Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:105

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
14/174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/174

11201

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.J.H. Verburg),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Het College heeft in het geding tussen partijen op 2 mei 2016 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2016:129).

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft verweerder het kostenbesluit van 16 juli 2014 ingetrokken en de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving opnieuw berekend en bij appellante in rekening gebracht (het nieuwe kostenbesluit). In dit besluit wordt wat betreft het overzicht van de kosten verwezen naar de bijlage.

Bij brief van 16 september 2016 heeft appellante haar zienswijze gegeven over het nieuwe kostenbesluit en verzocht het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 18 oktober 2016 heeft verweerder op verzoek van het College de bij het nieuwe kostenbesluit gevoegde bijlage toegezonden.

Bij brief van 11 november 2016 heeft appellante gereageerd op de bijlage bij het nieuwe kostenbesluit.

Overwegingen

1. Voor de grondslag van het geschil verwijst het College naar de hiervoor genoemde tussenuitspraak van 2 mei 2016. In die tussenuitspraak heeft het College, samengevat weergegeven, geoordeeld (a) dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat het bestreden besluit (het besluit van 10 februari 2014 waarbij verweerder het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard tegen het besluit van 9 december 2013, waarin verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang wegens overtredingen van de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op schrift heeft gesteld), onrechtmatig is, en (b) dat het kostenbesluit van 16 juli 2014 in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College heeft verweerder opgedragen om deze gebreken te herstellen dan wel een ander besluit hiervoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.

2. Verweerder heeft bij het nieuwe kostenbesluit een bedrag van € 91.697,73 bij appellante in rekening gebracht. Dit bedrag is gebaseerd op de facturen die verweerder heeft ontvangen voor het transport van de dieren naar de opslaghouder en de opvang en dierenartskosten over de periode 4 december 2013 tot en met 31 januari 2014. In totaal gaat het om een bedrag van € 112.816,48, waarop in mindering is gebracht een totaalbedrag van
€ 21.118,75, zijnde de opbrengsten van de verkoop van dieren (€ 5.525,-), door appellante betaalde kosten (€ 2.500,-), kosten betaald door eigenaren van overige dieren (€ 6.944,31) en verblijf- en dierenartskosten na 27 januari 2014 (€ 6.149,44). In het nieuwe kostenbesluit wordt voor een overzicht van de kosten gewezen op de bijlage bij dat besluit ‘overzicht te verhalen kosten’ (bijlage bij het nieuwe kostenbesluit).

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van appellante van rechtswege mede betrekking op het nieuwe kostenbesluit. Niet gebleken is dat appellante belang heeft bij vernietiging van het kostenbesluit van 16 juli 2014, welk besluit is ingetrokken bij het nieuwe kostenbesluit. Het beroep gericht tegen het kostenbesluit van
16 juli 2014 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot het nieuwe kostenbesluit overweegt het College als volgt.

