Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:16

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
15/782
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Berisping wegens schending fundamenteel beginsel objectiviteit op twee onderscheiden momenten. Accountant heeft nagelaten (adequaat) te handelen toen hem omstandigheden bleken die een bedreiging voor zijn objectiviteit zouden kunnen betekenen en vervolgens opnieuw toen hij met een concrete bedreiging werd geconfronteerd. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/782

20150

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats 1] , appellant


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 28 augustus 2015, gegeven op een klacht, op 3 april 2015 tegen appellant ingediend door

[naam 2] , te [plaats 2] ( [naam 2] ).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
28 augustus 2015, met nummer 15/733 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:100).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016.

Appellant is verschenen. [naam 2] is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn broer
[naam 3] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is als openbaar accountant-administratieconsulent verbonden aan [naam 4] te [plaats 1] ( [naam 4] ).

Nadat zijn broer in 2009 uit het familiebedrijf was gestapt hield [naam 2] via zijn vennootschap [naam 5] B.V. ( [naam 5] ) de helft van de aandelen in [naam 6] B.V. ( [naam 6] ). De andere helft van de aandelen werd sinds die tijd gehouden door zijn compagnon [naam 7] ( [naam 7] ) via zijn vennootschap [naam 8] B.V. ( [naam 8] ). [naam 5] en [naam 8] waren bestuurder van [naam 6] . Appellant was accountant van [naam 9] . Eind 2009 werd hij tevens accountant van [naam 6] .

[naam 7] , appellant, [naam 2] en diens adviseur [naam 10] ( [naam 10] ) bespraken op 19 augustus 2013 het voornemen van [naam 2] om minder uren binnen [naam 6] werkzaam te zijn. Op 28 oktober 2013 kwamen zij opnieuw bijeen, omdat meningsverschillen bestonden over hetgeen op 19 augustus 2013 was besproken en overeengekomen.

Op 16 december 2014 heeft er op initiatief van [naam 10] (namens [naam 2] ) een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en [naam 10] over de toekomst van [naam 6] , dit in verband met de revalidatie van [naam 2] na een val op 14 juni 2014. Naar aanleiding hiervan zond [naam 10] op 17 december 2014 aan appellant een notitie, met het verzoek deze met [naam 7] te bespreken, waarin onder meer een andere invulling van de rol van [naam 2] als bestuurder en aandeelhouder van [naam 6] en een aanpassing van zijn beloning werd voorgesteld. Bij brief van 19 januari 2015 lieten [naam 8] en [naam 6] via hun advocaat [naam 11] ( [naam 11] ) aan [naam 12] weten dat [naam 2] naar hun mening als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid geen recht meer heeft op de in de managementovereenkomst vastgelegde vergoeding en stelden zij een aangepaste vergoeding voor. Ook merkten zij op het nog niet opportuun te achten inhoudelijk op de notitie van [naam 10] in te gaan.

Bij brief van 1 februari 2015 deelde [naam 2] aan [naam 4] de opzegging mee van de opdracht van [naam 6] aan appellant, om de reden, kort gezegd, dat niet langer het vertrouwen bestaat dat appellant als accountant van zowel [naam 6] als [naam 8] het juiste belang van [naam 6] en haar directeur-grootaandeelhouders dient. Hierop berichtte [naam 7] bij brief van 10 februari 2015 namens [naam 6] aan appellant dat zijn opdracht niet is beëindigd. Bij brief van 13 februari 2015 deelde appellant aan [naam 12] mee dat hij aan de beëindiging van zijn opdracht geen gevolg zal geven. Bij brieven van 22 februari 2015 en 23 maart 2015 wees [naam 12] namens [naam 6] appellant erop dat de opdracht ten einde was. Bij brief van
20 maart 2015 werd appellant door de advocaat van [naam 12] gesommeerd zich van elk contact met [naam 6] te onthouden. Bij brief van 26 maart 2015 deelde [naam 11] aan de advocaat van [naam 12] mee dat [naam 4] de aan haar verstrekte opdracht door en namens [naam 6] zal voortzetten.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld doordat hij tegelijkertijd accountant/adviseur was van zowel [naam 6] als van [naam 9] en daarbij de belangen van de ene aandeelhouder in [naam 6] ( [naam 8] ) zwaarder heeft laten wegen dan die van de andere aandeelhouder in [naam 6] ( [naam 5] ).

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van berisping opgelegd.

