Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:11

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
16/1036
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betalingsrechten 2015. Dynamisch natuurgebied. Landbouwareaal?

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1036

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en A. Aalmers).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Regeling) de betalingsrechten voor het jaar 2015 toegewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de betalingsrechten van appellant opnieuw toegekend.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer 16/153.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellant heeft in zijn Gecombineerde Opgave van 2015 dertien percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 49,80 ha. In het kader van de toewijzing van de betalingsrechten 2015 van appellant heeft verweerder bij het primaire besluit de subsidiabele oppervlakte van zes percelen kleiner vastgesteld. Daarbij heeft verweerder perceel 2 gesplitst in perceel 2 en 29. De goedgekeurde oppervlakte bedraagt 45,82 ha. De toegekende omvang van de betalingsrechten bedraagt 45,82.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de perceel 4 vergroot en die van perceel 10 verkleind, waardoor de totale goedgekeurde oppervlakte 45,99 ha bedraagt. Aan appellant zijn 45,99 betalingsrechten toegewezen.

3.1.

Appellant voert aan dat het bestreden besluit tegenstrijdig is omdat perceel 4 in het bestreden besluit groter is aangemerkt dan in het primaire besluit, maar vervolgens is gekort.

3.2

Het College stelt vast in de tabel op p. 5 van het bestreden besluit voor perceel 4 is opgenomen dat de geconstateerde oppervlakte in het primaire besluit 15,95 ha is en dat de geconstateerde oppervlakte in de beslissing op bezwaar 15,69 ha is. Het totaal toegekende betalingsrechten is gebaseerd op de op p. 11 van het bestreden besluit weergegeven informatie, waar voor perceel 4 15,95 ha is opgenomen als goedgekeurde oppervlakte. Anders dan appellant stelt, is de optelling door verweerder wel juist en is perceel 4 niet gekort, maar bij het bestreden besluit juist vergroot. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Appellant voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op winterfoto’s heeft gebaseerd. Verweerder had een nauwkeurige veldmeting moeten doen.

4.2

Het College is van oordeel dat de wijze waarop verweerder de subsidiabele oppervlakte heeft vastgesteld niet onjuist is. Gebleken is dat verweerder de herberekening heeft gebaseerd op zomerfoto’s van 2015 en dat de winterfoto van een perceel alleen ter ondersteuning is gebruikt, namelijk ter beoordeling van de structurele aard van geconstateerde niet-subsidiabele elementen. Verweerder kan onder omstandigheden gehouden zijn nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een veldinspectie. Omdat in dit geval de luchtfoto’s voldoende duidelijk zijn, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek ten onrechte achterwege heeft gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Appellant voert aan dat verweerder de oppervlakte van de percelen 2, 3, 4, 5, 10, 12 en 29 ten onrechte kleiner heeft vastgesteld dan opgegeven. Appellant wijst op de door hem overgelegde foto’s. In de bijgaande brief van 8 september 2016 heeft appellant gemotiveerd waarom de percelen ten onrechte kleiner zijn vastgesteld. Appellant beroept zich erop dat de gedeeltes die zijn afgekeurd, worden beweid door vee. De greppels die in de winter nat zijn, zijn in het weideseizoen droog en de gedeelten die onder water zijn, zijn doorwaadbaar. Op perceel 3 graast het vee verder dan getekend. Op perceel 10 kan overal worden gegraasd.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de oppervlakte van die percelen juist heeft vastgesteld. Gezien de luchtfoto’s heeft appellant niet-subsidiabele elementen opgegeven zoals poelen en een zandbult. Op de luchtfoto’s is verder duidelijk zichtbaar dat er ook in het voorjaar water staat op opgegeven delen van de percelen. Ten slotte is van perceel 3 een deel afgerasterd.

5.3

Het College overweegt allereerst dat het feit dat het vee ook op door verweerder als niet-subsidiabel aangemerkte gronden graast, niet betekent dat deze grond door verweerder ten onrechte als niet-subsidiabel is bestempeld. Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) Nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) wordt onder een subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Om voor betalingsrechten in aanmerking te komen, is dus onvoldoende dat grond voor landbouwactiviteiten, zoals begrazing door vee, wordt gebruikt. De grond moet tevens landbouwareaal zijn. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten.