De zienswijze van appellante over het nieuwe kostenbesluit

4. Appellante heeft hiertegen het volgende aangevoerd.

4.1

Primair heeft appellante aangevoerd dat het College verweerder na sluiting van het onderzoek ter zitting in de gelegenheid heeft gesteld nadere stukken in te dienen. Volgens appellante brengt de goede procesorde met zich dat het onderzoek in dat geval wordt heropend. Een (eind)uitspraak waarin wordt ingegaan op een na sluiting van het onderzoek ter zitting ingebracht stuk is in strijd met artikel 8:69 van de Awb en komt voor vernietiging in aanmerking. Appellante heeft zelf ook na sluiting van het onderzoek nadere stukken ingebracht, namelijk bij brief van 16 september 2016. Zij heeft daarbij een gemotiveerd verzoek ingediend tot heropening van het onderzoek, omdat de waarde van de honden onvoldoende is onderzocht. Appellante meent dat het noodzakelijk is dat het onderzoek met betrekking tot het kostenbesluit wordt heropend. Het is in strijd met het fair trial-beginsel dat verweerder door middel van een bestuurlijke lus en zelfs na het verstrijken van de termijn van deze bestuurlijke lus de gelegenheid krijgt om met nadere stukken alsnog een gebrekkig kostenbesluit te herstellen, terwijl appellante meteen bij de eerste tussenuitspraak de kans wordt ontnomen haar beroepsgrond nader te onderbouwen, die opgeld doet in geval van herstel van het kostenbesluit. Meer in het bijzonder heeft appellante in haar zienswijze van
16 september 2016 over de opbrengst van de honden aangevoerd dat het College in de tussenuitspraak is uitgegaan van verkeerde, althans van te weinig informatie. Dit is in ieder geval voor een deel te wijten aan het feit dat verweerder heeft verzuimd de juiste namen te vermelden op de ingediende lijsten. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat appellante in de procedure verschillende malen heeft gewezen op de bijzondere foklijnen van de honden. Het kostenbesluit zelf bevat geen motivering met betrekking tot de waarde van de honden en niet duidelijk is of en zo ja, op welke wijze verweerder in het kader van het bepalen van de waarde van de honden onderzoek heeft gedaan naar die foklijnen.

4.2

Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat de bij brief van 18 oktober 2016 toegezonden bijlage bij het nieuwe kostenbesluit buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze bijlage is ingediend nadat de bij de tussenuitspraak gestelde termijn van drie maanden was verstreken en een verlenging van die termijn niet heeft plaatsgehad. In dat geval heeft te gelden dat het nieuwe kostenbesluit wegens een gebrekkige motivering dient te worden vernietigd en verweerder een nieuw kostenbesluit dient te nemen.

4.3

Meer subsidiair heeft appellante aangevoerd dat verweerder met het nieuwe kostenbesluit en de daarbij behorende bijlage niet de helderheid verschaft die een deugdelijke motivering vereist. In de eerste plaats heeft verweerder geen bewijzen overgelegd met betrekking tot de verkoopprijs van de honden. Het was aan verweerder om nauwkeurig onderzoek te doen naar de waarde van de honden. Een overzicht waarin verweerder zelf een schatting heeft gemaakt van de waarde van de honden volstaat niet, zeker niet nu appellante heeft gewezen op de bijzondere foklijnen van de honden. Dat de honden vervolgens door verweerder zonder nadere toelichting voor een lagere prijs zijn verkocht, is in strijd met de eis van een zorgvuldige voorbereiding. In de tweede plaats wordt in de bijlage bij het nieuwe kostenbesluit gewezen naar een factuur (met nummer 14010103) en gesuggereerd dat daarop vermeld zou staan wat de verblijfkosten en dierenartskosten na 27 januari 2014 zouden zijn. Het zou gaan om een bedrag van € 6.149,44. Dat bedrag is echter niet terug te vinden op de factuur. Een berekening van de totstandkoming van dit bedrag ontbreekt. In de derde plaats is onduidelijk op welke wijze de dierenartskosten in de periode tussen 27 januari 2014 en
31 januari 2014 zijn betrokken bij de toegepaste verrekening. Genoemde factuur vermeldt weliswaar dierenartskosten, maar dat zijn vaste bedragen, die niet herleidbaar zijn tot een bepaalde periode. Het is dus goed mogelijk dat ten onrechte dierenartskosten in rekening worden gebracht, terwijl bovendien niet duidelijk is waarom in januari 2014 dierenartskosten in rekening worden gebracht, nu alle honden al in december 2013 zijn onderzocht en, voor zover van toepassing, zijn behandeld door de dierenarts.

