Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:108

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
15/751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond, Wet dieren, Regeling houders van dieren, positieflijst, plaatsing op positieflijst appellabel, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/751

11350

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaak tussen

Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante

(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tielemans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Regeling) vastgesteld, waarbij de soort Oryctolagus cuniculus (konijn) is geplaatst in tabel 1 van Bijlage 1 van de Regeling.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016. Partijen zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Voor verweerder is voorts verschenen drs. P. Bours.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De soort konijn is door verweerder geplaatst in tabel 1 van Bijlage 1 van de Regeling. Dit betekent dat dit dier gehouden kan worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

1.2

Het bezwaar van appellante richt zich tegen de plaatsing van de soort konijn in tabel 1 van Bijlage 1 van de Regeling. Volgens appellante is de plaatsing in deze tabel van de Regeling misplaatst en dient de soort konijn te worden verplaatst naar tabel 2 van Bijlage 1 van de Regeling, de tabel voor diersoorten die gehouden kunnen worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit tot al dan niet plaatsing van diersoorten in diercategorieën op de positieflijst, is op grond van artikel 2.2, vierde lid, van de Wet dieren vatbaar voor bezwaar en beroep. Volgens verweerder richt het bezwaar van appellante zich echter niet tegen de plaatsing (aanwijzing) van de soort konijn in Bijlage 1 van de Regeling, maar is het uitsluitend gericht tegen het feit dat deze diersoort kan worden gehouden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. Het al dan niet stellen van soortspecifieke houderijvoorschriften maakt volgens verweerder geen onderdeel uit van de aanwijzing als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zodat het bepaalde in artikel 2.2, vierde lid, van de Wet dieren niet van toepassing is. Het besluit tot het al dan niet stellen van soortspecifieke houderijvoorschriften is volgens verweerder een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, zodat hiertegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

3. Appellante voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens appellante richtte haar bezwaar zich tegen de plaatsing van de soort konijn in tabel 1 van Bijlage 1 van de Regeling en staat tegen de aanwijzing van een soort in deze bijlage, op grond van artikel 2.2, vierde lid, van de Wet dieren, bezwaar en beroep open.

4. De Wet dieren luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2.2. Houden van dieren

1. Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot door Onze Minister aangewezen diersoorten of diercategorieën.

(…)

4. De hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid.”

De Regeling luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2.1. Positieflijst (huisdierenlijst)

Als diersoorten en diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën, genoemd in bijlage 1.

(…)

Bijlage 1. Aangewezen diersoorten en diercategorieën als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling houders van dieren

Tabel 1

Positieflijst huisdierenlijst

Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren die gehouden kunnen worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.

(…)

Oryctolagus cuniculus (domestic form)

Konijn

(…)”

5. Ter beoordeling staat of verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerder miskend dat het bezwaar van appellante van 9 maart 2015, gelet op de inhoud van het bezwaar, is gericht tegen het plaatsen van de soort konijn in tabel 1 van Bijlage 1. De motieven van appellante om rechtsmiddelen in te stellen en de argumenten die zij daarvoor aanvoert doen, anders dan verweerder kennelijk meent, hieraan niet af. Nu tegen de plaatsing van een diersoort in tabel 1 van

Bijlage 1 van de Regeling op grond van artikel 2.2, eerste en vierde lid, van de Wet dieren en artikel 2.1 van de Regeling, bezwaar en beroep open staat, heeft verweerder het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog van appellante slaagt.

6. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het College ziet in dit geval geen aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen, dan wel zelf in de zaak te voorzien. Er heeft geen inhoudelijke behandeling van het bezwaar plaatsgevonden, reden waarom verweerder naar het oordeel van het College opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 990,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.L. Verbeek en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg