Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:106

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
16/165
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gaswet gasopslag

Parallel belang geen belanghebbende

Uitleg contractsvoorwaarde tussen GTS en appellante aan burgerlijke rechter voorbehouden. ACM is bevoegd te oordelen of GTS bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden op grond van de Gaswet in overeenstemming met de Gasverordening, de Gaswet en het krachtens die wet bepaalde heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTE 2017/31, UDH:NTE/14322 met annotatie van mr. I. Brinkman, mr. L. Baljon en mr. drs. C. van der Woude
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/165

18400

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen

Vattenfall Energy Trading Netherlands N.V. (VETNL), appellante

(gemachtigde: mr. drs. B.B. de Bruijne),

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigden: mr. J.A.H. Koomen en mr. J.J. Reuveny).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Gasunie Transport Services (GTS)

(gemachtigde: mr. A.A. Kleinhout).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit) heeft ACM een beslissing genomen op de aanvraag om geschilbeslechting van VETNL over het reduceren van meerjarige capaciteitsboekingen. ACM heeft de klacht van VETNL ongegrond verklaard.

VETNL heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend en stukken overgelegd.

Ten aanzien van een aantal stukken heeft ACM medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 12 januari 2017 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen voor VETNL [naam 1] , voor ACM [naam 2] en voor GTS [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

1.1

VETNL heeft als programmaverantwoordelijke (shipper) voor de met het landelijk

gastransportnet verbonden gasopslag in Epe (Duitsland) transportcapaciteit geboekt ten behoeve van die gasopslag voor een meerjarige periode (tot 2021). Omdat de capaciteitsbehoefte door marktomstandigheden afnam, vroeg VETNL aan GTS de geboekte capaciteit te verminderen en heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden Gas-LNB (de Transportvoorwaarden) alsmede op artikel 6.A.12 van de Transmission Service Conditions (TSC). GTS heeft dit verzoek afgewezen, waarna VETNL ACM heeft gevraagd om op basis van artikel 19 van de Gaswet een besluit te nemen over het aldus gerezen geschil.

1.2

Het College overweegt allereerst als volgt. Engie S.A. (Engie) was op de voet van

artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorlopig als derde-partij aan het geding toe gelaten. Engie is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. B.M. Winters. Engie is als shipper actief op dezelfde markt actief als VETNL, de groothandelsmarkt voor gas in Nederland, en daarmee een directe concurrent van VETNL. Haar belang is ook niet tegengesteld maar parallel aan dat van VETNL, namelijk het verkrijgen van het recht om ingekochte capaciteit te verminderen. Zij heeft om die reden ook beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van 22 juni 2012; ECLI:NL:CBB:2012:BW9146) heeft het College echter geoordeeld dat artikel 8:26 van de Awb niet is bedoeld om een belanghebbende de gelegenheid te bieden om zich te mengen in een rechtsgeding enkel omdat hij zelf een ander geding voert waarin dezelfde of een vergelijkbare rechtsvraag wordt opgeworpen als het geding waarin hij wenst te worden toegelaten. Het College heeft daarom – reeds ter zitting – de toelating van Engie als partij ongedaan gemaakt en geen acht geslagen op hetgeen door haar is aangevoerd.

2.1

Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005, PbEG (2009) L211/36 (de Gasverordening), luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Artikel 14

Derdentoegangsdiensten bij transmissiesysteembeheerders

1. Transmissiesysteembeheerders:

a) waarborgen dat zij op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aanbieden (...)

c) dat zij de netgebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aanbieden;

Wanneer in verband met punt c) van de eerste alinea een transmissiesysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een door de bevoegde instantie volgens de procedure van artikel 41 van Richtlijn 2009/73/EG goedgekeurde gemeenschappelijke netcode.

(…)

Artikel 16

Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer bij transmissiesysteembeheerders

1. Marktspelers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 18, lid 3, wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.

2. Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie, welke

a) passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de technische capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken en de grensoverschrijdende uitwisseling van aardgas bevorderen;

b) zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs en tevens flexibel zijn en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen (...).

