat deze gevolgtrekking volgt uit de in zijn derde grief aan de orde gestelde onjuiste, onvolledige of ontoereikende vaststelling van de in dit geding ter zake dienende feiten. Verder wijst hij op de voorbeelden die omtrent de toepassing van de fundamentele beginselen en in de praktijk voorkomende situaties zijn opgenomen in de (concept) NBA-handreiking van de VGBA [bedoeld wordt: NBA-handreiking 1130, Voorbeelden toepassing van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA)]. Onderdeel 7 daarvan heeft betrekking op de marketing van professionele diensten en signaleert dat bedreigingen voor de naleving van de fundamentele beginselen onder meer kunnen ontstaan als de accountant het accountantsberoep in diskrediet brengt bij het zichzelf aanprijzen of door het maken van geringschattende verwijzingen naar de werkzaamheden van een derde. Uit hetgeen de medewerker van de Centrale Bank van Suriname, die organisator en eindverantwoordelijke was van de internationale HR conferentie, in positieve zin schrijft over de presentatie van appellant en over het oordeel van de deelnemers daarover blijkt volgens appellant dat van strijd met de VGBA geen sprake kan zijn.

5.2

Het College overweegt dat het feit dat het (ook) binnen [naam 2] gebruikelijk is om door middel van bijvoorbeeld het bijwonen van conferenties en het geven van presentaties klanten te werven niet wegneemt dat appellant jegens zijn werkgever over de hier aan de orde zijnde acquisitieactiviteiten niet transparant is geweest. Niet bestreden is dat appellant de activiteiten ten aanzien waarvan hem wordt verweten de gedrags- en beroepsregels niet te hebben nageleefd niet met zijn werkgever heeft besproken (bijvoorbeeld tijdens het wekelijkse teamoverleg waarin mogelijke en lopende ‘leads’ werden doorgenomen). Hierdoor is niet duidelijk dat sprake was van, zoals appellant stelt, ten behoeve van de opdrachtenportefeuille van [naam 2] ondernomen acquisitieactiviteiten.

Door zijn verzuim over bedoelde activiteiten met zijn werkgever te communiceren heeft appellant de indruk gewekt dat hij daarbij niet zozeer de belangen van zijn werkgever voor ogen had. Wat betreft de in klachtonderdeel 2 genoemde bijdrage aan een Masterclass Public Control op Sint Maarten heeft appellant in zijn reactie op het klaagschrift gesteld dat hij aan deze masterclass meedeed om meer ‘exposure’ voor [naam 2] te verkrijgen. De stelling van appellant dat hij aldaar ten behoeve van zijn werkgever actief was, valt echter niet te rijmen met zijn stelling in de reactie op het klaagschrift dat hij voor deze activiteit vakantiedagen heeft opgenomen en dat zijn verblijfskosten door [naam 7] werden betaald. Deze feiten duiden er eerder op dat appellant niet voor [naam 2] bezig was. Klachtonderdeel 3 betreft een voorstel aan het Algemeen Pensioenfonds Sint Maarten om voor bedrijven op Sint Maarten een workshop te organiseren inzake het opstarten van een internal audit project. In de
e-mailberichten die appellant hierover heeft gewisseld met zijn zakenrelatie en (mede-) initiatiefnemer en een werknemer van het pensioenfonds heeft appellant in het midden gelaten voor wie hij acquireerde. Het verwijt dat appellant in het vierde klachtonderdeel wordt gemaakt, heeft niets met acquisitie van doen en heeft appellant niet bestreden. Ten aanzien van de in de klachtonderdelen 5 en 6 bedoelde presentatie op een conferentie voor Centrale Banken in de Caraïbische regio constateert het College dat het feit dat appellant op de vraag van de organisator van de conferentie – de Centrale Bank van Suriname – naar de beloning voor zijn bijdrage, zonder [naam 2] daarin te kennen, heeft geantwoord dat bij wijze van betaling een donatie kon worden gedaan aan een goed doel te Paramaribo onder vermelding van hemzelf (eventueel samen met de bank) als donateur er evenmin op duidt dat appellant bij die gelegenheid met name de ‘exposure’ van [naam 2] voor ogen had.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat appellant het verwijt treft dat hij de fundamentele beginselen van integriteit en van professioneel gedrag niet in acht heeft genomen doordat hij zijn werkgever onkundig heeft gelaten van de hier aan de orde zijnde activiteiten en hij (daardoor) op zijn minst de indruk heeft gewekt dat hij bij die activiteiten niet alleen de belangen van [naam 2] voor ogen had.

Aan het gestelde ten aanzien van de marketing van professionele diensten gaat het College voorbij, aangezien appellant niet wordt verweten dat hij bij het zichzelf aanprijzen het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht.

De derde en vierde grief slagen evenmin.

6.1

Ten slotte is appellant van mening dat de accountantskamer hem ten onrechte de maatregel van berisping heeft opgelegd, althans dat de motivering hiervoor onvoldoende is. Volgens appellant kan de maatregel van berisping worden opgelegd, indien de accountantskamer van oordeel is dat het optreden van de accountant als onzorgvuldig kan worden gekenmerkt en de maatregel van waarschuwing, indien zij van oordeel is dat het handelen van de accountant in het vervolg zorgvuldiger dient te zijn (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, blz. 14). Appellant is van mening dat de accountantskamer ten onrechte een aantal omstandigheden niet heeft meegewogen.

6.2

Het College is van oordeel dat de accountantskamer, gezien de aard en ernst van de gedragingen van appellant en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan, op grond van de door haar genoemde overwegingen terecht passend en geboden heeft geacht om appellant de maatregel van berisping op te leggen. Niet valt in te zien dat in de door appellant genoemde bladzijde van de Memorie van Toelichting bij de Wtra een reden is gelegen hierover anders te oordelen.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8.
De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.G.M. van Ede