Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:113

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
16/607
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3803, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete, rund ongeschikt voor vervoer, Transportverordening (Verordening 1/2005), hoger beroep ongegrond, in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/607

11350

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2017 op het hoger beroep van:

Maatschap [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] , te [plaats] , appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2016, kenmerk ROT 15/6021, in het geding tussen

appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, (staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. P. Luschen).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 mei 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:3803).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017. Voor appellante is verschenen [naam 1] . De staatsecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de staatssecretaris is voorts verschenen [naam 4] , dierenarts.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij besluit van 17 juli 2015 heeft de staatssecretaris aan appellante een boete van
€ 1.500,- opgelegd wegens overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97(Transportverordening). Volgens de staatssecretaris heeft de houder op de plaats van vertrek een rund laten vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen.

1.3

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1

Appellante betoogt dat de koe transportwaardig was. De vervoerder heeft het rund zonder op- of aanmerking meegenomen. Als appellante of de vervoerder maar enigszins getwijfeld zou hebben, zou de koe niet zijn meegegaan. De vervoerder neemt volgens appellante absoluut geen dier mee dat niet voor 100% transportwaardig is, vanwege de hoge boete.

2.2

De staatssecretaris benadrukt dat niet aan de capaciteiten van appellante als veehouder wordt getwijfeld en er geen sprake was van kwade bedoelingen van de zijde van appellante. Gelet op de constateringen van de dierenarts zoals vastgelegd in het boeterapport is echter de conclusie van de dierenarts dat het rund op het moment dat het vervoer aanving niet geschikt was voor vervoer voldoende onderbouwd en was daarmee volgens de staatssecretaris sprake van een overtreding van de Transportverordening.

3.1

Het College overweegt als volgt. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij de toezichthoudende dierenarts [naam 4] heeft gevolgd in het oordeel dat het rund niet geschikt was voor vervoer. Door dit rund te laten vervoeren heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk I paragraaf 1 en 2, van de Transportverordening.

3.2

Appellante heeft in hoger beroep geen nadere argumenten aangevoerd die niet reeds in beroep bij de rechtbank zijn ingebracht. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt naar het oordeel van het College niet tot een andere conclusie dan die van de rechtbank. Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.

4. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg