Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:100

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
17/28, 17/29 en 17/30
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om vovo afgewezen in verband met schikking ter zitting. Buiten behandeling laten aanvraag om toelating biociden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/28, 17/29 en 17/30

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Ecolab B.V. te Nieuwegein, verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J. Kugel),

en

het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, verweerder

(gemachtigde: mr. I.L. Rol).

Procesverloop

Bij besluiten van 27 mei 2016 (primaire besluiten) heeft verweerder beslist de aanvragen van verzoekster om toelating van drie biociden, te weten Incidin OxyFoam S, Incidin Oxywipe S en Klercide Spricidal Enahanched Peroxide (de biociden), niet in behandeling te nemen.

Verzoekster heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens met een brief van 9 januari 2017 de voorzieningenrechter van het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 januari 2017 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verzoekster zijn verder nog verschenen MSc. Ing. M.O. Oleka en Dr. rer-nat. P.J.F. Forth. Namens verweerder zijn verder nog verschenen mr. drs. J.W.A. Bosselaar, ing. T.J.J. Huizing en dr. ir. P.L. Geenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Verzoekster heeft op 6 oktober 2015, respectievelijk 5 november 2015, bij verweerder aanvragen ingediend voor een nationale toelating van de biociden volgens overgangsrecht. Het zijn oppervlakte-desinfecteringsmiddelen die zijn bestemd voor professioneel gebruik in de gezondheidszorg, respectievelijk in een industriële omgeving. De desinfecterende werking is gericht op de bestrijding van bacteriën, gisten, schimmels en bacteriesporen. De biociden bevatten waterstofperoxide en glycolzuur. Volgens de aanvragen is waterstofperoxide de enige werkzame stof.

2.2.

Verweerder betwijfelt of waterstofperoxide de enige werkzame stof is. Er is ook glycolzuur als (potentiële) werkzame stof in de biociden aanwezig en mogelijk ook perglycolzuur. Verweerder heeft daarom aan verzoekster gevraagd om aan te tonen dat geen perglycolzuur wordt gevormd en dat glycolzuur geen werkzame stof is in de biociden. Verzoekster heeft op 4 februari 2016 nadere stukken ingediend. Daaronder bevindt zich een werkzaamheidstest, die volgens verzoekster aantoont dat glycolzuur in de biociden geen werkzame stof is. Ook zou uit de nadere gegevens blijken dat geen significante concentratie perglycolzuur gevormd wordt.

2.3.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder beslist de aanvragen van verzoekster niet in behandeling te nemen, omdat de nadere stukken niet aantonen dat glycolzuur geen werkzame stof is. De werkzaamheidstest vormt veeleer een aanwijzing dat glycolzuur wel degelijk een werkzame stof is in de biociden en door het ontbreken van gegevens over deze tweede werkzame stof is het aangeleverde dossier onvolledig.

2.4.

Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en betwist dat glycolzuur een werkzame stof is. Verweerder is niet ingegaan op de uitnodiging van verzoekster om mondeling te overleggen met (deskundigen van) verzoekster, en heeft op 30 september 2016 op basis van de bezwaarschriften een eerste voorlopig oordeel aan verzoekster toegezonden. Op 2 december 2016 heeft verzoekster nadere stukken toegezonden waaruit de niet-werkzaamheid van perglycolzuur zou moeten blijken. Op 14 december 2016 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Verzoekster heeft nadien nog stukken aan verweerder toegezonden. De Adviescommissie voor de bezwaarschriften Ctgb adviseert op 23 januari 2017 dat verzoekster bij haar aanvragen onvoldoende heeft aangetoond dat glycolzuur geen werkzame stof is en dat verweerder de aanvragen terecht niet in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft laten weten dat hij voornemens is om op korte termijn op de bezwaren te beslissen in overeenstemming met dit advies. Hij meent de (rechtsgevolgen van de) bestreden besluiten in bezwaar te kunnen handhaven, ook al is enige aanvullende motivering nodig.

2.5.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om de bestreden besluiten te schorsen en, samengevat, verweerder de opdracht te geven om uiterlijk 1 februari 2017, althans binnen vijf werkdagen na de uitspraak, besluiten op bezwaar te nemen, althans met verzoekster te vergaderen om verdere onnodige vertraging in de besluitvorming te voorkomen, althans verzoekster in de gelegenheid te stellen om de beweerdelijk nog ontbrekende informatie in te dienen, dit alles onder veroordeling van verweerder om over de gevraagde toelatingen te beslissen onder het geldende overgangsrecht als bedoeld in artikel 89 van de Biocidenverordening (Verordening (EU) 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, PB L167/1) en artikel 130a, vierde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1.

Verzoekster wil over nationale toelatingen volgens overgangsrecht beschikken, en met haar verzoek om een voorlopige voorziening wil zij bereiken dat verweerder zo spoedig mogelijk inhoudelijk op de aanvragen beslist.

3.2.

Partijen hebben tijdens een schorsing van het onderzoek ter zitting met elkaar overleg gevoerd. Verweerder is bij nader inzien van mening dat hij verzoekster had moeten berichten dat de door haar ingebrachte werkzaamheidstest niet concludent was en dat hij verzoekster de gelegenheid had moeten bieden om alsnog voldoende data te overleggen. Verweerder is bereid om die gelegenheid alsnog te geven. Partijen zijn overeengekomen dat verzoekster nadere stukken kan indienen, dat verweerder met inachtneming van die stukken de aanvragen opnieuw zal beoordelen en uiterlijk op 1 september 2017 inhoudelijk op de aanvragen zal beslissen. Verzoekster wenst desondanks een uitspraak.

3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op 3.2, geen onverwijlde spoed (meer) bestaat die noopt tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en zal daarom het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017.

w.g. R.C. Stam w.g. J.W.E. Pinckaers