Bijlage I

2.1.

beginselen inzake de mechanismen voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer bij transmissiesysteembeheerders

1. De mechanismen voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer zijn bevorderlijk voor de ontwikkeling van concurrentie en de liquide verhandeling van capaciteit en zijn compatibel met de marktmechanismen, inclusief de spotmarkten en trading hubs. Zij zijn flexibel en aanpasbaar aan veranderende marktomstandigheden.

(…)"

2.2

De Gaswet luidt, voor zover van belang, als volgt.

"Artikel 12b

1 Met inachtneming van de in artikel 12 bedoelde regels en de in artikel 6 van verordening 715/2009 bedoelde netcodes zenden de gezamenlijke netbeheerders aan de Autoriteit Consument en Markt een voorstel voor de door hen jegens netgebruikers te hanteren voorwaarden (…)

2 In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen regels worden gesteld omtrent:

(…)

b. toedeling van de transportcapaciteit, de bepaling van de omvang van de capaciteit voor het transport van gas over een landsgrensoverschrijdend gastransportnet, het toewijzen van de beschikbare capaciteit daarop en de wijze van toewijzen van capaciteit op een landsgrensoverschrijdend gastransportnet die een netgebruiker niet gebruikt, welke wijze kan inhouden het veilen of het op een andere marktconforme methode toewijzen van die capaciteit;

(…)

2a In de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval vastgelegd dat:

(…)

d. de capaciteit op een exitpunt bij voorrang kan worden gecontracteerd door een afnemer die een aansluiting op het landelijke gastransportnet heeft die is gekoppeld aan het desbetreffende exitpunt.

(…)

Artikel 14

1 Behoudens artikel 15 is een netbeheerder verplicht, in voorkomend geval tezamen met een verwant bedrijf, degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde gastransportnet en van een of meer installaties van het verwante bedrijf ten behoeve van de verzoeker transport van gas en de dat transport ondersteunende diensten te verrichten tegen een tarief alsmede tegen voorwaarden die in overeenstemming zijn met de artikelen 12f of 12g, 81c of 82.

(…)

3 Een netbeheerder hanteert voorwaarden die redelijk, transparant en niet-discriminatoir zijn.

(…)

5 Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard, inhoud en wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.

(…)

Artikel 19

1 Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf over de wijze waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefent, dan wel aan zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een klacht bij de Autoriteit Consument en Markt indienen.

(…)"

2.3

De Transportvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt. (…)

"2.1.2a De netbeheerder van het landelijk gastransportnet houdt exitcapaciteit aan ten behoeve van exitpunten die gekoppeld zijn aan de aansluiting van een direct aangeslotene. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet houdt uitsluitend exitcapaciteit aan die gecontracteerd is voor de duur van een jaar of een maand. De exitcapaciteit voor een direct aangeslotene wordt aangehouden tot uiterlijk één maand voor het aflopen van de al gecontracteerde exitcapaciteit op het betreffende exitpunt.

(…)

2.1.2h Entry- en exitcapaciteit gasopslag

Omschrijving van de dienst

De dienst entrycapaciteit gasopslag geeft het recht om op een entrypunt gasopslag een hoeveelheid gas per uur in het landelijk gastransportnet te voeden. De dienst exitcapaciteit gasopslag geeft het recht om op een exitpunt gasopslag een hoeveelheid gas per uur aan het landelijk gastransportnet te onttrekken."

2.4

De TSC zijn de algemene voorwaarden die GTS hanteert bij de door haar aangeboden transportovereenkomsten. De TSC vormen onderdeel van de tussen GTS en VETNL gesloten overeenkomst over de transportcapaciteit geboekt ten behoeve van de gasopslag tot 2021. Artikel 6.A.12 van de TSC luidt, voor zover relevant:

"Once a year shipper or ewex [end user with exit capacity; het College] can decrease the contracted exit capacity at an industrial exit point subject to this capacity (...)"