De beoordeling door het College

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Artikel 8:51d van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:51a van die wet, biedt aan het College de bevoegdheid om een bestuursorgaan een gebrek in een besluit te laten herstellen (de bestuurlijke lus). Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft het College verweerder met toepassing van die bepalingen opgedragen om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het kostenbesluit van 16 juli 2014 te herstellen dan wel een ander besluit hiervoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak. Bij het nieuwe kostenbesluit van 19 juli 2016 heeft verweerder een bedrag van € 91.697,73 bij appellante in rekening gebracht, waarbij verweerder voor een overzicht van de kosten heeft gewezen op de bijlage bij dat besluit. Verweerder heeft aldus binnen de in de tussenuitspraak geboden termijn van drie maanden uitvoering gegeven aan die tussenuitspraak. Dat de bijlage bij het nieuwe kostenbesluit niet bij dat besluit was gevoegd en pas later, buiten de in de tussenuitspraak geboden termijn alsnog aan het College en appellante is toegezonden, doet daaraan niet af. Anders dan appellante onder 4.2 heeft aangevoerd, bestaat voorts geen grond om die bijlage om die reden buiten beschouwing te laten. In het nieuwe kostenbesluit wordt uitdrukkelijk verwezen naar de bij dat besluit behorende bijlage. Die bijlage maakt dus deel uit van het nieuwe kostenbesluit, terwijl appellante bovendien in de gelegenheid gesteld is ook haar zienswijze over bedoelde bijlage naar voren te brengen.

5.2

Het betoog van appellante dat sprake is van strijd met artikel 8:69 van de Awb, omdat het College verweerder na sluiting van het onderzoek ter zitting in de gelegenheid heeft gesteld nadere stukken in te dienen en dat de goede procesorde met zich brengt dat in dat geval het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb wordt heropend (zie 4.1), miskent dat, zoals hiervoor uiteengezet, het College toepassing heeft gegeven aan de bestuurlijke lus en faalt om die reden. Van heropening van het onderzoek kan dan ook geen sprake zijn, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen. Voor zover het betoog van appellante aldus moet worden begrepen dat een nader onderzoek ter zitting dient plaats te vinden omdat het onderzoek over de opbrengst van de honden niet volledig is geweest, moet worden geoordeeld dat dit betoog ook in zoverre faalt. Artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb biedt immers aan het College, indien het beroep reeds ter zitting is behandeld, na toepassing van artikel 8:51a van de Awb de bevoegdheid te bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren hebben gebracht. Nu het beroep van appellante reeds ter zitting is behandeld en zij haar zienswijze over het nieuwe kostenbesluit en de daarbij behorende bijlage naar voren heeft gebracht, heeft het College van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

5.3

Voor zover appellante (zie 4.1 en 4.3) aanvoert dat de waarde van de honden onvoldoende is onderzocht en dat de opbrengst van de verkochte honden te laag is, overweegt het College voorts als volgt. In de tussenuitspraak (onder 7.3.5) heeft het College over de stelling van appellante dat de opbrengst van de verkochte dieren te laag is, overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de honden een hogere waarde vertegenwoordigen dan de uiteindelijke verkoopwaarde en dat hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende is voor de conclusie dat de honden niet voor een reële prijs zijn verkocht. Appellante heeft haar betoog dat verweerder nog steeds geen verificatoire bescheiden heeft overgelegd met betrekking tot de verkoopprijs van de verkochte honden alleen toegelicht met de stelling dat deze verkoopprijs lager is dan de (getaxeerde) waarde van de honden. Het College gaat aan dit betoog voorbij, nu het College deze stelling in de tussenuitspraak (onder 7.3.5) reeds heeft verworpen. In een einduitspraak kan, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet worden teruggekomen van in een tussenuitspraak gegeven oordelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:52). Hetgeen appellante heeft aangevoerd, leidt het College niet tot de conclusie dat zich hier een zeer uitzonderlijk geval voordoet, zodat het College geen grond ziet om terug te komen van zijn oordeel in de tussenuitspraak over de opbrengst van de honden. Het betoog van appellante dat het in strijd is met het fair trial-beginsel dat verweerder door middel van een bestuurlijke lus de gelegenheid krijgt om met nadere stukken alsnog een gebrekkig kostenbesluit te herstellen, terwijl appellante meteen bij de eerste tussenuitspraak de kans wordt ontnomen haar beroepsgrond nader te onderbouwen, faalt. Ook verweerder is immers in beginsel gehouden aan eindbeslissingen in de tussenuitspraak met betrekking tot de geconstateerde gebreken in het kostenbesluit van 16 juli 2014, zodat van een ongelijke behandeling geen sprake is (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:997). Dat verweerder de gelegenheid krijgt een gebrek in dat kostenbesluit te herstellen is inherent aan de bestuurlijke lus. Appellante heeft voordat tussenuitspraak is gedaan voldoende gelegenheid gehad haar beroepsgrond over de opbrengst van de honden te onderbouwen. Dat appellante na de tussenuitspraak in deze procedure niet in de gelegenheid wordt gesteld haar beroepsgrond over de opbrengst van de honden nader te onderbouwen met bewijsmiddelen is niet in strijd met enig beginsel van behoorlijke rechtspleging (zie de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016).

