Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:119

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
15/747
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht: opdracht uitgevoerd voor een partij bij een civiel geschil: geen hoor en wederhoor toegepast; geen deugdelijke grondslag voor de conclusie in het rapport

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 15/747

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. W.K. van de Berg),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 augustus 2015, gegeven op een klacht van 4 maart 2015 door [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), [naam 3] B.V. ( [naam 3] ) en [naam 4] ( [naam 4] ) ingediend tegen appellant

(gemachtigde van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] : mr. O.P.P. Elsenburg).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 augustus 2015, met nummer 15/476 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:92).

[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (gezamenlijk [naam 4] c.s.) hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 4] c.s. zijn vertegenwoordigd door [naam 4] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is als openbaar accountant verbonden aan [naam 5] B.V. te [plaats] .

1.3

[naam 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 2] en [naam 3] . Hij was tot juli 2012 tevens (enig) bestuurder van Golden Care International B.V. (GCI), een financieringsmaatschappij. [naam 4] schakelde, als bestuurder van GCI, [naam 2] en [naam 3] in om werkzaamheden te verrichten voor GCI. [naam 2] voerde de administratie van GCI, verrichtte betalingen, deed de aangiftes vennootschapsbelasting en omzetbelasting en stelde (enkele) jaarrekeningen op. Daarnaast verleende [naam 2] juridische diensten aan GCI.

1.4

In 2012 ontstond een conflict tussen [naam 2] en [naam 3] enerzijds en GCI anderzijds over de (betaling van de) door [naam 2] en [naam 3] gefactureerde bedragen. In het kader van de civiele procedure over dit geschil heeft de advocaat van GCI aan appellant de opdracht gegeven onderzoek te doen naar de door [naam 2] en [naam 3] aan GCI in rekening gebrachte bedragen.

1.5

Appellant heeft in het kader van die opdracht op 18 november 2014 een rapport (het rapport) uitgebracht. In het rapport is opgenomen dat appellant voor zijn onderzoek de beschikking heeft gekregen over de jaarrekeningen van GCI over de jaren 2007 tot en met 2012, over de grootboekadministratie over de jaren 2011 en 2012 en over de facturen van [naam 2] en [naam 3] aan GCI. In het rapport is de volgende conclusie opgenomen:

“Op basis van de ontvangen bescheiden en mijn onderzoek kom ik tot de conclusie dat de administratie gevoerd is door medewerkers met een tarief dat niet gebruikelijk is. De aard van de werkzaamheden laten naar mijn mening de inzet van goedkopere medewerkers mogelijk, te denken valt aan medewerkers van een administratiekantoor.
Deze medewerkers kosten meestal niet meer dan € 64 a € 75 per uur. Ook de wijze van tijdschrijven is niet altijd in overeenstemming met de tijd die een dergelijke handeling kost. Dat is het gevolg van het tijdschrijven van de bestede tijd in tenminste kwartieren.

Beide aspecten hebben geleid tot onnodig hoge rekeningen. Op basis van mijn ervaring met vergelijkbare opdrachten en kennis van de markt mogen dergelijke opdrachten voor € 2.500 (exclusief btw) per jaar kosten.

Gezien de aard van de opdracht is het niet noodzakelijk gebleken een concept voor te leggen aan [naam 4] en [naam 3] .”

1.6

GCI heeft het rapport van appellant als productie overgelegd in de tussen haar en [naam 2] en [naam 3] aanhangige civiele procedure.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels en wel in het bijzonder met de artikelen 9 en 20 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Ten grondslag aan de klacht liggen de verwijten dat appellant bij zijn onderzoek:

a. a) zich heeft gebaseerd op onvolledige informatie omdat hij geen hoor en wederhoor heeft toegepast en

b) ongefundeerde aannames heeft gehanteerd.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in beide onderdelen, doch onderdeel b deels, gegrond verklaard op de grond dat – kort samengevat – appellant om tot een deugdelijke grondslag voor de conclusies in het rapport te kunnen komen, het horen van [naam 2] en [naam 3] niet achterwege had mogen laten. Naar het oordeel van de accountantskamer heeft appellant in strijd gehandeld met het fundamenteel beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 2 sub d van de VGBA. De accountantskamer heeft de maatregel van waarschuwing passend en geboden geacht.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Het College stelt voorop dat uit het rapport blijkt dat appellant wist dat het resultaat van de aan hem verstrekte opdracht door GCI gebruikt zou worden in de civiele procedures tussen GCI enerzijds en [naam 2] en [naam 3] anderzijds. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:148) mag in dergelijke omstandigheden van de accountant bijzondere zorgvuldigheid verwacht worden in de uitvoering van de werkzaamheden en bij de totstandkoming van het rapport.