De accountantskamer heeft, samengevat, geoordeeld dat hoewel appellant, naar eigen zeggen, zowel de onenigheid tussen hem en [naam 10] over hetgeen tijdens de besprekingen van augustus en oktober 2013 was besproken en overeengekomen als de inhoud van het gesprek met [naam 10] op 16 december 2014 als een (mogelijke) bedreiging (van niet te verwaarlozen betekenis) voor het naleven van één of meer fundamentele beginselen heeft beschouwd, hetgeen uitgaande van die stelling terecht is geweest, hij zijn verweer dat hij (al) op diverse tijdstippen in 2014 (toereikende) maatregelen heeft genomen om de gesignaleerde (mogelijke) bedreiging(en) weg te nemen, niet met de – in artikel 21 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) dan wel artikel A-100.2 van de Verordening gedragscode (AA’s) (VGC) voorgeschreven – schriftelijke vastlegging van een en ander in zijn dossier heeft onderbouwd. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat appellant, anders dan hij stelt, niet aan beide bestuurders/aandeelhouders (en adviseurs) duidelijk heeft gemaakt dat hij niet (meer) namens [naam 9] optrad maar enkel nog ten behoeve van [naam 6] . Door dit verzuim heeft appellant naar het oordeel van de accountantskamer het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden.

Voorts is de accountantskamer van oordeel dat appellant het verwijt treft dat hij andermaal het fundamentele beginsel van objectiviteit geweld heeft aangedaan door aan de opzegging door [naam 12] bij brief van 1 februari 2015 geen gevolg te geven. Dit terwijl appellant voordien niet duidelijk is geweest over zijn rol als accountant en adviseur, uit de brief van
1 februari 2015 bleek dat evident sprake was van een belangenconflict tussen beide bestuurders/aandeelhouders, en [naam 12] vanwege dit belangenconflict en het ontbreken van vertrouwen in appellant bij de opzegging persisteerde, en terwijl de advocaat van [naam 9] het standpunt van [naam 4] over de ongeldigheid van de opzegging had verwoord. Volgens de accountantskamer gaat het er niet om of die opzegging namens [naam 6] (civielrechtelijk) geldig was, maar of de positie van appellant uiteindelijk nog houdbaar was. Door pas in zijn brief van 13 februari 2015 expliciet duidelijk te maken dat hij [naam 9] niet (meer) adviseerde, heeft appellant bij [naam 2] de vrees kunnen doen ontstaan dat hij niet primair het belang van [naam 6] diende, maar vooral dat van [naam 9] . Die indruk werd nog versterkt doordat de opzegging namens [naam 4] door de advocaat van [naam 9] op dezelfde gronden werd bestreden als de gronden die door [naam 9] waren gehanteerd. Naar het oordeel van de accountantskamer had appellant bij deze stand van zaken zijn dienstverlening voor [naam 6] moeten beëindigen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. In een eerste, algemene grief stelt appellant dat hij in zijn verdediging is geschaad en dat de goede procesorde is geschonden, doordat hij pas ter zitting van de accountantskamer kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de pleitnota van [naam 2] en daardoor tijdens die zitting hierop onvoorbereid antwoord heeft moeten geven. Het College overweegt dat het enkele feit dat de klager zijn klaagschrift ter zitting van de accountantskamer toelicht aan de hand van een pleitnota en de accountant eerst dan van de inhoud daarvan kennis neemt, geen schending inhoudt van het verdedigingsbeginsel of van de goede procesorde. Dit zou anders kunnen zijn als zou blijken dat de klager bij die gelegenheid bijvoorbeeld nieuwe klachten heeft geformuleerd of nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die hij eerder had kunnen aanvoeren en de accountantskamer die zonder meer bij haar beoordeling heeft betrokken. Hiervan is in dit geval echter geen sprake geweest.

4. Voor zover het hoger beroep van appellant is gericht tegen het verwijt dat hij in strijd met de geheimhoudingsplicht en wellicht zelfs niet-integer heeft gehandeld door de notitie van [naam 10] in handen van [naam 11] te spelen, terwijl die notitie slechts vertrouwelijk met [naam 7] diende te worden besproken, constateert het College dat de accountantskamer in overweging 4.7 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat de klacht in zoverre ongegrond is, zodat het hoger beroep op dit punt niet hoeft te worden besproken.

5. Het hoger beroep van appellant richt zich voorts tegen de gegrondverklaring van de klacht door de accountantskamer, zoals hiervoor samengevat weergegeven in 2.2.