3.1

ACM stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat zij dient te beoordelen of GTS:

- in het kader van artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden in overeenstemming met artikel 14, eerste lid, van de Gaswet handelt;

- in het kader van artikel 6.A.12 van de TSC in overeenstemming met artikel 14, eerste lid, van de Gasverordening en artikel 14, derde lid, van de Gaswet handelt;

- in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onderdelen a en b, alsmede artikel 2.1, eerste lid, bijlage I, van de Gasverordening handelt.

3.2

ACM concludeert dat GTS handelt in overeenstemming met artikel 14, eerste lid, van de Gaswet. Zij weerspreekt het standpunt van VETNL dat GTS met toepassing van artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden de mogelijkheid moet bieden om de duur van de geboekte transportcapaciteit te beperken tot een jaar of een maand. Dit artikel voorziet niet in deze mogelijkheid: geen enkele netgebruiker of afnemer kan op grond hiervan de duur van de geboekte entry- dan wel exitcapaciteit wijzigen. Omdat niemand deze mogelijkheid heeft, kan er ook in het kader van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Gasverordening geen sprake zijn van discriminatie tussen netgebruikers of afnemers ten aanzien van de mogelijkheid de duur van geboekte transportcapaciteit te wijzigen.

3.3

Artikel 6.A.12 van de TSC voorziet in de mogelijkheid om gecontracteerde exitcapaciteit te verminderen en is van toepassing op een industrieel exit point. ACM meent dat de gasopslag niet kwalificeert als een "industrial exit point" en volgt de uitleg van GTS dat dit artikel alleen van toepassing is voor eindafnemers die gas voor eigen gebruik afnemen. De gasopslag in Epe kwalificeert niet als zodanig: een gasopslag voorziet in de opslag van gas en niet in het eindgebruik van gas. Artikel 6.A.12 van de TSC is geïntroduceerd als een oplossing voor het probleem van de beschikbaarheid van exitcapaciteit voor binnenlandse industrieën en centrales en moet worden gezien in het licht van artikel 12b, lid 2a, onderdeel d, van de Gaswet. GTS beteugelt het risico dat zich zou kunnen voordoen als een bepaalde marktpartij alle transportcapaciteit op een bepaald exitpunt voor lange tijd contracteert door te bepalen dat de transportcapaciteit op een specifiek exitpunt bij voorrang kan worden gecontracteerd door de eindafnemer die een aansluiting heeft die is gekoppeld aan het desbetreffende exitpunt. ACM concludeert dat er geen discriminatie is van afnemers op grond van artikel 6.A.12 van de TSC en GTS noch artikel 14, eerste lid, van de Gasverordening noch artikel 14, derde lid, van de Gaswet heeft overtreden.

3.4

Artikel 16, tweede lid, onderdelen a en b, alsmede artikel 2.1, eerste lid, bijlage 1, van de Gasverordening verplichten GTS er volgens ACM toe om er voor zorg te dragen dat de wijze waarop transport capaciteit wordt toegewezen aan netgebruikers steeds aansluit bij de dan geldende marktomstandigheden. Het kan gebeuren dat het geldende allocatiemechanisme geen passende economische signalen meer geeft en dan is GTS genoopt om een meer passend mechanisme te introduceren. VETNL stelt ten onrechte dat uit de genoemde bepalingen volgt dat GTS haar in staat moet stellen om rekening te houden met veranderende marktomstandigheden en dus medewerking moet verlenen aan het verzoek tot het reduceren van capaciteitsboekingen.

4.1

De eerste beroepsgrond van VETNL richt zich tegen de uitleg die ACM geeft aan artikel 6.A.12 van de TSC, met name de conclusie dat slechts op een industrial exit point capaciteit kan worden verminderd. VETNL acht het onbegrijpelijk dat met de toevoeging "industrial" wordt bedoeld het exitpunt van een eindafnemer en dat daaronder vervolgens moet worden begrepen "industrieën en centrales". Artikel 6.A.12 van de TSC spreekt over een "shipper" en het staat niet ter discussie dat VETNL als zodanig kwalificeert. Een "eindafnemer" is hetzelfde als een "end user" als omschreven in de TSC namelijk een persoon met een aansluiting op het landelijk gastransportnetwerk, welke bedoeld is voor de afname van gas van het landelijk transportnetwerk. Dat een eindafnemer een verbruiker van gas is in de zin dat gas wordt geconsumeerd, is een onjuiste uitleg. Er is aangeknoopt bij de definitie van "direct aangeslotene" en bij het besluit waarin die definitie is vastgesteld, is expliciet niet gekozen voor een beperking tot "industrieën en centrales". De toevoeging "industrial" bij "exit point" is niet gedefinieerd in de TSC en daarmee niet transparant en kenbaar. VETNL ziet niet in hoe artikel 12b, lid 2a, onderdeel d, van de Gaswet kan worden vergeleken met artikel 6.A.12 van de TSC. De eerstgenoemde bepaling is bedoeld om afnemers te beschermen tegen gijzeling doordat capaciteit op hun afnamepunt wordt geboekt door derden, waardoor deze afnemers geen toegang hebben tot gas dat zij hebben gekocht. Het is onduidelijk hoe met de beperking van capaciteitsboekingen op grond van artikel 6.A.12 van de TSC bescherming kan worden geboden tegen gijzeling en dat wordt door ACM in het bestreden besluit ook niet toegelicht.

4.2

Voor zover artikel 6.A.12 van de TSC geen toepassing vindt ten aanzien van een gasopslag, voert VETNL als subsidiaire grond aan dat er geen objectief onderscheid kan worden gemaakt binnen de groep van afnemers met een aansluiting op het landelijk gastransportnetwerk. Voor zover al een onderscheid kan worden gemaakt tussen eindafnemers in de door ACM bedoelde zin en gasopslagen, rechtvaardigt dit onderscheid niet dat gasopslagen verschillend worden behandeld door hen uit te sluiten van artikel 6.A.12 van de TSC. Artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van de Gasverordening schrijft voor dat wanneer de netbeheerder dezelfde dienst aanbiedt aan meerdere afnemers, dit geschiedt onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden. Dit geldt dus zelfs wanneer onderscheid kan worden gemaakt tussen groepen afnemers. VETNL stelt overigens dat de in het bestreden besluit omschreven groep afnemers, namelijk "industrieën en centrales" niet kan worden onderscheiden van andere afnemers met een aansluiting op het landelijk gastransportnetwerk: alle afnemers maken op eenzelfde wijze gebruik van de diensten van GTS en beschikken over dezelfde soort aansluiting.

4.3

Meer subsidiair voert VETNL aan dat GTS met haar uitleg en invulling van artikel 6.A.12 van de TSC in strijd handelt met de Gasverordening. In de eerste plaats handelt VETNL in strijd met artikel 16, tweede lid, van de Gasverordening. Door VETNL (onverkort) te houden aan de afgesloten meerjarige capaciteitsreservering, biedt GTS niet zowel korte als lange termijn capaciteit aan en belemmert GTS het ontstaan van een gelijk speelveld tussen de afnemers. De levensvatbaarheid van de gasopslag Epe staat onder de huidige economische omstandigheden onder druk en GTS is, vanwege het belang van de gasopslagen voor de werking van de gasmarkt, mede verantwoordelijk om "stranded assets" te voorkomen. In de tweede plaats dwingt een goede uitvoering van artikel 16 van de Gasverordening ertoe om artikel 6.A.12 van de TSC uit te breiden met entry capaciteit. De lopende contracten moeten worden aangepast en artikel 6.A.12 moet niet alleen exit, maar ook entry capaciteit omvatten. Er is vanuit de systematiek van de Gaswet en de doelstellingen van de Gasverordening geen reden om de toepassing te beperken tot een bepaald soort capaciteit. In de derde plaats staan de taakvoorschriften en uitgangspunten van de Gasverordening in de weg aan het vasthouden aan bestaande contracten en geen toepassing te geven aan capaciteitsreserveringen op basis van artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden. Afnemers, waaronder VETNL, moesten in het verleden afgaan op mededelingen van GTS en hebben op die basis meerjarige contracten afgesloten.