4.1

De eerste grief van appellant richt zich tegen het oordeel van de accountantskamer dat het horen van [naam 2] en [naam 3] wel degelijk zinvol en noodzakelijk was om tot een deugdelijke grondslag te komen voor de conclusie in zijn rapport. De accountantskamer heeft in dat kader overwogen dat de werkzaamheden van appellant onvoldoende waren nu hij er zich in elk geval van had moeten vergewissen wat tussen partijen was afgesproken. Juist de kwesties of ten onrechte te hoog gekwalificeerde medewerkers waren ingezet en of de aard van de werkzaamheden meebracht dat zij door goedkopere medewerkers hadden kunnen worden uitgevoerd, konden naar het oordeel van de accountantskamer niet deugdelijk worden beoordeeld zonder het horen van [naam 2] en [naam 3] .

4.2

Appellant stelt zich op het standpunt dat het onder de gegeven omstandigheden, anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, niet nodig was om hoor (of wederhoor) toe te passen. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst appellant op het volgende. Appellant heeft zich in zijn opdracht beperkt tot de algemene aspecten van de facturering, zoals de gehanteerde uurtarieven en de eenheden waarin de tijd werd geschreven. Hij heeft zich niet uitgelaten over de vraag of verrichte werkzaamheden noodzakelijk waren en/of binnen de opdracht vielen. Uit de stukken die hij tot zijn beschikking had, kon appellant opmaken dat GCI nauwelijks activiteiten ontplooide en geen complexe administratie had. Uit de facturen van [naam 2] en [naam 3] bleek hoeveel uren aan werkzaamheden waren besteed en welke uurtarieven daarvoor in rekening waren gebracht. Van onvolledige informatie is volgens appellant dan ook geen sprake geweest. Het horen van [naam 2] en [naam 3] had volgens appellant niets toegevoegd aan het onderzoek. Dit heeft volgens appellant te gelden zowel voor de beoordeling van de complexiteit van de organisatie als voor de beoordeling van de inzet van (te) hoog gekwalificeerd personeel. Appellant stelt dat hij met de uitgevoerde werkzaamheden heeft kunnen komen tot het formuleren van zijn (beperkte) mening over de algemene aspecten van facturering. Deze aspecten staan volgens appellant los van wat er tussen GCI en klagers is overeengekomen. Hem is ook niet gevraagd te kijken naar hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Appellant heeft zich uitgelaten over de gebruikelijkheid van de tarieven gelet op de aard van de werkzaamheden. Wat er tussen partijen overeen was gekomen, was volgens appellant juist niet relevant voor zijn onderzoek. Dit is een juridische kwestie, waarover appellant als accountant niet gaat. Het is volgens appellant aan de civiele rechter om te beoordelen of GCI al dan niet gehouden is de facturen van [naam 2] en [naam 3] te voldoen. Ten slotte heeft appellant opgemerkt dat het [naam 2] en [naam 3] helemaal niet te doen is geweest om nadere inlichtingen te verstrekken. Toen appellant hen daartoe alsnog in de gelegenheid had gesteld, hebben [naam 2] en [naam 3] daarvan geen gebruik gemaakt.

4.3

Het College overweegt dat appellant (ook) in hoger beroep heeft betoogd dat zijn opdracht beperkt was en dat hij de bedragen die in rekening waren gebracht alleen heeft onderzocht aan de hand van algemene aspecten van facturering. Het College begrijpt appellant zo dat hij stelt een afstandelijk onderzoek te hebben uitgevoerd omdat hij zich niet heeft uitgelaten over de inhoud van de facturen; namelijk of de uitgevoerde werkzaamheden noodzakelijk waren en pasten binnen de verstrekte opdracht. Naar het oordeel van het College heeft appellant zich in de slotparagrafen van het rapport echter niet beperkt tot een eveneens afstandelijk geformuleerde conclusie waar hij stelt dat de facturen van [naam 2] onnodig hoog zijn door – kort gezegd – de wijze van tijdschrijven en de inzet van (te) hoog gekwalificeerd en daarmee duurder personeel. Deze specifieke conclusie, die door het gebruik van de term ‘onnodig’ tevens een kwalificatie van de in rekening gebracht bedragen bevat, verdraagt zich niet goed met een afstandelijk uitgevoerd onderzoek. Voor een consistente rapportage, in die zin dat de omvang van de conclusie past bij de omvang van de werkzaamheden, had appellant naar het oordeel van het College een keuze moeten maken om ofwel in zijn conclusie meer te abstraheren van het specifieke geval, ofwel bij een meer specifieke conclusie [naam 2] en [naam 3] in de gelegenheid moeten stellen zich hierover uit te laten. Nu appellant heeft gekozen voor een specifiek op het geval toegesneden conclusie, mocht van hem verlangd worden dat hij voldoende werkzaamheden verrichtte om voor die conclusie ook een deugdelijke grondslag te verkrijgen. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant daaraan niet heeft voldaan en overweegt daartoe als volgt.