5.4.1

Wat betreft de kosten voor de opvang van de honden van appellante over de periode van het meevoeren en in bewaring nemen van de honden tot en met de dag waarop de voorzieningenrechter van het College uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening (27 januari 2014) heeft het College in de tussenuitspraak (onder 7.3.1) geoordeeld dat verweerder deze kosten terecht bij appellante in rekening heeft gebracht. Uit de tussenuitspraak (onder 7.3.2, 7.3.3 en 7.3.4) volgt voorts – kort gezegd – dat verweerder het kostenbesluit van 16 juli 2014 wat betreft de daarin door hem opgevoerde kosten die dateren van na 27 januari 2014 niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft in het nieuwe kostenbesluit uiteengezet dat hij de kosten die zijn gemaakt na 27 januari 2014 niet op appellante verhaalt.

5.4.2

Blijkens de bijlage bij het nieuwe kostenbesluit heeft verweerder een bedrag van in totaal € 112.816,48 aan facturen ontvangen voor het transport van de dieren naar de opslaghouder en de opvang- en dierenartskosten over de periode 4 december 2013 tot en met 31 januari 2014. Daartoe is gewezen op vier facturen, waarvan de factuur met nummer 14010103 betrekking heeft op een bedrag van € 49.942,23 over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 en ziet op de verblijfkosten van de honden, de dierenartskosten en de kilometervergoeding. Op het bedrag van € 112.816,48 heeft verweerder, zoals hiervoor onder 2 al overwogen, onder meer een bedrag van € 6.149,44 aan verblijfkosten en dierenartskosten na 27 januari 2014 in mindering gebracht en daarbij verwezen naar de factuur met nummer 14010103.

5.4.3

De factuur met nummer 14010103 vermeldt dat de verblijfkosten voor de honden over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 € 46.131,48 bedragen, dat de dierenartskosten over die periode € 2.710,25 (€ 2.618,49 + € 91,76) bedragen en dat de kilometervergoeding over die periode € 1.100,50 bedraagt (in totaal € 49.942,23). Het bedrag van de kilometervergoeding heeft appellante niet bestreden. Met appellante moet worden vastgesteld dat deze factuur niet vermeldt wat de dierenartskosten en de verblijfkosten voor de honden na 27 januari 2014 zijn, terwijl het bedrag van € 6.149,44 dat verweerder in mindering heeft gebracht niet op die factuur is terug te vinden en verweerder de berekening van dat bedrag ook anderszins niet heeft toegelicht. Hoewel, zoals hierna wordt overwogen, uit de factuur met nummer 14010103 en de daarbij behorende specificatiefactuur met nummer
7-6834 tamelijk eenvoudig kan worden afgeleid wat de verblijfkosten voor de honden na
27 januari 2014 zijn, geldt dit niet, zoals hierna ook wordt overwogen, voor de dierenartskosten.

5.4.4

Uit de factuur met nummer 14010103 en de daarbij behorende specificatiefactuur met nummer 7-6834 kan worden afgeleid dat het bedrag van de verblijfkosten voor de honden over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 is berekend aan de hand van het aantal honden dat in de desbetreffende periode in de opvang verbleef keer het aantal dagen keer het dagtarief van € 11,43. In de periode 15 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 – een periode van 17 dagen – verbleven 124 honden in de opvang (de kosten daarvan zijn
€ 24.094,44). Verweerder verhaalt, zoals eerder overwogen, de kosten na 27 januari 2014 niet op appellante. Dit betekent dat een bedrag van € 5.669,28 aan verblijfkosten niet op appellante wordt verhaald (124 honden x 4 dagen x € 11,43).

5.4.5

Wat betreft de dierenartskosten vermeldt de factuur met nummer 14010103 twee bedragen inclusief btw met een verschillend btw-tarief, zonder dat duidelijk is wanneer die kosten precies zijn gemaakt. Voor zover verweerder ook heeft willen verwijzen naar een ‘overzicht dr0059 7-6834, Chihuahua, korthaar en langhaar’ waarop data in januari 2014 staan vermeld, waaronder 31 januari 2014, alsook beschrijvingen van diergeneeskundige verrichtingen en diergeneesmiddelen en de daarbij behorende bedragen, moet worden vastgesteld dat die bedragen exclusief btw zijn en aldus niet eenduidig kan worden vastgesteld wat de dierenartskosten inclusief btw na 27 januari 2014 zijn.

5.4.6

Nu verweerder in het nieuwe kostenbesluit ervoor heeft gekozen eerst alle kosten voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 (€ 49.942,23) in rekening te brengen en daar vervolgens een bedrag van € 6.149,44 aan verblijfkosten en dierenartskosten na
27 januari 2014 van af te trekken, zonder de berekening van dit bedrag toe te lichten, moet worden geoordeeld dat het nieuwe kostenbesluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de dierenartskosten (zie 4.3) treft in zoverre dus doel.

Slotsom

6.1

Uit het voorgaande vloeit het volgende voort.

6.2.

Het beroep gericht tegen het nieuwe kostenbesluit is gegrond. Dat besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het College acht geen termen aanwezig opnieuw een bestuurlijke lus toe te passen, maar zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante een bedrag van € 89.467,64 aan verweerder is verschuldigd. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het nieuwe kostenbesluit. Meer in het bijzonder overweegt het College hiertoe als volgt.

6.3.

Voor verweerder had duidelijk moeten zijn dat hij in het kader van de bestuurlijke lus wat betreft de dierenartskosten na 27 januari 2014 niet kon volstaan met een enkele verwijzing naar de factuur met nummer 14010103. Nu, zoals hiervoor reeds overwogen, niet eenduidig kan worden vastgesteld wat de dierenartskosten inclusief btw na 27 januari 2014 zijn, is het College van oordeel dat de op de factuur met nummer 14010103 vermelde bedragen aan dierenartskosten van € 2.618,49 en € 91,76, die betrekking hebben op de gehele periode van 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014, niet bij appellante in rekening kunnen worden gebracht.

6.4

Het College zal in plaats van € 6.149,44 een bedrag van € 8.379,53 (€ 2.618,49 +
€ 91,76 aan dierenartskosten + € 5.669,28 aan verblijfkosten) in mindering brengen op het bedrag van € 112.816,48 dat verweerder aan facturen heeft ontvangen voor het transport van de dieren naar de opslaghouder en de opvang- en dierenartskosten over de periode
4 december 2013 tot en met 31 januari 2014.

Totale kosten: € 112.816,48

In mindering gebracht:
door appellante betaalde kosten € 2.500,-

opbrengsten van de verkoop van honden € 5.525,-
kosten betaald door eigenaren van overige honden € 6.944,31

dierenartskosten en verblijfkosten € 8.379,53

totaal € 23.348,84

Totaal te betalen € 89.467,64

6.5

Het College acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellante in verband met de beroepsprocedure heeft moeten maken. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus 0,5 met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het kostenbesluit van 10 februari 2014 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het nieuwe kostenbesluit van 19 juli 2016 gegrond;

  • -

    vernietigt het kostenbesluit van 19 juli 2016;

  • -

    bepaalt dat appellante een bedrag van € 89.467,64 is verschuldigd aan verweerder;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde nieuwe kostenbesluit van 19 juli 2016;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M. van Ditmarsch