5.4

In geschil is of verweerder de grenzen van de percelen 2, 10, en 29 bij delen van greppels op de juiste wijze heeft vastgesteld. Het College stelt vast dat op de zomerfoto van de percelen zichtbaar is dat verweerder de buitengrenzen van de percelen heeft vastgesteld op het om de percelen aanwezige water dat lichter van kleur is dan de groene delen die verweerder als subsidiabele oppervlakte heeft aangemerkt. Vast staat dat het gebied waar appellant zijn bedrijf voert, te maken heeft met wisselende grondwaterstanden. Daardoor staat er soms wel en soms geen water in greppels en varieert de grens tussen water en landbouwgrond. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat gekeken is of in de greppels structureel water staat, door ook naar luchtfoto’s uit de periode voorafgaand en volgend op de zomerfoto te kijken. Verder wordt bij de beoordeling van gebieden als deze ook rekening gehouden met de natheid van het jaar. Gelet op de door verweerder gevolgde beoordelingswijze en gezien de luchtfoto’s is het College van oordeel dat verweerder de betreffende delen van de greppels terecht niet als landbouwgrond heeft aangemerkt.

5.5

Op de luchtfoto’s van perceel 3 is te zien dat verweerder twee driehoeken heeft afgekeurd omdat daar een afrastering staat. Ter zitting heeft appellant dit bevestigd. Daarmee is niet meer in geschil dat verweerder deze delen van het perceel terecht heeft afgekeurd. Gelet op de zomerfoto 2015 in combinatie met de luchtfoto gedateerd 12 maart 2015 heeft verweerder de poel naar het oordeel van het College niet te groot ingetekend.

5.6

Wat betreft perceel 4 overweegt het College dat op de luchtfoto duidelijk kleurverschillen te zien zijn over het gehele perceel. Bovendien is zichtbaar dat de door verweerder niet ingetekende delen grond een andere structuur hebben dan de omliggende grond die verweerder als subsidiabele oppervlakte heeft aangemerkt. De door verweerder uitgezonderde delen zijn geen gras, maar poelen, ruigte en bosjes. De winterfoto’s van dit perceel bevestigen het voorgaande. Deze delen heeft verweerder daarom terecht niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt.

5.7

Verweerder heeft van perceel 5 een poel niet goedgekeurd. Het College volgt appellant niet in zijn standpunt dat deze poel droog staat, nu de poel op de zomerfoto een andere kleur heeft die zich onderscheidt van het omliggende groen. Gelet op de door verweerder overgelegde detailfoto van 10 maart 2014 staat er op dat moment ook water in de poel. Op de detailfoto van 12 september 2014 is te zien dat de poel droog staat, maar er staat geen gras. Daarom heeft verweerder dit deel van het perceel terecht afgekeurd.

5.8

Verweerder heeft perceel 12 kleiner vastgesteld omdat appellant bij zijn opgave ook een deel van een zandbult heeft opgegeven. Naar het oordeel van het College bevestigt de luchtfoto het standpunt van verweerder, zodat verweerder dit deel van perceel 12 terecht heeft afgekeurd.

5.9

De conclusie is dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen aan de hand van de luchtfoto’s correct heeft vastgesteld. De door appellant overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel nu die de situatie van de percelen in 2016 weergeven en niet die in 2015. Ook overigens kunnen die foto’s, gezien dat wat is overwogen in 5.4 tot en met 5.8, niet tot een ander oordeel leiden. Op de foto’s van de percelen 2 en 10 is mogelijk te zien dat greppels droog staan. Dit betreft echter een momentopname en gelet op de door verweerder gehanteerde beoordelingswijze, vermeld in 5.4, leiden deze foto’s niet tot het oordeel dat sprake is van landbouwgrond. Op de door appellant overgelegde foto van perceel 3 is de omvang van de poel niet vast te stellen. Op de foto’s van perceel 4 zijn poelen en bosjes zichtbaar. De foto’s van perceel 4 van appellant ondersteunen het beeld dat op de luchtfoto’s is te zien. De foto van perceel 5 is te onduidelijk om iets op vast te stellen.

5.10

De conclusie is dat deze beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. M.J. Boon