4.4

Appellant heeft ter zitting bij de accountantskamer toegelicht dat hij bij het uitvoeren van de opdracht de NBA-handreiking 1127 ‘Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen’ van juni 2014 (de handreiking) heeft gebruikt. In deze handreiking is in paragraaf 4 een aantal aandachtspunten opgenomen, waaronder dat de accountant moet bekijken of de rapportage voldoende inzicht geeft in het al dan niet toepassen van hoor en wederhoor alsmede de overwegingen daarbij en de mogelijke consequenties van het niet toepassen van hoor en wederhoor. Voorts staat daarbij vermeld dat hoor en wederhoor veelal verplicht is, tenzij dit absoluut niet noodzakelijk is om een deugdelijke grondslag te verkrijgen. Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat het horen van [naam 2] en [naam 3] in dit geval ‘absoluut niet noodzakelijk was’, zoals dat is omschreven in de handreiking. Naar het oordeel van het College mocht appellant niet op voorhand aannemen dat het toepassen van hoor en wederhoor ten aanzien van [naam 2] en [naam 3] geen relevante informatie kon opleveren voor de in zijn rapport getrokken op het geval toegesneden conclusie. Niet in geschil is dat appellant ervan uitgegaan is dat de in rekening gebrachte uurtarieven ooit (in elk geval impliciet) tussen partijen waren afgesproken, maar appellant was niet op de hoogte van de tussen partijen gemaakte afspraken, bijvoorbeeld dat – zoals [naam 4] c.s. stellen – GCI er juist voor had gekozen dat de werkzaamheden door hoog gekwalificeerde medewerkers zouden worden verricht. Zonder kennis van de gemaakte afspraken ontbeert de conclusie van appellant dat in dit specifieke geval sprake is geweest van onnodig hoge rekeningen, een deugdelijke grondslag. Dat betekent dat appellant het toepassen van hoor en wederhoor in dit geval niet achterwege had mogen laten. De accountantskamer heeft terecht geoordeeld dat appellant het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2, onder d, van de VGBA heeft geschonden. De grief faalt.

5.1

Ten aanzien van de opgelegde maatregel stelt appellant zich op het standpunt dat de maatregel van waarschuwing in de gegeven omstandigheden te zwaar is. Appellant meent dat meegewogen moet worden dat uit het rapport blijkt dat appellant wel aandacht heeft gehad voor de vraag of hoor en wederhoor moest plaatsvinden. Volgens appellant moet het in elk geval begrijpelijk worden geacht dat hij in de gegeven omstandigheden van mening was dat hoor en wederhoor niet noodzakelijk was, gezien de beperkte scope van zijn rapportage, alsook dat hij nadien [naam 2] en [naam 3] alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om commentaar te geven op zijn rapport, waarvan [naam 2] en [naam 3] geen gebruik hebben gemaakt.

5.2

Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 10 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:84) dient voorop gesteld te worden dat de tuchtrechter op grond van artikel 2 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) bevoegd is om bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht een maatregel op te leggen. In voornoemd artikel is voorzien in een schakering van tuchtrechtelijke maatregelen. De Wtra voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om bij een gegrondverklaring van een klacht af te zien van het opleggen van een maatregel. Het College leidt hieruit af dat de Wtra ertoe strekt dat bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht – waaraan immers het oordeel vooraf gaat dat de betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld – in beginsel een maatregel wordt opgelegd. Van dit beginsel kan worden afgeweken, maar dit dient beperkt te blijven tot gevallen waarin sprake is van een zodanig geringe verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van een accountant of waarin de verwijtbare gedraging anderszins van zodanig geringe betekenis is gelet op de specifieke omstandigheden van het geval dat oplegging van een maatregel niet is aangewezen. Naar het oordeel van het College is hier van een dergelijk geval geen sprake. Hiertoe is in aanmerking genomen dat appellant op verzoek van één van de partijen bij een conflict een opdracht heeft aanvaard tot onderzoek naar de in rekening gebrachte bedragen. De verplichting zorg te dragen voor een deugdelijke grondslag weegt, zoals hiervoor reeds is overwogen, des te zwaarder omdat appellant wist dat zijn rapport als bewijsstuk zou worden ingebracht in civiele procedures. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant te lichtvaardig heeft gemeend dat de door hem geformuleerde conclusie in zijn rapport ook zonder [naam 2] en [naam 3] te horen een deugdelijke grondslag had. Gelet hierop ziet het College geen aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Het College acht, evenals de accountantskamer, de maatregel van waarschuwing passend en geboden. De grief faalt.

6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.O. Kerkmeester en

mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.T. Plouvier