5.1

De uitleg van de tussen GTS en VETNL gesloten overeenkomst is aan de burgerlijke rechter voorbehouden. Dat verhindert VETNL evenwel niet aan ACM de vraag voor te leggen of GTS bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden op grond van de Gaswet in overeenstemming met de Gasverordening, de Gaswet en het krachtens die wet bepaalde heeft gehandeld, als zij artikel 6.A.12 van de TSC zo uitlegt dat de daarin voorziene mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de geboekte capaciteit te verminderen, niet geldt voor de ten behoeve van gasopslagen geboekte capaciteit. Met ACM beantwoordt het College die vraag bevestigend en het College onderschrijft goeddeels de daarbij door ACM gevolgde redenering.

5.2

GTS heeft artikel 6.A.12 van de TSC geïntroduceerd als een uitvloeisel van artikel 12b, lid 2a, onderdeel d, van de Gaswet als een oplossing voor de problematiek van de beschikbaarheid van exitcapaciteit voor binnenlandse industrieën en centrales. Artikel 12b, lid 2a, onderdeel d, van de Gaswet bepaalt dat in de transportvoorwaarden in ieder geval wordt vastgelegd dat de capaciteit op een exitpunt bij voorrang kan worden gecontracteerd door een afnemer die een aansluiting op het landelijke gastransportnet heeft die is gekoppeld aan het desbetreffende exitpunt. Het doel van deze wettelijke bepaling is om te voorkomen dat eindafnemers op hun exitpunt "gegijzeld" kunnen worden doordat een ander op dat punt een zodanig capaciteitsbeslag legt, dat daarmee de behoefte van die eindafnemer niet (ten volle) kan worden vervuld. Aan de toelichting ontleent het College de volgende passage:

"Bij punt d. gaat het niet om doorvoer maar om exitpunten waarbij gas uiteindelijk uit

het net wordt gehaald. Een exitpunt is een punt bij een fabriek of bij een verdeelpunt van een regionaal netbeheerder die het gas uit het net haalt. Dan gaat het per definitie om eindgebruikers."

ACM heeft er voorts op gewezen dat Appendix 1b van de TSC een onderscheid maakt tussen verschillende categorieën van aangeslotenen en dat daarbij "industrial points" en "storage/ttf/planned" daarbij twee van de onderscheiden categorieën zijn. Gasopslagen behoren tot de laatstgenoemde categorie. Dat er bij regulering van het transport van gas een onderscheid wordt gemaakt tussen entry- en exitcapaciteit blijkt uit artikel 2.1.2h van de transportvoorwaarden waarin entry- en exitcapaciteit voor gasopslag afzonderlijk worden omschreven en aan gasopslagen separaat voorwaarden worden gesteld. Gelet op het voorgaande volgt het College VETNL niet in haar opvatting dat er geen transparant en kenbaar onderscheid is tussen eindafnemers en gasopslagen en acht het College voldoende toegelicht dat artikel 6.A.12 er toe strekt om eindafnemers te beschermen tegen het risico van een tekort aan transportcapaciteit. De eerste beroepsgrond van VETNL faalt.

5.3

Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond van VETNL heeft ACM aangevoerd dat eindafnemers en gasopslagen geen gelijke partijen zijn en het maken van een onderscheid hiertussen gerechtvaardigd is. Anders dan gasopslagen, zijn afnemers niet primair actief op de gasmarkt maar gebruiken zij slechts gas voor hun productieprocessen. Het gaat ook om zeer verschillende volumes. De Gaswet is gericht om concurrentie tussen aanbieders, zodat er zo min mogelijk economisch surplus achterblijft in de gastransportketen en lagere kosten voor eindafnemers worden gerealiseerd. Ook artikel 14 van de Gasverordening staat niet aan het maken van een dergelijk gerechtvaardigd onderscheid in de weg. Het College oordeelt dat ACM voldoende heeft toegelicht dat er bij eindafnemers en gasopslagen geen sprake is van gelijke gevallen en dat het gemaakte onderscheid wat betreft de reductie van capaciteitsboekingen gerechtvaardigd is. De subsidiaire beroepsgrond van VETNL faalt.

