Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:111

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
17/52 en 17/191
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Schorsing taxivergunning; gevaarlijk rijgedrag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/52 en 17/191

14914

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening en, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het beroep in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. el Joghrafi),

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerders

(gemachtigde: mr. S.F. Somer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) hebben verweerders de taxivergunning van verzoeker voor de Amsterdamse opstapmarkt (de Taxivergunning) op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 voor de duur van één maand geschorst.

De voorzieningenrechter van het College heeft bij uitspraak van 9 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:156) het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2016 (het bestreden besluit) hebben verweerders het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting zijn [naam 2] en [naam 3] , meegebracht door verzoeker, als getuigen gehoord. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 9 juni 2016.

2. Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 9 juni 2016 overwogen dat verzoeker op 3 oktober 2015 met een te hoge snelheid dicht langs de verbalisant is gereden en met te hoge snelheid over het kruispunt de Herengracht is opgereden. De voorzieningenrechter heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan dat wat over de snelheid waarmee verzoeker vanaf de brug langs de verbalisant en vervolgens naar de Herengracht is gereden, is opgenomen in het door de verbalisant op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen en door de verbalisant ter zitting onder ede is verklaard. Dat oordeel is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het College dat in beginsel van de juistheid van de inhoud van een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen en van een ter zitting onder ede afgelegde verklaring van een verbalisant mag worden uitgegaan.

Beide door verzoeker meegebrachte getuigen hebben ter zitting verklaard dat de situatie ter plaatse niet toestaat dat er met een hoge snelheid wordt weggereden. Dit rechtvaardigt niet een afwijking van de eerder genoemde vaste rechtspraak, nu beide getuigen op andere punten niet hetzelfde verklaren. Zo lopen hun verklaringen over de plek waar de verbalisant stond op het moment dat verzoeker met zijn auto wegreed en de door de verbalisant aangewezen plek waar verzoeker zich moest begeven, uiteen.

Verzoeker heeft in dit geding verder geen nieuwe gronden of nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in de uitspraak van 9 juni 2016 terecht overwogen dat verweerder bevoegd was om de taxivergunning van verzoeker gedurende één maand te schorsen, omdat verzoeker in ieder geval gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond en daarmee in strijd met artikel 1, vierde lid, aanhef en onder j, van het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs heeft gehandeld en de door verweerder gemaakte belangenafweging toereikend is geweest. De voorzieningenrechter neemt die overwegingen over en maakt ze tot de zijne.

3. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.J. Boon

bijlage: uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2016