Appellant stelt dat hij zich er terdege van bewust is dat de relatie tussen accountant/adviseur en cliënt gebaseerd is op vertrouwen. Hij wijst erop dat uit de klacht niet duidelijk is geworden in hoeverre hij concreet de (financiële) belangen van [naam 2] heeft geschaad. De situatie waarbij hij zowel accountant was van [naam 6] als van [naam 9] heeft jaren prima gefunctioneerd en was ook bij [naam 2] bekend. Voordat [naam 2] en [naam 7] hem benaderden om tevens voor [naam 6] werkzaam te zijn, bestond bovendien dezelfde situatie, in die zin dat de toenmalige accountant van [naam 6] ook werkzaam was voor [naam 5] . Een dergelijke combinatie van werkzaamheden zagen zij blijkbaar niet als ‘issue’ waarin verandering moest worden gebracht.

Appellant bestrijdt dat hij in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld doordat hij zowel accountant van [naam 6] als accountant/adviseur van [naam 9] was en daarbij de belangen van [naam 8] zwaarder heeft laten wegen dan die van [naam 5] . Daartoe voert appellant aan dat hij (1) de adviseur van [naam 2] – [naam 10] – impliciet en expliciet in kennis heeft gesteld van zijn rol als het gaat om de discussies tussen [naam 2] en [naam 7] over de toekomst van laatstgenoemde bij [naam 6] , (2) geen bemoeienis heeft gehad met de inhoudelijke discussie, en (3) op goede gronden is doorgegaan als accountant van [naam 6] .

Ten aanzien van het eerste punt wijst appellant erop dat hij voorafgaand aan het op verzoek van [naam 2] gearrangeerde gesprek met [naam 10] bij e-mailbericht van 15 december 2014 aan [naam 10] heeft gevraagd de te bespreken onderwerpen aan te geven “ter voorbereiding maar mede ter bepaling of de afspraak met de juiste gesprekspartner is ingepland.” Appellant stelt dat hij met dit e-mailbericht impliciet, en tijdens het gesprek op 16 december 2014 expliciet, heeft laten blijken dat hij in deze situatie geen dubbelrol wenste en dat hij zijn rol duidelijk heeft gemaakt. Dat [naam 10] hiervan niet op de hoogte zou zijn, verbaast appellant en doet volgens hem de waarheid geweld aan. Het feit dat [naam 10] dit niet in zijn notitie heeft vermeld, had op dat moment geen prioriteit, omdat de notitie was opgesteld om de twee aandeelhouders uit de impasse te doen geraken. Een en ander heeft appellant benadrukt in zijn brief van 13 februari 2015 aan [naam 12] .

Wat betreft het tweede punt stelt appellant geen bemoeienis te hebben gehad met de brief van 19 januari 2015 van [naam 11] en verdere correspondentie. De discussie is met [naam 11] voortgezet, aangezien appellant tijdens het gesprek met [naam 10] op 16 december 2014 en het daaraan voorafgaande e-mailbericht aan hem had aangegeven in deze kwestie niet meer als adviseur van [naam 7] op te treden. Appellant wijst erop dat uit alle sinds die tijd gevoerde correspondentie ook blijkt dat hij geen gesprekspartner meer is geweest en niet als adviseur van [naam 7] is opgetreden. Appellant is het met de accountantskamer eens dat het ten zeerste aanbeveling verdient een afweging als hier aan de orde schriftelijk aan de cliënt mee te delen. Het e-mailbericht, het gesprek op 16 december 2014 en de snelle reactie van de nieuwe adviseur van [naam 7] hebben appellant toentertijd kennelijk doen besluiten dit niet direct te doen. Een en ander is wel aan de orde geweest in zijn brief van 13 februari 2015. Mocht hij in de toekomst voor een vergelijkbare situatie komen te staan, dan zal appellant een en ander zeker direct explicieter schriftelijk bevestigen.

Met betrekking tot het derde punt – de redenen om zijn werkzaamheden als accountant van [naam 6] niet neer te leggen – wijst appellant erop dat hij bij het uitvoeren van zijn beroep te allen tijde de belangen van alle partijen in het oog moet houden, alvorens beslissingen te nemen. Hij heeft zijn werkzaamheden voor [naam 6] voortgezet omdat partijen op dat moment lijnrecht tegenover elkaar stonden en niet te voorzien was dat op korte termijn een nieuwe accountant zou kunnen worden aangesteld. Tot op heden is [naam 4] niet door een nieuwe accountant benaderd. Verder wijst appellant erop dat volgens de geldende aandeelhoudersovereenkomst de aandelen van [naam 6] als gevolg van de arbeidsongeschiktheid door [naam 5] aan [naam 8] te koop moesten worden aangeboden en laatstgenoemde hem uitdrukkelijk heeft opgedragen de werkzaamheden als accountant van [naam 6] voort te zetten. Verder stond de onderneming er financieel slecht voor en zou een nieuwe accountant kostenverhogend werken. Bovendien waren er volgens appellant maatschappelijke belangen aanwezig (zoals crediteuren, belastingdienst, werknemers) die tot continuering van de dienstverlening noodzaakten. Ook zouden er volgens appellant op dat moment geen werkzaamheden plaatsvinden die de belangen van een aandeelhouder zouden kunnen schaden (er is in die tijd slechts assistentie gevoerd op het gebied van dagelijkse administratie en maandelijkse loonadministratie). Voorts zijn geen werkzaamheden verricht die subjectief zijn of met een twijfelachtige verwerkingswijze. De (financiële) belangen van [naam 2] zijn volgens appellant zeker niet geschonden. Naar de mening van appellant speelt in dit kader ook het fundamentele beginsel van professioneel gedrag een rol, aangezien van een accountant ook verwacht mag worden dat hij bij het opzeggen van een opdracht de belangen van alle partijen meeweegt. Daarbij speelde mee het feit dat de andere aandeelhouder ( [naam 7] ) uitdrukkelijk wenste dat hij zijn werkzaamheden zou voortzetten teneinde de continuïteit van de onderneming en haar belanghebbende(n) niet te schaden. Appellant stelt dat hij gezien de werkzaamheden, die (bewust) ‘low profile’ zijn gehouden, heeft getracht de continuïteit van de onderneming te waarborgen.

Gegeven de omstandigheden acht appellant de opgelegde maatregel niet terecht opgelegd en ook te zwaar.

6. De door de accountantskamer beoordeelde klacht onderscheidt het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en/of nalaten van appellant in de periode vóórdat [naam 2] de door [naam 6] aan appellant verleende opdracht introk (op 1 februari 2015), en de periode daarna.

6.1

Ten aanzien van de grieven die appellant heeft aangevoerd tegen het verwijt dat hij in eerstgenoemde periode het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft geschonden, overweegt het College dat indien appellant, naar hij stelt, de (toenemende) kans op een belangenconflict tussen de bestuurders/aandeelhouders van [naam 6] heeft geïdentificeerd als een mogelijke bedreiging voor het zich houden aan een fundamenteel beginsel en op verschillende momenten in 2014 toereikende maatregelen heeft genomen om die bedreiging weg te nemen, hij op grond van artikel 21, derde lid, van de VGBA gehouden was de bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie vast te leggen. Het College stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen document heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij tijdig bedoelde omstandigheid als een mogelijke bedreiging heeft onderkend, die omstandigheid heeft beoordeeld en met een toereikende maatregel heeft beantwoord.

Uit het e-mailbericht van 15 december 2014, waaruit volgens appellant blijkt dat hij zijn positie aan [naam 2] ’ adviseur [naam 10] heeft duidelijk gemaakt, valt naar het oordeel van het College niet op te maken dat hij bij die gelegenheid aan [naam 10] duidelijk heeft gemaakt dat het risico op conflicterende belangen voor hem aanleiding had gevormd [naam 9] niet meer als adviseur bij te staan. De passage in het e-mailbericht dat het verzoek aan [naam 10] om voorafgaande aan het gesprek de te bespreken onderwerpen aan te geven diende “ter bepaling of de afspraak met de juiste gesprekspartner is ingepland” is daarvoor te cryptisch. De boodschap zoals zij volgens appellant bedoeld zou zijn geweest, en die hij naar gesteld tevens expliciet tijdens het gesprek zou hebben overgebracht, is niet overgekomen, aangezien [naam 10] de dag na het gesprek zijn notitie aan appellant heeft gezonden, waarbij in het begeleidende e-mailbericht onder meer wordt opgemerkt: “Zoals afgesproken ga jij de situatie/voorstellen met Frank bespreken. (…) Zodra jij een en ander besproken hebt verneem ik graag van je.” Ook uit de brief van [naam 11] van 19 januari 2015 kan niet worden afgeleid dat appellant duidelijk heeft gemaakt dat hij niet meer optrad als adviseur van [naam 7] . Bovendien, indien appellant al in de loop van 2014 tot de vaststelling was gekomen dat zijn dubbelrol mogelijk een probleem vormde of zou kunnen gaan vormen, dan had hij dat toen – en niet pas op 15 december 2014, laat staan in zijn brief van 13 februari 2015 – uitdrukkelijk aan de orde moeten stellen, teneinde met de bestuurders/aandeelhouders te bespreken welke koers onder welke omstandigheden het best zou worden gevaren. Naar het oordeel van het College had appellant daarbij eveneens ter discussie moeten stellen of hij in de ogen van zijn opdrachtgevers nog als accountant van zowel [naam 6] als [naam 9] aan kon blijven. Uit het betoog van appellant begrijpt het College dat hij in die dubbelrol kennelijk geen probleem zag. Echter, niet valt in te zien waarom voornoemd risico niet tevens een bedreiging zou kunnen vormen voor het zich in die dubbelrol houden aan een fundamenteel beginsel. Dat het in het belang van de opdrachtgevers zou kunnen zijn dat een professionele dienst niet (onmiddellijk) wordt beëindigd, neemt niet weg dat ook die handelwijze met de opdrachtgevers dient te worden besproken en in het dossier dient te worden vastgelegd.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat aangezien enige schriftelijke vastlegging dienaangaande ontbreekt, ervan moet worden uitgegaan dat appellant voordat zijn opdracht werd opgezegd niet aan [naam 2] en/of diens adviseur [naam 10] duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij niet meer ten behoeve van [naam 9] als adviseur optrad. Evenmin heeft appellant aan beide bestuurders/aandeelhouders duidelijkheid verschaft over zijn positie ten opzichte van [naam 6] en ten opzichte van ieder van haar bestuurders/aandeelhouders. Door dit na te laten heeft appellant het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden.

6.2

Ten aanzien van de grieven van appellant tegen het oordeel van de accountantskamer dat hem tevens het verwijt treft dat hij zich tuchtrechtelijk laakbaar heeft gedragen in de periode na de opzegging door [naam 2] van [naam 6] ’s opdracht, overweegt het College als volgt. Appellant had het uitdrukkelijk door [naam 2] op tafel gelegde – volgens appellant reeds eerder door hem onderkende (maar, zoals hiervoor is geoordeeld, niet of in ieder geval niet aantoonbaar beantwoorde) – probleem van zijn dubbelrol als accountant en adviseur van [naam 7] en accountant van de gezamenlijke vennootschap van [naam 7] en [naam 2] en de gerezen twijfel aan zijn objectiviteit, met zijn beide opdrachtgevers moeten bespreken. Dit teneinde een oplossing te bereiken, de (gedeeltelijke) beëindiging van zijn werkzaamheden daaronder begrepen, die waarborgt dat hij zijn beroep binnen de kaders van de gedrags- en beroepsregels kan uitoefenen. In plaats van dit gesprek aan te gaan heeft appellant aan [naam 2] een brief gestuurd, waarin hij hem, kort gezegd, wees op zijn onbevoegdheid de opdracht namens [naam 6] te beëindigen en meedeelde zijn opdracht(en) niet terug te zullen geven. Naar het oordeel van het College was dit geen adequate reactie op het door [naam 2] afgegeven signaal dat naar zijn mening de posities van appellant onverenigbaar waren. Met zijn stellingname deed appellant niets om de bij [naam 2] levende zorgen over zijn objectiviteit weg te nemen. Door zich zo op te stellen versterkte appellant juist diens indruk dat hij meer oog had voor de belangen van [naam 7] , nu hij voor zijn standpunt dezelfde argumenten gebruikte als [naam 7] . Appellant heeft ten onrechte niet onderkend dat door op deze wijze op de door [naam 2] aan de orde gestelde kwestie te reageren, zijn positie als accountant van [naam 6] , zolang [naam 2] nog aandeelhouder/bestuurder was, vanaf dat moment niet meer houdbaar was, en nog minder nadat de advocaat van [naam 2] hem had gesommeerd die werkzaamheden te staken. Appellant heeft, weliswaar met de bedoeling de belangen van [naam 6] en diens aandeelhouders zo goed mogelijk te behartigen zoals hij meermalen heeft verklaard, ten onrechte gemeend in beide rollen zijn werkzaamheden voort te kunnen zetten. Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat appellant het verwijt treft ook hier het fundamentele beginsel van objectiviteit te hebben geschonden.

7. Het College ziet, anders dan door appellant is bepleit, geen aanleiding appellant een lichtere maatregel op te leggen. De stelling van appellant dat het voortzetten van de werkzaamheden voor [naam 6] de belangen van [naam 2] niet heeft geschaad, doet er niet aan af dat appellant op twee onderscheiden momenten de fundamentele beginselen niet heeft nageleefd. Hij heeft nagelaten (adequaat) te handelen toen hem omstandigheden bleken die een bedreiging voor zijn objectiviteit zouden kunnen betekenen en vervolgens opnieuw toen hij met een concrete bedreiging werd geconfronteerd. Dit valt appellant tuchtrechtelijk aan te rekenen. Ook het College acht het opleggen van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.

8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M.M. Smorenburg en
mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.G.M. van Ede