5.4

In reactie op de meer subsidiaire beroepsgrond van VETNL heeft ACM betoogd dat uit de door VETNL aangehaalde bepalingen van de Gasverordening niet voortvloeit dat GTS de verplichting heeft om mee te werken aan de reductie van een achteraf bezien te grote hoeveelheid door VETNL geboekte capaciteit. ACM wijst op punt 1 van de considerans van de Gasverordening die meldt dat met de interne markt voor aardgas wordt beoogd alle consumenten in de Gemeenschap - zowel particulieren als bedrijven - echte keuzevrijheid te bieden, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven te scheppen en grensoverschrijdende handel te bevorderen, teneinde efficiëntieverbeteringen, concurrerende prijzen en een betere dienstverlening te bewerkstelligen en de voorzieningszekerheid en duurzaamheid in de hand te werken. VETNL heeft gegeven deze doelstellingen als professionele marktdeelnemer een eigen verantwoordelijkheid en handelt derhalve voor eigen rekening en risico, temeer omdat het transport van gas de essentie van haar activiteiten vormt. Het College volgt ACM in het voorgaande, zodat ook de meer subsidiaire beroepsgrond van VETNL faalt.

5.5

Ter zitting heeft VETNL gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 12 oktober 2006 (ECLI:NL:CBB:2006:AZ0064) en aan de hand daarvan betoogd dat GTS zich in het verleden juist heeft verzet tegen het bevoordelen van eindafnemers. Naar het oordeel van het College kan VETNL zich niet met succes op deze uitspraak beroepen, omdat het in die uitspraak ging over de reikwijdte van (het toenmalige) artikel 2.3.1 van de Transportvoorwaarden van de verplichting voor GTS tot het aanhouden van transportcapaciteit (op entry- en op exitpunten). Dit betreft dus een andere situatie dan thans aan de orde.

5.6

Eveneens ter zitting heeft VETNL betoogd dat uit het bestreden besluit ten onrechte volgt dat artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden niet van toepassing is op gasopslagen en alleen geldt voor exitcapaciteit. Ter zitting hebben ACM en (in mindere mate) GTS zich verzet tegen deze gestelde uitbreiding van het beroepschrift, waarin VETNL geen gronden had aangevoerd tegen het oordeel van ACM over de door ACM aan genoemd artikel gegeven toepassing. Nu ACM en GTS ter zitting blijk hebben gegeven van het voeren van een adequaat verweer op dit ter zitting concreet toegelichte standpunt, komt het College niet tot het oordeel dat VETNL aldus heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.

5.7

VETNL heeft in haar pleitnota aangevoerd dat belangenorganisaties hebben aangedrongen op een regeling waarmee meerjarig geboekte capaciteit kan worden ingeruild voor jaarlijkse capaciteitsboekingen en dat ACM dit heeft afgewezen omdat de inschatting van het contracteren van capaciteit gebaseerd is op bedrijfsmatige afwegingen van netgebruikers. Het College ziet in het betoog van VETNL geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 2.1.2a van de Transportvoorwaarden haar de mogelijkheid zou moeten bieden om meerjarige capaciteitsboekingen te reduceren, maar veeleer een bevestiging van het onder 3.2 weergegeven standpunt van ACM dat genoemd artikel deze mogelijkheid niet biedt, niet voor gasopslagen, maar evenmin voor eindafnemers. Ook de ter zitting aangevoerde beroepsgrond faalt derhalve.

5.8

Gelet op het vorenstaande wordt het beroep van VETNL ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.C. Stam en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.M. Beishuizen